rijk/ministeriele-regeling/mediaregeling-2008/BWBR0025040/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

23 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Mediaregeling 2008 BWBR0025040 ministeriele-regeling geldend 2014-06-11 https://wetten.overheid.nl/BWBR0025040 Mediaregeling 2008

Mediaregeling 2008

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • Stimuleringsfonds: Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1 van de wet;
  • wet: Mediawet 2008.

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Afdeling 2.1. Landelijke publieke mediadienst

Artikel 2

De NPO dient het concessiebeleidsplan in vóór 1 november van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode.

Artikel 3

1. Omroeporganisaties dienen de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.30 van de wet, vóór 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode in bij het Commissariaat.

2. Omroeporganisaties dienen de nieuwe aanvraag, bedoeld in artikel 2.31, vierde lid, eerste volzin, van de wet, uiterlijk één maand na de dagtekening van het besluit van de minister daartoe in bij het Commissariaat.

3. De minister besluit op de aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vóór 1 augustus van het kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode.

Artikel 3a

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bevat voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.

2. Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieën.

Artikel 4

1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, bevat:

a. a. voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de wet; b. b. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroeporganisatie, waarbij, indien van toepassing, specifiek wordt aangegeven op welke punten deze afwijkt van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet; c. c. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van de financiële en administratieve organisatie van de omroeporganisatie; d. d. een overzicht van de financiën van de omroeporganisatie, wat voor de aanvraag voor een erkenning van een omroeporganisatie, niet zijnde een samenwerkingsomroep, in elk geval inhoudt: de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroeporganisatie of van de omroepverenigingen waaruit die organisatie gevormd is; en e. e. in geval van een samenwerkingsomroep:

        1°.
        de statuten en reglementen van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;
      
      
        2°.
        een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, gelet op artikel 2.142a, derde lid;
      
      
        3°.
        een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van administratieve organisatie van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;
      
      
        4°.
        een overzicht van de financiën van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, en in elk geval de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroepverenigingen; en
      
      
        5°.
        notariële akten en overeenkomsten, anders dan bedoeld onder 1° tot en met 4°, die betrekking hebben op de samenwerking binnen de samenwerkingsomroep.

1°. 1°. de statuten en reglementen van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen; 2°. 2°. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, gelet op artikel 2.142a, derde lid; 3°. 3°. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van administratieve organisatie van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen; 4°. 4°. een overzicht van de financiën van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, en in elk geval de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroepverenigingen; en 5°. 5°. notariële akten en overeenkomsten, anders dan bedoeld onder 1° tot en met 4°, die betrekking hebben op de samenwerking binnen de samenwerkingsomroep.

2. In geval van een aanvraag voor een voorlopige erkenning bevat de aanvraag de notariële akten en overeenkomsten die betrekking hebben op de samenwerking met de NTR of de omroeporganisatie waaraan de aanvrager de verzorging van haar media-aanbod heeft opgedragen.

3. Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieën.

Afdeling 2.2. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.2.1. Aanwijzing

Artikel 5

De aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.65 van de wet, gaat vergezeld van:

a. a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten; b. b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente respectievelijk provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde orgaan; c. c. een overzicht van de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en d. d. een aanduiding van het gebied waarbinnen het media-aanbod zal worden verspreid.

Artikel 6

1. Het Commissariaat legt een aanvraag voor een aanwijzing van een regionale publieke media-instelling respectievelijk een lokale publieke media-instelling binnen vier weken na ontvangst daarvan ter advisering voor aan de desbetreffende provinciale staten respectievelijk gemeenteraad.

2. Provinciale staten brengen respectievelijk de gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag advies uit aan het Commissariaat.

3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies, bedoeld in het tweede lid, op de aanvraag en bepaalt daarbij de ingangsdatum van de aanwijzing.

Artikel 7

Als een aangewezen regionale publieke media-instelling voor een aansluitende periode van vijf jaar aangewezen wil worden, dient zij uiterlijk zes maanden voor het einde van de lopende aanwijzingsperiode de aanvraag voor een nieuwe aanwijzing in.

Artikel 7a

Een aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke media-instelling als bedoeld in artikel 2.65, tweede lid, van de wet kan enkel worden ingediend binnen een door het Commissariaat vastgestelde termijn.

Artikel 8

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen afwijken van artikel 6.

Artikel 9

Een besluit tot intrekking van de aanwijzing op grond van artikel 2.67, eerste lid, en 2.68. eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, gaat onmiddellijk in.

