rijk/ministeriele-regeling/regeling-beleggen-lenen-en-derivaten-ocw-2016/BWBR0038059/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

15 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016 BWBR0038059 ministeriele-regeling geldend 2016-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0038059 Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016

Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016

Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • achtergestelde spaarrekeningen of depositos: spaarrekeningen of depositos die in geval van faillissement de terugbetaling pas plaatsvindt nadat de andere schuldeisers hun geld hebben ontvangen;
  • beleggingen: uitzettingen van middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van financiële derivaten;
  • externe toezichthouder: de Inspectie van het Onderwijs;
  • financiële derivaten: financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van de waarde van de onderliggende lening;
  • financiële onderneming: een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen;
  • instellingen: door de minister bekostigde onderwijsaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van de onderwijsaanbieders, bedoeld in de artikelen 2.66 en 3.27 van die wet, artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 1.8 en artikel 2.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en niet aangewezen op grond van artikel 45, eerste of derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001;
  • interne toezichthouder: toezicht als bedoeld in de artikelen 17b en 17c van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 3.1 en 3.3 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 28h en 28i van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 9.8, 9.9 en 10.3d van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • jaarverslaggeving: het geheel van verslagleggingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk wetboek, zoals dit in de onderwijssector van toepassing is verklaard op grond van de Regeling jaarverslaglegging onderwijs;
  • kasstroomprognose: liquiditeitsplanning voor de korte termijn en de financieringsplanning voor de lange termijn;
  • lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die beschikt over minimaal een AA (flat) rating, afgegeven door ten minste twee van de volgende ratingsbureaus Moodys, Standard and Poors, Fitch en DBRS;
  • margin call: het storten van een zekerheid om een uitstaande positie af te dekken;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • niet-publieke middelen: alle financiële middelen waarover de instelling beschikt die niet afkomstig zijn uit s Rijks kas en niet vallen onder de definitie van publieke middelen;
  • payer swap: renteswap waarbij de betaler een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt;
  • publieke middelen: middelen verkregen ten laste van de rijksbegroting of anderszins uit hoofde van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen verkregen middelen, alsmede de opbrengsten daarvan, waarover een instelling de beschikking heeft gekregen om de wettelijke taak te verrichten;
  • rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land;
  • rentecap: financieel derivaat waarbij een leningnemer tegen betaling van een geldsom gedurende een overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;
  • renteswap: financieel derivaat om renterisicos te beheersen of af te dekken;
  • solvabiliteitsratio: het in een lidstaat voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen van een financiële onderneming tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activa;
  • waardepapieren: documenten met een geldwaarde, zoals een bewijs van een aandeel of obligatie of een derivaat.

Paragraaf 2. Algemene uitgangspunten

Artikel 2

Het financiële beleid en het beheer van de instellingen is dienstbaar aan het realiseren van de publieke doelstellingen, en is daartoe op transparante wijze gericht op financiële continuïteit.

Artikel 3

1.

De instelling die geld belegt of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten, heeft in een treasurystatuut in ieder geval de volgende zaken geregeld:

a. a. de hoofdlijnen van de op het beleggen en lenen betrekking hebbende administratieve organisatie en het interne toezicht, waaronder in ieder geval de verdeling van taken en bevoegdheden, b. b. de voor de instelling toegestane beleggings- en leningsvormen, c. c. de bijbehorende informatievoorziening minimaal bestaande uit een kasstroomprognose over 5 jaar en de verantwoordingsinformatie, en d. d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen publieke middelen en overige middelen enerzijds en niet-publieke middelen anderzijds.

Indien een instelling in het hoger onderwijs zich wil laten aanmerken als professionele belegger, dient dit ook in het treasurystatuut te zijn vastgelegd.

2.

