40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
348 lines
24 KiB
Markdown
348 lines
24 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Regeling boorduitrusting
|
||
bwb_id: BWBR0012538
|
||
type: ministeriele-regeling
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2014-12-09'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012538
|
||
citeertitel: Regeling boorduitrusting
|
||
---
|
||
|
||
# Regeling boorduitrusting
|
||
|
||
### Paragraaf . Begripsbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||
|
||
### Artikel 1a
|
||
|
||
Deze regeling berust op de artikelen 6, 15, 23, eerste lid, en 24 van het Besluit luchtverkeer 2014.
|
||
|
||
### Paragraaf . Communicatie- en navigatieapparatuur
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig voor zover het betreft:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een vliegtuig met turbine motoren met een maximaal toegelaten startmassa boven 15.000 kg of met een goedgekeurde configuratie voor meer dan 30 zitplaatsen voor passagiers, of
|
||
b. b.
|
||
een vliegtuig met turbine motoren met een maximaal toegelaten startmassa boven 5700 kg of met een goedgekeurde configuratie voor meer dan 19 zitplaatsen voor passagiers met ingang van 1 januari 2005, uitgerust met een Airborne Collision Avoidance System van de tweede generatie (ACAS II), dat voldoet aan de eisen gesteld in bijlage 10, boek IV, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
|
||
|
||
**2.** Het eerste lid is voor een in dat lid bedoeld luchtvaartuig niet van toepassing indien de Eurocontrol-organisatie met betrekking tot dat luchtvaartuig een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. De verklaring wordt meegevoerd tijdens de vlucht.
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een VHF-zend/ontvangstinstallatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012;
|
||
b. b.
|
||
radioapparatuur met 8,33 kHz-kanaalafstand, indien de vlucht wordt uitgevoerd in gebieden waar een omzetting naar 8,33 kHz-kanaalafstand heeft plaatsgevonden;
|
||
c. c.
|
||
navigatieboordapparatuur waarmee de vlucht kan worden uitgevoerd volgens het operationeel vliegplan waarbij gebruik gemaakt wordt van luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld door de Minister, die voldoet aan de eisen gesteld in bijlage 10, boek I (Radio Navigation Aids), van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;
|
||
d. d.
|
||
een SSR-transponder met mode S/ELS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, en
|
||
e. e.
|
||
een SSR transponder met Mode S/EHS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor het uitvoeren van vluchten als GAT op vliegniveau 245 of hoger, met een luchtvaartuig met een maximum toegelaten startmassa boven 5700 kg, of een maximum ware luchtsnelheid tijdens de kruisvlucht van meer dan 250 knopen.
|
||
|
||
**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 9, eerste tot en met het elfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1079/2012, van toepassing op staatsluchtvaartuigen.
|
||
|
||
**3.** Het eerste lid, onderdelen c, d en e, zijn niet van toepassing op staatsluchtvaartuigen, indien deze beschikken over een systeem met een gelijkwaardig veiligheidsniveau als de in die onderdelen genoemde systemen.
|
||
|
||
**4.** Voor het volgen van een luchtverkeersroute op vliegniveau 100 en hoger is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV luchtverkeersroutes te vliegen met een afwijking van ten hoogste 5 zeemijlen tijdens ten minste 95% van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van JAA Advisory Circular Joint 20X4 ‘Airworthiness Approval and Operational Criteria for the use of Navigation Systems in European Airspace Designated for Basic RNAV Operations’.
|
||
|
||
**5.** Voor het naderen en vertrekken van de luchthaven Schiphol of de luchthaven Lelystad is een luchtvaartuig, niet zijnde een helikopter of een staatsluchtvaartuig, dat navigeert op basis van instrumenten uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV naderings- en vertrekroutes in het naderingsgebied van Schiphol, en de naderingsgebieden van Lelystad te vliegen met een afwijking van ten hoogste één zeemijl tijdens ten minste 95 procent van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van de eisen ten aanzien van RNAV 1, zoals opgenomen in Certification Specification CS-ACNS Issue 2 van EASA’ van de Joint Aviation Authorities of vergelijkbaar en gecertificeerd is door de nationale bevoegde autoriteit.
