rijk/ministeriele-regeling/mandaatbesluit-dienstonderdelen-openbaar-ministerie-2009-overige-dienstonderdele/BWBR0027876/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

18 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie 2009 (overige dienstonderdelen) BWBR0027876 ministeriele-regeling geldend 2010-07-09 https://wetten.overheid.nl/BWBR0027876 Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie 2009 (overige dienstonderdelen)

Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie 2009 (overige dienstonderdelen)

Paragraaf 1. , definities

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

    *College:* het College van procureurs-generaal;
    *Dienstonderdelen:* de hierna genoemde onderdelen van het openbaar ministerie, te weten:
  
    
      a)
      het bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie;
    
    
      b)
      het bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie;
    
    
      c)
      de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie;
    
    
      d)
      de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie;
    
    
      e)
      het Functioneel Parket;
    
    
      f)
      het Landelijk Parket;
    
    
      g)
      het Parket Generaal, en;
    
    
      h)
      de Rijksrecherche.

a) a) het bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie; b) b) het bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie; c) c) de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie; d) d) de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie; e) e) het Functioneel Parket; f) f) het Landelijk Parket; g) g) het Parket Generaal, en; h) h) de Rijksrecherche. 3) 3)

    *Directeur bedrijfsvoering:* de directeur bedrijfsvoering van de dienstonderdelen bedoeld in het tweede lid, aanhef, onderdelen c, d, e en f;
    *Machtiging:* de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, of een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, die betrekking hebben op het openbaar ministerie;
    *Mandaat:* de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen die betrekking hebben op het openbaar ministerie;
    *Minister:* de minister van justitie;
    *Niet rechterlijk ambtenaar:* de rijksambtenaren en de politieambtenaren;
    *Politieambtenaren:* de ambtenaren die werkzaam zijn bij de Rijksrecherche krachtens een aanstelling op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie;
    *Rechterlijke ambtenaar:* de in de Wet op de rechterlijke organisatie als zodanig aangeduide ambtenaren;
    *Rijksambtenaren:* de ambtenaren die werkzaam zijn bij dienstonderdelen van het openbaar ministerie krachtens een aanstelling op grond van het Algemeen rijksambtenarenreglement;
    *Volmacht:* de bevoegdheid om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten die betrekking hebben op het openbaar ministerie.

Paragraaf 2. , de aanwijzing tot hoofd van dienst en bevoegd gezag

Artikel 2

De hierna genoemde functionarissen van de hierna genoemde onderdelen worden aangewezen tot hoofd van dienst ten aanzien van de rechterlijke en niet rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het betreffende dienstonderdeel in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het Algemeen rijksambtenarenreglement en als bevoegd gezag in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel l, sub 3 van het Besluit algemene rechtspositie politie:

a) a) De directeur van het bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie; b) b) Het hoofd van het bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie; c) c) De directeur van de Centrale Verwerking OM; d) d) De directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie; e) e) Het hoofd van het Functioneel Parket; f) f) Het hoofd van het Landelijk Parket; g) g) De directeur van het Parket Generaal, en; h) h) De directeur van de Rijksrecherche.

Paragraaf 3. , de bevoegdheden

Artikel 3

1).

Beheermandaat

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend ten aanzien van de aan het College toekomende bevoegdheden inzake aangelegenheden die het beheer van het dienstonderdeel betreffen, met uitzondering van de besluiten en handelingen die op grond van artikel 4, aanhef, vierde lid, onderdelen a, b en c, zijn uitgesloten van het mandaat.

2).

Budgetverantwoordelijkheid

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om besluiten te nemen, stukken af te doen en brieven te ondertekenen, voor zover deze de besteding en de uitputting van het budget van het dienstonderdeel aangaan, een en ander met inachtneming van het aan hen op grond van het vastgestelde jaarplan toegekende budget en de voor het budgethouderschap geldende voorschriften.

3). Het College behoudt zich het recht voor om bij een nader aanvullend besluit nadere aanwijzingen te geven ten aanzien van de administratieve organisatie van het budgetmandaat, de wijze waarop verplichtingen worden aangegaan, de wijze waarop betaalbaarstelling ten laste van het budget plaatsheeft en de wijze waarop bestedingen van het budget worden verantwoord.

4).

Mandaat organisatie en formatie

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend om passend binnen de hoofdlijnen van de organisatie en formatie, de budgettaire kaders zoals die in het jaarplan zijn vastgelegd, de organisatie en formatie vast te stellen van het dienstonderdeel met inachtneming van artikel 4, aanhef, onderdeel 1 en 3 en het geldende functiehuis voor de sectoren rechterlijke macht en rijk.

5).

Personeelsmandaat

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend om:

a) a) Besluiten te nemen, stukken af te doen en brieven te ondertekenen al dan niet met rechtspositionele gevolgen, voor zover deze de rechterlijke en niet rechterlijke ambtenaren aangaan die werkzaam zijn bij zijn dienstonderdeel. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend op basis van de geldende voorschriften, de vastgestelde formatie en het toegekende personele budget met uitzondering van de besluiten als bedoeld in artikel 4, aanhef, vierde lid, onderdelen a, b en c. b) b) Besluiten te nemen waarmee aan rechterlijke en niet rechterlijke ambtenaren een schadeloosstelling wordt toegekend tot het bedrag van € 5.000, op jaarbasis. c) c) Besluiten te nemen waarmee aan rechterlijke en niet rechterlijke ambtenaren een eenmalige of periodieke toeslag wordt toegekend tot het bedrag van € 5.000, op jaarbasis.

6).