Daarnaast heeft de instelling die financiële derivaten gebruikt haar interne organisatie op adequate wijze ingericht. In elk geval is geregeld:

a. a. de wijze waarop en de mate waarin het gebruik van financiële derivaten bijdraagt aan het beperken van renterisicos bij het financiële beleid en beheer, b. b. de interne organisatiestructuur is op orde inzake aanschaf en gebruik van financiële derivaten, waaronder in elk geval regels zijn opgesteld inzake bevoegdheden en mandatering, interne controle, interne verantwoording, rol en betrokkenheid van de externe accountant, en rol en betrokkenheid van de interne toezichthouder, c. c. voldoende interne professionaliteit inzake financiële derivaten is gewaarborgd, ook bij de interne toezichthouder, d. d. de beheersingsstructuur rond de risicos van financiële derivaten, is onder meer gericht op de marktwaarde, de omvang en de samenstelling van de derivatenportefeuille en de monitoring van de marktwaarde en de (eventuele) liquiditeitsbuffer in relatie tot het liquiditeitsrisico.

3. De interne toezichthouder toetst of het tweede lid onderdeel uitmaakt van de eisen die het bestuur aan de interne organisatie van de instelling stelt.

Artikel 4

1.

Derivaten of beleggingen worden alleen aangetrokken dan wel uitgezet bij financiële ondernemingen als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, en die:

a. a. gevestigd zijn in een lidstaat; b. b. minstens een single A-rating hebben, afgegeven door ten minste twee van de vier ratingsbureaus Moodys, Standard and Poors, Fitch en DBRS.

2. Beleggingen, leningen en derivaten met publieke middelen worden alleen aangetrokken in euros.

Artikel 5

1. De instelling die geld belegt, of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten verzoekt de financiële onderneming zich te laten aanmerken als niet-professionele belegger.

2.

Een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een instelling voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek kan, op basis van zijn kennis met betrekking tot het aangaan van beleggingen, leningen en derivaten, bij de bank verzoeken zich te laten aanmerken als professionele belegger, indien de instelling aan de volgende drie voorwaarden heeft voldaan. De instelling heeft:

a. a. een balanstotaal van ten minste € 20 miljoen op jaarbasis; b. b. een netto-omzet van ten minste € 40 miljoen op jaarbasis; en c. c. een eigen vermogen van ten minste € 2 miljoen.

3. Indien een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een universiteit zich als professionele belegger wil laten aanmerken, stemt de instelling deze keuze af met de interne toezichthouder en wordt dit in het treasurystatuut opgenomen. Tevens wordt deze keuze aan de externe toezichthouder gemeld.

4. Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, sluit bij het afsluiten van een financieel derivaat met de financiële onderneming een raamovereenkomst als opgenomen in bijlage I af.

5. Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, is bij het aangaan van derivatenovereenkomsten gebonden aan de modelovereenkomst die is opgenomen in bijlage II.

Paragraaf 3. Specifieke regels

Artikel 6

1. Middelen van instellingen die tijdelijk overtollig zijn kunnen in een belegging worden uitgezet.

2. De periode van het beleggen door instellingen is eindig en de belegging wordt op een vooraf vastgestelde einddatum terugontvangen.

3. De hoofdsom van de belegging wordt door de financiële onderneming, bedoeld in artikel 4 gegarandeerd. In geval van koerswijzigingen op de belegging kan hier, met instemming van de interne toezichthouder, van af worden geweken.

4. Instellingen mogen beleggen in staatsobligaties van lidstaten, mits deze lidstaten aan de ratingeisen, genoemd in artikel 4, eerste lid, voldoen.

5.

Instellingen beleggen niet in:

a. a. achtergestelde spaarrekeningen en achtergestelde depositos; b. b. aandelen of vergelijkbare producten, tenzij deze van toepassing zijn voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling.

6. Beleggingen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 7

1. Een instelling kan middels leningen additionele financiële middelen aantrekken.

2. Instellingen geven geen leningen uit aan derden, noch aan personeel, noch aan andere instellingen of organisaties, tenzij deze lening van toepassing is voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling en binnen het doel van de organisatie past.

3. Bij het aangaan van leningen gaat de instelling geen extra risicos aan die het voortbestaan van de instelling of het geven van onderwijs kunnen bedreigen.

