40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
37 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013 | BWBR0032443 | ministeriele-regeling | geldend | 2013-07-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032443 | Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013 |
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a.
*Minister:* Minister van Economische Zaken;
b. b.
*regeling:*
Regeling LNV-subsidies;
c. c.
*verordening (EG) nr. 1234/2007:*
verordening (EG) Nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PbEG L 299).
d. d.
*Veenkoloniën:* gebied bestaand uit de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Emmen, Hoogezand-Sappemeer,Veendam, Pekela, Stadskanaal, Vlagtwedde, Bellingwedde.
Artikel 2
1. De subsidies, bedoeld in artikel 1:3, vijfde lid, van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in hoofdstuk 2 van dit besluit.
2.
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
– –
titel 1 en 2;
– –
titel 3, met uitzondering van de subsidie genoemd in paragraaf 1a.
Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw
Titel 1. Kennisverspreiding (praktijknetwerken)
Artikel 3
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
a. a. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen waarbij een meerderheid van de landbouwondernemingen buiten de Veenkoloniën gevestigd is; b. b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen waarbij een meerderheid van de landbouwondernemingen in de Veenkoloniën gevestigd is; c. c. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
2. Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indienen voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
3. Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indienen voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling die betrekking hebben op het verminderen van de uitstoot van ammoniak uit de landbouw door het treffen van stalmaatregelen, voer- en managementmaatregelen en maatregelen voor het uitrijden van dierlijke meststoffen die verder gaan dan hetgeen krachtens wettelijk voorschrift is voorgeschreven en die betrekking hebben op projecten met een duur van ten hoogste drie jaar.
4. Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid indienen in de periode van 1 maart 2013 tot en met 28 maart 2013.
5. Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid indienen in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 16 september 2013.
6. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling, kunnen samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, aanvragen tot subsidievaststelling indienen tot en met 15 juli 2015.
Artikel 4
1. De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
2. De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 55.000.
3. De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, 70% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 100.000 en ten hoogste € 250.000 bedraagt.
Artikel 5
1. Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt € 1.800.000.
2. Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 1.000.000.
3. Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, bedraagt € 1.000.000.
Artikel 6
1.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a. a. het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn; b. b. het project een meer duurzaam karakter heeft; c. c. de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project; d. d. de kennis en ervaring effectiever worden verspreid.
2. In aanvulling op het eerste lid, rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, hoger naarmate het project beter aansluit bij de agenda’s van de topsectoren Agri & Food onderscheidenlijk Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, en bij de thema’s en speerpunten van de initiatieven Duurzame zuivelketen, Verbond van Den Bosch en van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij.
3. In aanvulling op het eerste lid rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, hoger naarmate het project beter aansluit bij het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012–2020.
Artikel 7
Artikel 1:19, derde lid, van de regeling is van toepassing.
Titel 1a. Beroepsopleiding en voorlichting
Artikel 7a
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdelen a en b, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen en agro-MKB-ondernemingen.
2. Het bedrijfsconsult, bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, leidt tot een voorstel met daarin concrete maatregelen of aan te brengen voorzieningen om de uitstoot van ammoniak bij het uitvoeren van de werkzaamheden te verminderen.
3. Het volgen van een opleiding, training of voorlichtingsbijeenkomst, bedoeld in artikel 2:3, onderdeel b, van de regeling, leidt tot kennis of aan te brengen voorzieningen om de uitstoot van ammoniak bij het uitvoeren van de werkzaamheden te verminderen.
4. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 30 september 2013 tot en met 11 oktober 2013.
Artikel 7b
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, worden uitsluitend ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a. a. de implementatie van de regelgeving voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak; b. b. de aanpassingen in het bedrijfssysteem voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak; c. c. de financieringsmogelijkheden voor investeringen voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak; d. d. het verwerven van technische kennis en vaardigheden voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak.
Artikel 7c
Per landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming kan per activiteit slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Artikel 7d
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 7e
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, de opleiding, de training of de voorlichtingsbijeenkomst, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1.500 bedraagt.
Artikel 7f
Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.
Titel 2. Onderzoek en ontwikkeling (samenwerking bij innovatieprojecten)
Artikel 7g
1. In afwijking van artikel 2:27, eerste lid, van de regeling worden aanvragen tot het verlenen van een subsidie ingediend door een samenwerkingsverband van veehouderijen en agro-MKB-ondernemingen, die voor gezamenlijke rekening en risico een innovatieproject uitvoeren dat gericht is op het vaststellen van de vermindering van de uitstoot van ammoniak van nieuwe stalmaatregelen en nieuwe voer- en managementmaatregelen conform het protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013 van nieuwe stalsystemen of nieuwe voer- en managementmaatregelen.