Paragraaf 2.2.1a. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Artikel 9a

1. Een regionale publieke media-instelling dient jaarlijks vóór 15 september een aanvraag in bij het Commissariaat voor een bijdrage als bedoeld in artikel 2.170, tweede lid, van de wet.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een begroting en een activiteitenplan.

3. Het activiteitenplan bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor een bijdrage wordt gevraagd.

Artikel 9b

1. Een regionale publieke media-instelling volgt voor het opstellen van de begroting het model dat als bijlage II bij deze regeling is gevoegd.

2.

De begroting bevat in elk geval:

a. a. een beschrijving van de wijze waarop door de regionale publieke media-instelling invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens de wet; b. b. een raming van de financiële middelen die voor het volgend kalenderjaar nodig zijn om het voorgenomen media-aanbod te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar; c. c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; d. d. een beschrijving van de samenwerking met landelijke en lokale publieke media-instellingen en anderen; en e. e. een toelichting op voorgenomen investeringen, leningen of onttrekkingen van reserves.

Paragraaf 2.2.1b. Concessiebeleidsplan RPO

Artikel 9c

De RPO dient het concessiebeleidsplan RPO in vóór 1 april van het laatste jaar waarop het lopende concessiebeleidsplan RPO betrekking heeft.

Paragraaf 2.2.2. Reclame- en telewinkelboodschappen

Artikel 10

1. Lokale en regionale publieke media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, voeren een behoorlijke boekhouding.

2.

De boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en opbrengsten, verdeeld naar:

a. a. de kosten en opbrengsten van de exploitatie van reclame- en telewinkelboodschappen; b. b. de kosten en opbrengsten van ander media-aanbod; en c. c. de kosten en opbrengsten van alle andere activiteiten.

Artikel 11

1. Lokale media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het Commissariaat.

2. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de getrouwheid ervan.

3. Het Commissariaat kan voor bepaalde categorieën lokale media-instellingen vrijstelling verlenen van het tweede lid.

Afdeling 2.3. Nadere voorschriften publieke mediadiensten

Artikel 11a

1. De NPO en de publieke media-instellingen melden een experimentele nevenactiviteit als bedoeld in artikel 2.132, vierde lid, van de wet voorafgaand aan de start daarvan bij het Commissariaat.

2. De melding geschiedt op een door het Commissariaat vast te stellen wijze.

3.

De melding bevat in elk geval:

a. a. een precieze beschrijving van de nevenactiviteit; b. b. de doelstellingen van de nevenactiviteit; c. c. een onderbouwing van de wijze waarop de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling; d. d. de wijze waarop de nevenactiviteit wordt gefinancierd, met een onderbouwing van de marktconformiteit en kostendekkendheid; e. e. de naam, vestigingsplaats, contactgegevens, alsmede de aard en omvang van de (bedrijfs)activiteiten van de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt; f. f. een onderbouwing van de keuze voor de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt en de wijze waarop die keuze wordt herbeoordeeld; en g. g. een beschrijving van de wijze waarop de nevenactiviteit wordt geëvalueerd.

Artikel 11b

1. Een experimentele nevenactiviteit is in duur beperkt tot een looptijd van ten hoogste een jaar.

2. Eenmalige verlenging met ten hoogste een jaar is mogelijk, mits de nevenactiviteit zonder substantiële wijzigingen wordt voortgezet en de verlenging voor afloop van de oorspronkelijke looptijd wordt gemeld bij het Commissariaat. Artikel 11a, eerste en tweede lid, is van toepassing.

3. Een nevenactiviteit die naar zijn aard nagenoeg identiek is aan een eerder bij wijze van experiment uitgevoerde nevenactiviteit kan niet opnieuw als experimentele nevenactiviteit verricht worden binnen een jaar na afloop van de eerder uitgevoerde nevenactiviteit.

Artikel 11c

Een experimentele nevenactiviteit is zodanig in omvang beperkt dat de totale inbreng van de NPO of een publieke media-instelling in de experimentele nevenactiviteit niet meer bedraagt dan 150.000 euro.

Artikel 11d

Als binnen de maximale looptijd van een experimentele nevenactiviteit voor die nevenactiviteit een aanvraag voor toestemming als bedoeld in artikel 2.132, eerste lid, van de wet bij het Commissariaat is ingediend, kan de desbetreffende nevenactiviteit worden voortgezet totdat het Commissariaat op de aanvraag heeft beslist.

Artikel 11e

1.

In de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, wordt een beschrijving gegeven van:

a. a. de experimentele nevenactiviteiten die door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen worden verricht; en b. b. de voorgenomen experimentele nevenactiviteiten in het komende kalenderjaar.

