rijk/ministeriele-regeling/papi-regeling/BWBR0009382/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

11 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Papi-regeling BWBR0009382 ministeriele-regeling geldend 1998-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009382 Papi-regeling

Papi-regeling

Paragraaf . Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf . Algemeen

Artikel 2

1. Een Papi voldoet aan de in de volgende artikelen gestelde eisen en wordt geplaatst op de wijze, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlagen A en B.

2. Indien een Papi wordt geplaatst bij een landingsbaan die niet is voorzien van naderingslichten, wordt deze Papi zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van de baan geplaatst.

Paragraaf . Algemene omschrijving van het systeem

Artikel 3

1.

De overgang van rood naar wit licht in de uitgestraalde lichtbundel is voor alle vier lichteenheden verschillend. Deze lichteenheden zijn zodanig ingesteld, dat de bestuurder van een naderend vliegtuig, ten opzichte van de gebruikelijke dalingshoek van drie graden, de lichteenheden als volgt ziet:

a. a. indien veel te hoog ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van meer dan 3°30), vier lichteenheden wit; b. b. indien enigszins hoger dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 3°10 tot 3°30), de lichteenheid het dichtst bij de baan rood, de overige drie wit; c. c. indien de 3° dalingshoek wordt aangehouden (een dalingshoek van 2°50 tot 3°10), twee lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de overige twee wit; d. d. indien enigszins lager dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 2°50 tot 2°30), drie lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de vierde wit; e. e. indien te laag ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van minder dan 2°30), vier lichteenheden rood.

Paragraaf . Plaats van lichteenheden

Artikel 4

1. De afstand tot de rand van de verharding, zijnde de baan met inbegrip van eventueel aanwezige schouders, en de onderlinge afstand van de lichteenheden zijn in overeenstemming met de afstanden, bedoeld in bijlage A.

2. De lichteenheden zijn geplaatst in één horizontaal vlak op een hoogte gelijk aan de hoogte van de hartlijn van de baan ter plaatse van de Papi.

3. De maximaal toelaatbare hoogte van de lichteenheden boven het maaiveld bedraagt 0,90 meter. Er steken geen hindernissen boven de lichteenheden uit, noch worden de lichteenheden door hindernissen of door gewas afgeschermd.

4. Teneinde voldoende stabiliteit van de afzonderlijke lichteenheden te kunnen garanderen, worden deze gemonteerd op een fundering. Deze fundering is zodanig onder het maaiveld aangebracht, dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan een luchtvaartuig kan toebrengen.

5. De afstand P (in meters), bedoeld in bijlage A, geeft de afstand weer tussen de baandrempel en de positie van de Papi. Deze afstand P wordt zodanig bepaald, dat alle vliegtuigen, die naderen volgens een dalingshoek waarbij nog juist de indicatie van de 3° dalingshoek wordt verkregen, een voldoende veilige afstand tussen de onderzijde landingsgestel en de baandrempel wordt verkregen. Voorwaarde hierbij is, dat ten opzichte van N.A.P. de hoogte van de baandrempel gelijk is aan de hoogte van de hartlijn van de baan op de berekende positie van de Papi. Zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, zal de bestuurder van een vliegtuig, wanneer een dalingshoek van 3° wordt aangehouden, zich tussen een dalingshoek van 2°50 en 3°10 bevinden. Hierbij bedraagt de minimumwaarde van de dalingshoek waarbij nog juist twee rode en twee witte lichteenheden worden waargenomen 2°50. De overgang van rood naar wit licht is zodanig, dat een overgangszone van 2 ontstaat. Voor de berekeningen van P wordt derhalve een minimumwaarde van 2°48 aangehouden.

6.

Indien, ten opzichte van N.A.P., verschil in hoogte bestaat tussen die van de baandrempel en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P van de Papi, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, genoemd in het derde lid, dan wordt deze afstand P als volgt gecorrigeerd:

P_1= P± H_1 cot. 2°48;

P_1= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende positie van de Papi (P);

H_1= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen baandrempel en de hartlijn van de baan op de afstand P.

De afstand P_1 zal vergeleken met de afstand P:

groter zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel groter is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P,

kleiner zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P.

7.

Uitgaande van het gestelde in het vijfde dan wel het zesde lid, wordt, indien ten gevolge van terreinomstandigheden verschil bestaat tussen de hoogte ten opzichte van N.A.P. van het horizontale vlak door de lichteenheden en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P of P1, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, bedoeld in het derde lid, deze afstand bovendien nog als volgt gecorrigeerd:

P_3= P(P_1)± H_2 cot. 2°48;

P_2= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende afstand P of in de in het zesde lid gecorrigeerde afstand P_1 van de te plaatsen lichteenheden;

H_2= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen het terrein ter plaatse van de lichteenheden en de hartlijn van de baan op afstand P(P_1).

De afstand P_2 zal vergeleken met de afstand P (P_1):

groter zijn indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het vlak door de lichteenheden kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P(P_1);

kleiner zijn, indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het terrein ter plaatse van de lichteenheden groter is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P(_1).