2.
De maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. a. zij beschikken niet over een door het Rijk vastgestelde emissiefactor of reductiepercentage voor ammoniak op basis van metingen; b. b. de uitstoot van geur, fijn stof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5), lachgas, methaan en de aspecten dierenwelzijn, diergezondheid en arbeidsomstandigheden verslechteren als gevolg van de maatregelen niet ten opzichte van overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij; c. c. de stalmaatregelen verminderen de uitstoot van ammoniak met minimaal 25% ten opzichte van de maximale emissiewaarde, bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, of ten opzichte van de emissiefactor voor overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij; d. d. de voer- en managementmaatregelen verminderen de uitstoot van ammoniak met minimaal 10% ten opzichte van de emissiefactor voor overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij.
Artikel 7h
In afwijking van artikel 2:29, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling start het innovatieproject uiterlijk binnen drie maanden na de datum van subsidieverlening op de opgegeven bedrijfslocaties.
Artikel 7i
1. In afwijking van artikel 2:30 van de regeling wordt subsidie verstrekt voor de kosten die de aanvrager verschuldigd is aan de meetinstantie en de betrokken laboratoria.
2. Activiteiten die geheel of gedeeltelijk met andere rijksmiddelen zijn of worden gefinancierd komen niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 7j
In afwijking van artikel 2:31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, van de regeling bedraagt de subsidie ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Artikel 7k
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:31, eerste lid, van de regeling worden ingediend in de periode van 16 september 2013 tot en met 15 oktober 2013.
Artikel 7l
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 7m
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. € 500.000 voor innovatieprojecten met betrekking tot stalmaatregelen; b. b. € 500.000 voor innovatieprojecten met betrekking tot voer- en managementmaatregelen.
Artikel 8
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
a. a. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen waarbij een meerderheid van de deelnemers buiten de Veenkoloniën gevestigd is; b. b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen waarbij een meerderheid van de deelnemers in de Veenkoloniën gevestigd is.
2. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor innovatieprojecten die passen binnen één of meer van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
3. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2013 tot en met 28 februari 2013.
4. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling, kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
Artikel 9
Per samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag worden ingediend.
Artikel 10
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Artikel 11
1. Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bedraagt € 2.000.000.
2. Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 4.000.000.
Artikel 12
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2. In aanvulling op artikel 2:33 van de regeling rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, hoger naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft beter aansluit bij het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012–2020.
Titel 3. Bedrijfsmodernisering
Paragraaf 1. Marktintroductie energie-innovaties
Artikel 13
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, niet zijnde aardwarmteprojecten, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie subsidie ontvangen.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2013 tot en met 14 juni 2013.
Artikel 14
Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden ingediend.
Artikel 15
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Artikel 16
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedraagt € 3.500.000.
Artikel 17
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling, niet zijnde semi-gesloten teeltsystemen met een koelcapaciteit over het hele bedrijf gemeten van boven de 70 W/m^2, kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2013 tot en met 14 juni 2013.
Artikel 18
Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden ingediend.
Artikel 19
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m^2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.
Artikel 20
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, bedraagt € 5.500.000.
Artikel 21
In afwijking van artikel 13, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 122 van Verordening (EG) nr. 1234/2007, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 103 ter of 103 quater van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel 22
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 19 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel 23
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en 17, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energie-innovatie naar het oordeel van de commissie:
a. a. meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO_2-uitstoot; b. b. meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of c. c. gericht is op teelttechnische of economische inpasbare systemen die een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigen.
Paragraaf 1a. Investeringen in technieken ter vermindering van de uitstoot van fijn stof
Artikel 23a
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in een techniek ter vermindering van de uitstoot fijn stof eventueel in combinatie met een techniek ter vermindering van het aantal overschrijdingsdagen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt B, van de regeling.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2013 tot en met 15 mei 2013.
3. Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
4. Landbouwondernemingen die op grond van artikel 65a van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009, artikel 44a van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 of artikel 44 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011 subsidie hebben ontvangen, komen niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 23b
1.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, hoger gerangschikt naarmate:
a. a. de inrichting, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gelegen is in een gebied, waarvoor een gebiedsgerichte aanpak wordt opgesteld in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (3 punten); b. b. de vermindering van de uitstoot van fijn stof hoger is (30% tot 50% emissiereductie: 1 punt; meer dan 50% emissiereductie: 2 punten); c. c. de aanvrager in het bezit is van de vereiste omgevingsvergunning dan wel deze vergunning heeft aangevraagd (1 punt).
2. In geval van overschrijding van het subsidieplafond, worden aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid gelijk zijn gewaardeerd, door loting gerangschikt.