4. Instellingen kunnen lenen bij financiële ondernemingen, overheden, organisaties of fondsen, waarbij de risicos beperkt zijn. De risicos zijn beperkt indien deze financiële ondernemingen, overheden, organisaties of fondsen voldoende vermogend zijn, niet een hoger rentetarief in rekening brengen dan in de markt gangbaar is en hierbij geen aanvullende financiële of niet-financiële eisen stellen.

5. Leningen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 8

1. Een instelling maakt alleen gebruik van financiële derivaten voor het beperken van opwaartse renterisicos bij leningen.

2. Een instelling hanteert uitsluitend rentecaps of payer swaps.

3. Derivaten worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder voorgelegd.

4.

Een instelling die een financieel derivaat afsluiten, neemt in ieder geval de volgende contractuele voorwaarden in acht:

a. a. er worden geen clausules opgenomen die op enigerlei wijze de uitvoering van het toezicht op de instelling belemmeren; b. b. er worden geen additionele eenzijdige opzeggingsmogelijkheden of andere beperkende voorwaarden vanuit de financiële onderneming opgenomen; c. c. er worden geen derivaten met margin calls afgesloten.

Artikel 9

1. Een derivaat wordt pas aangetrokken vanaf het moment dat de lening is afgesloten.

2. De nominale waarde van het derivaat is niet groter dan de onderliggende lening.

3. De looptijd van het derivaat is niet langer dan de onderliggende lening, met een maximum van 30 jaar.

4. Indien de looptijd van het derivaat langer is dan 15 jaar, wordt dit gemotiveerd in het treasurystatuut.

5. Bij het ontstaan van een niet-effectieve positie neemt de instelling direct contact op met zowel de interne als de externe toezichthouder.

Paragraaf 4. Verantwoording en toezicht

Artikel 10

De instelling doet ieder jaar in de jaarverslaglegging ten aanzien van de publieke middelen verslag van haar beleid ten aanzien van de beleggingen en leningen, de uitvoering van het beleid in de praktijk, de uitstaande beleggingen en leningen, de aangetrokken leningen en afgesloten derivatenovereenkomsten. Hierbij wordt:

a. a. een vergelijking gemaakt met de gegevens van het voorgaande jaar; b. b. van elke belegging jaarlijks gemeld op welk moment de belegging vrij valt; c. c. verantwoording afgelegd over het gebruik van derivaten, conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs; d. d. een rapportage over het treasurystatuut opgenomen, waarin tenminste verslag gedaan over:

      1°.
      het beleid en de uitvoering ten aanzien van beleggen, lenen en derivaten;
    
    
      2°.
      de soorten en omvang van de beleggingen, leningen en derivaten;
    
    
      3°.
      de looptijden van de beleggingen, leningen en derivaten.

1°. 1°. het beleid en de uitvoering ten aanzien van beleggen, lenen en derivaten; 2°. 2°. de soorten en omvang van de beleggingen, leningen en derivaten; 3°. 3°. de looptijden van de beleggingen, leningen en derivaten.

Artikel 11

1. De externe toezichthouder kan toetsen de instelling voldoet aan de eisen met betrekking tot de interne organisatie van de instelling, zoals bedoeld in artikel 3 van deze regeling.

2. De externe toezichthouder beoordeelt minimaal eenmaal per jaar, mede op basis van in ieder geval de informatie van de accountant, of een instelling zich in voldoende mate houdt aan de regelgeving inzake derivatentransacties en neemt ter zake gepaste actie bij tekortkomingen of risicos.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 12

1. De Regeling belenen en beleggen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010, zoals deze luidde op 30 juni 2016, blijft van toepassing op beleggingen, leningen en financiële derivaten die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten.

2. Instellingen die op 1 juli 2016 een belegging, lening of financieel derivaat hebben en op die datum nog geen treasurystatuut hebben, stellen voor 1 oktober 2016 een treasurystatuut op.

Artikel 13

De Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 13a

Deze regeling berust mede op artikel 115, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 113, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 5.43 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 2.2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016.

Bijlage I. behorende bij

Bijlage II. behorende bij