2. De NPO vermeldt in het verslag, bedoeld in artikel 2.58 van de wet, de uitgevoerde experimentele nevenactiviteiten in het afgelopen kalenderjaar.

3.

Regionale en lokale publieke media-instellingen geven in hun jaarlijkse begroting een beschrijving van:

a. a. de experimentele nevenactiviteiten die door de desbetreffende regionale of lokale media-instelling worden verricht; en b. b. de voorgenomen experimentele nevenactiviteiten in het komende kalenderjaar.

4. Regionale en lokale publieke media-instellingen vermelden in hun jaarverslagen de uitgevoerde experimentele nevenactiviteiten in het afgelopen kalenderjaar.

Artikel 12

1. De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten in twaalf maandelijkse termijnen. De raad van bestuur kan hiervan afwijken.

2. De raad van bestuur bepaalt de hoogte van de voorschotten mede op basis van de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, en zonodig een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling.

3. Indien de raad van bestuur hierom verzoekt, zenden de landelijke publieke media-instellingen voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar een liquiditeitsprognose ter kennisneming aan de raad van bestuur.

4. Het totaal aan voorschotten in enig jaar is niet hoger dan het voor dat jaar vastgestelde totale budget.

Artikel 12a

1. De regionale publieke media-instellingen ontvangen voorschotten in twaalf maandelijkse termijnen. Het Commissariaat kan hiervan afwijken.

2. Het Commissariaat bepaalt de hoogte van de voorschotten mede op basis van de begroting en zo nodig een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling.

3. De regionale publieke media-instellingen zenden voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar een liquiditeitsprognose ter kennisneming aan het Commissariaat.

4. Het totaal aan voorschotten in enig jaar is niet hoger dan het voor dat jaar vastgestelde totale budget van de desbetreffende regionale publieke media-instelling.

Artikel 13

Het moment, bedoeld in artikel 2.152 van de wet, is 1 januari 2014.

Artikel 13a

Vervallen

Artikel 14

De evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 2.185 van de wet, brengt vóór 1 augustus van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode rapport uit als bedoeld in artikel 2.187, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Paragraaf 3.1. Aanvraag toestemming

Artikel 15

De aanvraag voor toestemming, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet, gaat vergezeld van:

a. a. een exemplaar van de statuten van de aanvrager; b. b. een opgave van de feitelijke vestigingsplaats als deze afwijkt van de statutaire zetel; c. c. een aanduiding of de aanvraag voor toestemming betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep; en d. d. een overzicht van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager en een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders.

Artikel 16

Een commerciële media-instelling die een toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, heeft verkregen, dient de aanvraag voor een toestemming voor een aansluitende periode uiterlijk vijf maanden voor het einde van de lopende toestemmingsperiode in.

Paragraaf 3.2. Toezichtskosten

Artikel 17

Een commerciële media-instelling is voor elke verkregen toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag, bedoeld in artikel 3.29a van de wet, jaarlijks aan het Commissariaat toezichtskosten verschuldigd berekend volgens de bij deze regeling gevoegde bijlage.

Paragraaf 3.3. Informatieplicht investeringsverplichting

Artikel 17a

1. Ter uitvoering van artikel 3.29h, eerste lid, van de wet levert een media-instelling in ieder geval een controleverklaring aan door een externe accountant over de hoogte en samenstelling van de relevante omzet die verband houdt met alle door die media-instelling aangeboden commerciële mediadiensten op aanvraag in het betreffende boekjaar.

2. Het eerste lid is alleen van toepassing op een media-instelling die in het betreffende boekjaar ten minste één commerciële mediadienst op aanvraag aanbiedt met een relevante omzet van 10 miljoen euro of meer.

Hoofdstuk 4. Overheid; omroepdistributie

Artikel 18

1. De aanvraag voor aanwijzing van uren ten behoeve van overheidsvoorlichting, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van de wet, wordt ingediend in de maand september.

2. Het Commissariaat beslist uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 18a

1.

Als diensten als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, derde volzin, van de wet worden aangewezen:

a. a. ondertiteling van televisieprogrammas voor personen met een auditieve beperking; en b. b. gesproken ondertiteling bij televisieprogrammas voor personen met een visuele beperking.

2. Als in het kader van het programma-aanbod van een televisieprogrammakanaal signalen ten behoeve van de diensten, bedoeld in het eerste lid, worden aangeboden, geeft een pakketaanbieder als bedoeld in artikel 6.9a die signalen zodanig door dat deze diensten toegankelijk zijn voor de abonnees, bedoeld in artikel 6.9a.

3.