3. Wijziging van de subsidieverlening die betrekking hebben op een techniek, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling, wordt uitsluitend toegestaan voor zover de waardering, bedoeld in het eerste lid, gelijk of hoger is.
Artikel 23c
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 23d
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot 1 april 2016.
Artikel 23e
1. De subsidie bedraagt 55% van de subsidiabele kosten.
2. Ingeval de activiteit waar de aanvragen, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, betrekking op hebben tevens uit andere hoofde of anderszins op grond van de regeling wordt gesubsidieerd, wordt bij de vaststelling het subsidiebedrag zodanig verminderd dat het totaal van alle subsidies voor die activiteit niet hoger is dan 60% van de subsidiabele kosten.
Artikel 23f
Het subsidieplafond bedraagt € 10.000.000.
Artikel 23g
Artikel 1:20, vijfde lid, van de regeling is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 1b. Verdergaande verduurzaming land- en tuinbouw in het kader van nieuwe uitdagingen (POP NU)
Artikel 23h
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorieën 1 tot en met 7, van de regeling worden ingediend in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 16 september 2013.
2. Per landbouwonderneming, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B, van de regeling wordt maximaal één aanvraag per categorie ingediend met betrekking tot één of meerdere apparaten, installatie of machines, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling.
3.
Geen subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming aan welke subsidie is verstrekt:
a. a. in het jaar 2010, 2011 of 2012 op grond van bijlage 2, hoofdstuk 1, van de regeling; b. b. in het jaar 2010, 2011 of 2012 voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling; c. c. in het jaar 2012 op grond van hoofdstuk 2a, paragraaf 11, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Artikel 23i
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 23j
1. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
2. Per landbouwonderneming, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B, van de regeling kan in die periode maximaal één aanvraag per categorie worden ingediend.
Artikel 23k
1. De subsidie voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt 25% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie per categorie bedraagt ten minste € 5.000 en ten hoogste € 50.000.
3.
In afwijking van het tweede lid bedraagt een subsidie voor categorie 7, eerste lid, ten hoogste:
€ 187.500 voor onderdeel d;
€ 125.000 voor onderdeel e;
€ 150.000 voor onderdeel f;
€ 225.000 voor onderdeel h.
Artikel 23l
1. Het subsidieplafond voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt voor de categorieën 1 tot en met 5 € 2.225.000 per categorie.
2. Het subsidieplafond voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt voorcategorie 6 € 1.875.000.
3. Het subsidieplafond voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt voor categorie 7 € 2.225.000.
Paragraaf 1c. Duurzame stallen en houderijsystemen rond Natura 2000-gebieden
Artikel 23m
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de:
a. a. melkveehouderij; b. b. vleesveehouderij; c. c. schapenhouderij; d. d. geitenhouderij; e. e. varkenshouderij; f. f. kalverenhouderij; g. g. pluimveehouderij, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij of h. h. konijnenhouderij.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op varkens- en pluimveehouderijen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
3. De landbouwondernemingen, bedoeld in het eerste lid, zijn ten hoogste 3.000 meter verwijderd van een gebied als beschreven in bijlage 2 bij dit besluit.
4.
De investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in het eerste lid leidt tot een emissiewaarde van ten hoogste 75% ten opzichte van:
a. a. de maximale emissiewaarde voor de specifieke diercategorie, bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij of b. b. de emissiefactor voor overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij of, indien voor de desbetreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, in bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.
5. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 30 september 2013.
Artikel 23n
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 23m, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt:
a. a. indien de integraal duurzame stal of het houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert; b. b. naarmate de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft; c. c. naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en de kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn; d. d. naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en de kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, de diergezondheid of de arbeidsomstandigheden; e. e. naarmate de vermindering van de uitstoot van ammoniak hoger is; f. f. naarmate de landbouwonderneming al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot subsidieverlening.
3. Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het tweede lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en waarvoor geen subsidie kan worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel 23o
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.
Artikel 23p
1. Het subsidieplafond bedraagt € 8.000.000.
2. In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een subsidieplafond van € 198.550 voor aanvragers die gevestigd zijn in de provincie Gelderland.
Artikel 23q
1. Per inrichting als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan slechts één aanvraag worden ingediend.
2. Geen subsidie wordt verleend voor een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling indien voor dezelfde subsidiabele activiteit eerder op grond van artikel 29 van de Regeling GLB-Inkomenssteun 2006 subsidie is verleend.
Artikel 23r
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling, betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing, met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Paragraaf 1d. Investeringen in het afdekken van buitenuitlopen voor pluimvee
Artikel 23s
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in het afdekken van buitenuitlopen op pluimveebedrijven als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 8, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 8, punt B, van de regeling.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2013 tot en met 14 oktober 2013.