Mandaat arbeidsomstandigheden

a) a) Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend om het arbeidsomstandighedenbeleid te coördineren en uit te voeren zoals dat geldt binnen het openbaar ministerie en hij volgt daarbij voor zover het betreft de huisvesting en de materiële voorzieningen het voor het openbaar ministerie geldende arbeidsomstandighedenbeleid. b) b) Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend de bevoegdheden uit te oefenen die op grond van de Arbeidsomstandighedenwet vereist zijn.

7).

Klachtenafhandeling

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend om klachten als bedoeld in artikel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht af te handelen, met uitzondering van klachten die gedragingen betreffen van het hoofd van dienst zelf.

8).

Nationale Ombudsman

Het hoofd van dienst wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en andere handelingen te verrichten, voortvloeiende uit aangelegenheden van de Nationale Ombudsman indien het gaat om:

a) a) het sturen van ontvangstbevestigingen; b) b) het sturen van tussenberichten, waaronder uitstelberichten, of; c) c) stukken naar aanleiding van pogingen van de nationale Ombudsman om ter vermijding van een volledig onderzoek te bevorderen dat alsnog aan de klacht tegemoet wordt gekomen (interventies).

9).

Wet openbaarheid van bestuur

Aan het hoofd van dienst wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur met uitzondering van de besluiten die belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben.

Artikel 4

Het hoofd van dienst is gehouden bij het uitoefenen van bevoegdheden:

    1. Indien en voor zover het betreft de onderdelen bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef, onderdelen c, d, e en f, gebruik te maken van de ondersteuning die door de directeur bedrijfsvoering wordt gegeven met inachtneming van het model van de regeling mandaatbesluit openbaar ministerie (directeur bedrijfsvoering overige OM onderdelen) 2009;
    1. De verplichting na te leven tot het vaststellen van de hoofdlijnen van arbeidsomstandighedenbeleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van de binnen zijn gezagsbereik werkzame ambtenaren in verband met de arbeid.
    1. Een formatiebeheer te voeren dat in overeenstemming is met het justitiebrede beleid.

      a)
      Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit.
      
      
      b)
      Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie.
      
      
      c)
      Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal.
      
      
      d)
      De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol.
      
      
      e)
      Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten:
      
      
          i)
          De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
      
      
          ii)
          Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
      

a) a) Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit. b) b) Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie. c) c) Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal. d) d) De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol. e) e) Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten:

          i)
          De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
        
        
          ii)
          Alle overige functies van schaal 14 en hoger.

i) i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger; ii) ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger. 4) 4) Van het beheer-, budget- en personeelsmandaat zijn uitgesloten:

      a)
      Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
    
    
      b)
      Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van:
      
        
          i)
          De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
        
        
          ii)
          De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
        
      
    
    
      c)
      Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

a) a) Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer. b) b) Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van:

          i)
          De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
        
        
          ii)
          De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.

i) i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en; ii) ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie. c) c) Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. 5) 5) Van het beheer-, budget-, personeels-, en formatiemandaat wordt gebruik gemaakt met inachtneming van:

      a)
      de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
    
    
      b)
      de Comptabiliteitswet;
    
    
      c)
      de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
    
    
      d)
      de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
    
    
      e)
      de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel.

a) a) de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht; b) b) de Comptabiliteitswet; c) c) de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie; d) d) de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en; e) e) de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel. 6) 6) Het hoofd van dienst legt over het gevoerde beheer verantwoording af aan het College. 7) 7) Het hoofd van dienst is gehouden schriftelijke beslissingen die op grond van het budgetmandaat, organisatie en formatiemandaat, beheermandaat, personeelsmandaat en mandaat arbeidsomstandigheden worden genomen, als volgt te ondertekenen: De Minister van Justitie namens deze, naam ondertekenaar functie ondertekenaar.

Paragraaf 4. , beslissingen op bezwaar en beroep

Artikel 5

1). Het College beslist op een bezwaar of een beroep dat is gericht tegen een beslissing dat is genomen door een hoofd van een dienstonderdeel alsmede op een daarmee verband houdend verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.

2). Aan het hoofd van dienst wordt mandaat verleend te beslissen op een bezwaar dat op grond van een door hem verleend ondermandaat is genomen alsmede op een daarmee verband houdend verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 5. , Verlenen van ondermandaat

Artikel 6

1). Het hoofd van dienst wordt toegestaan van het aan hen in deze regeling verleende mandaat ondermandaat te verlenen en de aan hen toegekende volmacht en machtiging door te geven aan onder hen ressorterende functionarissen.

2). Het krachtens dit artikel verleende ondermandaat en de doorgegeven machtiging en volmacht kunnen één hiërarchisch niveau verder worden doorgegeven.

Paragraaf 6. , Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7

1). Het Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie van 15 december 1997, nummer 665431 L/897 wordt ingetrokken.

2). Bestaande regelingen waarin de in het Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie verleende mandaten, volmachten en machtigingen verder worden doorgegeven, worden geacht te zijn gegrond op deze regeling, voor zover zij daarmee niet strijdig zijn, totdat op grond van deze regeling nieuwe ondermandaten zijn vastgesteld of volmachten en machtigingen worden doorgegeven.

3). Bestaande regelingen waarin de in het Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie verleende mandaten, volmachten en machtigingen verder worden doorgegeven, worden geacht op 1 juli 2010 te zijn ingetrokken, tenzij deze reeds op een eerder tijdstip worden ingetrokken en zijn vervangen door een op dit besluit gegronde regeling van het ondermandaat of het doorgeven van volmacht en machtigingen.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 november 2009.

Artikel 9

Dit besluit kan worden aangehaald als: Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie 2009 (overige dienstonderdelen).