Het toegankelijk maken van de diensten, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats door middel van:

a. a. een set-top-box, een insteekmodule of rechtstreekse ontvangst op een televisietoestel, of b. b. een applicatie op een andere technische voorziening waaronder een computer of een mobiele telefoon.

4. In dit artikel wordt verstaan onder een set-top-box of insteekmodule een ontvanger voor gecodeerde digitale televisie die toegang geeft tot lineaire en non-lineaire televisie.

Hoofdstuk 4a. Commissariaat voor de Media

Artikel 18b

Het Commissariaat dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in.

Hoofdstuk 5. Stimuleringsfonds voor de pers

Paragraaf 5.1. Inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen

Artikel 19

Het percentage, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt nul. In afwijking van de eerste volzin wordt in het jaar 2009 ten hoogste vier procent van de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in 2008 uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers.

Paragraaf 5.2. Subsidieverstrekking

Artikel 20

1.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.11, 8.12, 8.14 respectievelijk 8.13 van de wet, wordt ingediend door de uitgever van een persorgaan respectievelijk de uitgevers van de betrokken persorganen gezamenlijk en bevat in ieder geval:

a. a. gegevens over de financiële positie van het persorgaan respectievelijk de persorganen; b. b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen; c. c. als een betrokken uitgever deel uit maakt van een groep, een omschrijving van de structuur van de groep en een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen tussen de uitgever en de andere vennootschappen van de groep; d. d. gegevens over oplage en verspreiding; en e. e. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 8.11, tweede lid, 8.12, tweede lid, dan wel 8.13, tweede lid, van de wet en voor wat betreft een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.14 van de wet, een voorstel voor opzet en uitvoering van het beoogde organisatieonderzoek.

2.

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.15 van de wet wordt ingediend door de voor het onderzoek verantwoordelijke natuurlijke persoon of personen, of de voor het onderzoek verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen en bevat in ieder geval:

a. a. als bij de aanvraag een of meerdere persorganen zijn betrokken, de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d; en b. b. een voorstel voor opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek en een voorstel voor de wijze van bekendmaking van de resultaten.

Artikel 21

1. Het Stimuleringsfonds bevestigt de ontvangst van een aanvraag.

2. Als bij de aanvraag gegevens als bedoeld in artikel 20 niet kunnen worden ingediend, blijkt uit de aanvraag waarom.

Artikel 22

1. Het Stimuleringsfonds beslist binnen dertien weken na ontvangst op een aanvraag.

2. Aanvragen worden op volgorde van ontvangst behandeld, tenzij het Stimuleringsfonds een andere wijze van vaststellen heeft vastgesteld. Als het voor een jaar beschikbare bedrag voor subsidies volledig is verleend, worden volgende aanvragen afgewezen.

3. Een besluit tot vaststelling van een andere wijze van behandeling wordt door het Stimuleringsfonds in de Staatscourant en op zijn website bekend gemaakt.

Artikel 23

Het Stimuleringsfonds kan aan de subsidie verplichtingen verbinden met betrekking tot:

a. a. de besteding van de subsidie overeenkomstig de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen; b. b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd; c. c. verslaglegging over de activiteiten en de financiële verantwoording daarvan; en d. d. wijzigingen in de financiële structuur van de aanvrager.

Artikel 24

Het Stimuleringsfonds kan voorschotten verstrekken tot ten hoogste vijftig procent van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 25

Het Stimuleringsfonds kan een subsidieverlening intrekken en verstrekte voorschotten terugvorderen als binnen een jaar na de subsidieverlening een surseance van betaling of een faillissement van de aanvrager is uitgesproken.

Artikel 25a

Het Stimuleringsfonds dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in.

Hoofdstuk 6. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 25b

Voor de toepassing van de aanvraagprocedure, bedoeld in artikel 2.170, eerste lid, van de wet, worden voor het jaar 2014 als voorschriften als bedoeld in artikel 2.170, vijfde lid, onderdelen b en c, van de wet aangemerkt de desbetreffende provinciale voorschriften.

Artikel 26

In afwijking van artikel 9c dient de RPO het concessiebeleidsplan RPO in 2017 in vóór 1 juli.

Artikel 26a

Het percentage, genoemd in artikel 29c, eerste lid, onder c, van het Mediabesluit 2008, wordt bijgesteld naar acht procent.

Artikel 27

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 28

Deze regeling wordt aangehaald als: Mediaregeling 2008.

Bijlage . behorende bij

Bijlage II. behorende bij

^1 Voor zover een organisatie vennootschapsbelasting begroot, wordt deze opgenomen in dit model.

^2 Opgave van begrote aanwezige bezetting, voor zover in dienst van de regionale publieke media-instelling.