3. Per onderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Artikel 23t
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 23u
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten ten minste € 3.000 bedragen en de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Artikel 23v
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 23s bedraagt: € 1.000.000.
Paragraaf 2. Jonge landbouwers
Artikel 24
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 13 december 2013.
2. Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel 25
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
Artikel 26
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 27
Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.
Artikel 28
1. De subsidiabele kosten bedragen niet meer dan € 80.000.
2. De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten en ten minste € 5000 en ten hoogste € 20.000.
Titel 4. Garantstelling landbouw en aquacultuur
Artikel 29
1. Aanvragen voor garantstellingen als bedoeld in hoofdstuk 2, titel 12, paragraaf 1, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 27 december 2013.
2. Aanvragen voor garantstellingen als bedoeld in hoofdstuk 4, titel 4, paragraaf 4a, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2013 tot en met 27 december 2013.
Artikel 30
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. € 50.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:70, eerste lid en artikel 4:60a, eerste lid van de regeling; b. b. € 80.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:80, tweede lid en artikel 4:60d, eerste lid, onderdeel a van de regeling.
Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie
Titel 1. Nationale en grensoverschrijdende parken
Artikel 31
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 31 december 2013.
Artikel 32
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
a. a. de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.487.788,70; b. b. Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 250.000; c. c. Stichting Nationale Landschappen: € 50.000.
Titel 2. Behoud zeldzame landbouwhuisdierenrassen
Artikel 33
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 28 februari 2013.
Artikel 34
Het subsidieplafond bedraagt € 160.000.
Titel 3. Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel 34a
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, onderdeel a, van de regeling in de periode van 1 april 2013 tot en met 15 mei 2013.
Artikel 34b
Het subsidieplafond bedraagt € 75.000.
Titel 4. Biodiversiteit en bedrijfsleven
Artikel 34c
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:67 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2013 tot en met 3 september 2013, 12.00 uur.
Artikel 34d
1. Het subsidieplafond voor projecten a bedraagt € 2.400.000.
2. Het subsidieplafond voor projecten b bedraagt € 1.600.000.
Titel 5. Groen en Doen: vrijwilligersprojecten op het gebied van natuur- en landschapsbeheer
Artikel 34e
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 3:79 van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 november 2013.
Artikel 34f
Het subsidieplafond bedraagt € 750.000.
Hoofdstuk 3a. Visserij
Titel 1. Collectieve acties aanlandplicht
Artikel 34e*
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:26a, eerste lid, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 2 december 2013.
Artikel 34f*
Het subsidieplafond bedraagt € 4.500.000.
Artikel 34g
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.
Artikel 34h
In afwijking van artikel 4:24, eerste lid, van de regeling, voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
Artikel 34i
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, van de regeling, komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Titel 2. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden
Artikel 34j
1. Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:33c, eerste lid, van de regeling, kunnen voor de visserijgebieden opgenomen in bijlage 5, onderdeel A, van de regeling worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2013.
2.
Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:
a. a.
bijlage 5, onderdeel A, onder 1 (Flevoland), van de regeling: € 860.000;
b. b.
bijlage 5, onderdeel A, onder 2 (Groningen), van de regeling: € 820.000;
c. c.
bijlage 5, onderdeel A, onder 3 (Noord-Holland), van de regeling: € 720.000;
d. d.
bijlage 5, onderdeel A, onder 4 (Zeeland), van de regeling: € 720.000;
e. e.
bijlage 5, onderdeel A, onder 5 (Zuid-Holland), van de regeling: € 872.000;
f. f.
bijlage 5, onderdeel A, onder 6 (Fryslan), van de regeling: € 400.000.
3. Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel 34k
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 34j met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Artikel 34l
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van de gemaakte en betaalde kosten.
Artikel 34m
In afwijking van artikel 4:33f, eerste lid, van de regeling, voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
Artikel 34n
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, van de regeling, komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen en slotbepalingen
Artikel 35
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing , naar rato verhoogd:
a. a. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en artikel 11, tweede lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; b. b. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; c. c. de subsidieplafonds, bedoeld in artikelen 16 en 20 met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; d. d. de subsidieplafonds, bedoeld in onderdeel c, en in artikel 23l, derde lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; e. e. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 23l, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; f. f. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 7m, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds.
Artikel 36
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 6, 12 en 23 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
Artikel 37
Als rekenmodel bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling (Marktintroductie energie-innovaties) wordt vastgesteld de bij dit besluit horende bijlage.
Artikel 38
Wijzigt de Regeling LNV-subsidies.
Artikel 39
1. Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012 wordt ingetrokken.
2. De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013.