8. Onverminderd het gestelde in het vijfde, zesde en zevende lid, is de keuze van de plaats voor het installeren van de Papi zodanig, dat bestuurders van alle vliegtuigen die gebruik maken van de Papi, bij het waarnemen van drie rode en een witte lichteenheid met een veilige marge vrij blijven van alle hindernissen in het naderingsgebied.

9. Wordt een Papi zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van een baan geïnstalleerd, dan wordt deze installatie zodanig uitgevoerd, dat de bestuurder van een naderend vliegtuig beide Papis in één lijn loodrecht op de hartlijn van deze banen bij elke dalingshoek als een volledig symmetrisch patroon van lichteenheden waarneemt.

Paragraaf . Lichttechnische eigenschappen

Artikel 5

De lichttechnische eigenschappen van de lichteenheden voldoen aan de eisen, bedoeld in bijlage 14 van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.

Paragraaf . Hoekinstelling van de lichteenheden

Artikel 6

Uitgaande van een dalingshoek van 3° is de hoekinstelling van de lichteenheden in het verticale vlak uitgevoerd als bedoeld in bijlage B.

Paragraaf . Bediening

Artikel 7

De lichtsterkte van de lichteenheden is in twee trappen van 3% en 100% regelbaar. Het gebruik is geregeld in de desbetreffende richtlijnen voor lichtsterkteregeling.

Paragraaf . Kleur

Artikel 8

De kleur van het door de lichteenheden uitgestraalde licht voldoet aan het gestelde in de appendix van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.

Paragraaf . Constructieve eigenschappen

Artikel 9

1. De lichteenheden zijn van zodanige constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan een luchtvaartuig toebrengen.

2. De lichteenheden zijn zodanig uitgevoerd dat onder meer condens, sneeuw, ijs, stof of vuil, dat zich op het optisch systeem mocht afzetten, de lichtuitstraling zo weinig mogelijk zal verstoren en geen invloed zal hebben op de overgang tussen rood en wit licht en de hiermee samenhangende hoekinstelling van de lichteenheden.

3. Lichteenheden, niet voorzien van enige vorm van verwarming, worden vóór gebruik enige tijd op 100% intensiteit ingeschakeld teneinde het doen verdwijnen van condens, ijs of sneeuw op het optisch systeem te bevorderen.

4. De hoekinstelling van de lichteenheden kan op eenvoudige wijze geschieden.

Paragraaf . Elektrische uitvoering

Artikel 10

1. De lichteenheden van de Papi worden in serie geschakeld en elektrisch gevoed door één constant-stroomapparaat, regelbaar in twee trappen (3% en 100% lichtintensiteit). Elke lamp van de lichteenheid is voorzien van een stroomtransformator.

2.

Bij het toepassen van een Papi zowel aan de linker- als aan de rechterzijde van de baan kunnen de lichteenheden naar keuze als volgt geschakeld en gevoed worden:

alle lichteenheden in serie door

  • één constant-stroomapparaat
  • zowel voor de Papi ter linkerzijde als voor die ter rechterzijde een afzonderlijk constant-stroomapparaat waarop de desbetreffende lichteenheden in serie zijn geschakeld. In dit geval wordt een bijzondere schakeling toegepast waardoor, indien een storing optreedt in het constant-stroomapparaat van de Papi ter linkerzijde, ook die ter rechterzijde automatisch wordt uitgeschakeld.

3. Storingen in de elektrische voeding worden op de plaats van bediening van de lichtsterkteregeling onmiddellijk gesignaleerd.

Paragraaf . Uitvoeringsbepalingen

Artikel 11

1.

De exploitant van een luchtvaartterrein overlegt ter uitvoering van artikel 119 van de Regeling Toezicht Luchtvaart gegevens betreffende het plaatsen van een Papi. Deze gegevens bevatten ten minste:

a. a. de hoogte ten opzichte van N.A.P. van de drempel van de baan; b. b. de hoogte ten opzichte van N.A.P. van de hartlijn van de baan ter plaatse van de Papi; c. c. de hoogte ten opzichte van N.A.P. van het maaiveld ter plaatse van de lichteenheden; d. d. de hoogte ten opzichte van het maaiveld van de afzonderlijke lichteenheden; e. e. de wijze van berekenen van de afstand P, P_1 of P_2; f. f. specificaties met betrekking tot de lichttechnische eigenschappen en de kleur van de lichteenheden, de elektrische voeding en de bediening.

2. Het plaatsen van een Papi behoeft de instemming van Onze Minister.

Artikel 12

Indien plaatselijke omstandigheden een aanpassing of aanvulling van de opstelling van een Papi, bedoeld in artikel 4, nodig of wenselijk maakt, worden voorstellen hiertoe tijdig aan Onze Minister ter instemming voorgelegd.

Artikel 13

De PAPI-beschikking wordt ingetrokken.

Paragraaf

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Paragraaf . Titel

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Papi-regeling.

Bijlage A

[afbeelding]

Bijlage B

[afbeelding]