|
||
|
||
### Artikel 3a
|
||
|
||
**1.** Voor het uitvoeren van een VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met een VHF-zend/ontvanginstallatie waarmee wordt voldaan aan artikel 5, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012.
|
||
|
||
**2.** Onverminderd het eerste lid, is voor het uitvoeren van een VFR-vlucht met een staatsluchtvaartuig in het vluchtinformatiegebied Amsterdam artikel 9, eerste tot en met het elfde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012 van toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 3b
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Onverminderd deel 14 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012, zijn op de radiotelefonische berichtenwisseling tussen de Nederlandse luchtverkeersdiensten en burgerluchtvaartuigen bovendien van toepassing:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de normen, aanbevelingen en procedures van Bijlage 10 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, (Trb. 1973, 109). 'Aeronautical Telecommunications', deel II, hoofdstuk V 'Aeronautical Mobile Service';
|
||
b. b.
|
||
gebruikmaking, voor zover van toepassing, van het standaardradiotelefonie 'woordgebruik' vermeld in ICAO-Document 4444 (Procedures for Air Navigation Services – Air Traffic Management), hoofdstuk 12.
|
||
|
||
**2.** Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, wordt in het vluchtinformatiegebied Amsterdam boven vliegniveau 245 bij de verandering van vliegniveaus in de Engelse taal het woord ‘TO’ niet gebruikt.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht, een gecontroleerde VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam of een VFR-vlucht in de NSA Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met telecommunicatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met navigatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
|
||
|
||
### Artikel 5a
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-kruisvlucht in de NSA Amsterdam van en naar mijnbouwinstallaties op de Noordzee waarbij een helikopter ten behoeve van navigatie gebruik maakt van GNSS, is de helikopter uitgerust met GNSS apparatuur die voldoet aan eisen gebaseerd op EASA AMC20-4.
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het RVSM-luchtruim in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met navigatie-apparatuur die voldoet aan de eisen gesteld in JAA temporary guidance leaflet no 6, revision 1, blijkende uit een goedkeuring van het luchtvaartuig voor het gebruik er van in het RVSM luchtruim.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
**1.** Voor het uitvoeren van een VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, behalve in gebieden met de classificatie G beneden 1200 voet AMSL buiten de NSA Amsterdam, is een luchtvaartuig uitgerust met een SSR-transponder met mode S/ELS, die voldoet aan de eisen bedoeld in bijlage 10, Boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
|
||
|
||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een zweefvliegtuig, zeilvliegtuig, schermvliegtuig, ballon of paramotortrike tenzij een zweefvliegtuig, zeilvliegtuig, schermvliegtuig, ballon of paramotortrike zich bevindt in de door de Minister in overeenstemming met de Minister van Defensie voor transpondergebruik aangewezen luchtverkeersgebieden en tijdelijke gebieden met beperkingen als bedoeld in artikel 9 van het Besluit luchtverkeer 2014.
|
||
|
||
### Artikel 7a
|
||
|
||
**1.** Onverminderd de in het betrokken luchtruim geldende regels, is het voeren van een Mode S SSR-transponder verplicht voor alle luchtvaartuigen die gebruik maken van een Transponder Mandatory Zone als opgenomen in bijlage 3 bij de Regeling luchtverkeersdienstverlening.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Het eerste lid is binnen onderstaande gebieden van maandag tot en met vrijdag en op nationale feestdagen tussen 09.00–17.00 uur plaatselijke tijd niet van toepassing op schermzweeftoestellen en zeilvliegtuigen:
|
||
|
||
| a. TMZ A | Van 1200 ft AMSL tot FL45 |
|
||
| --- | --- |
|
||
| b. TMZ B | Van 1200 ft AMSL tot FL45 |
|
||
| c. TMZ C | Van 1200 ft AMSL ot FL45 |
|
||
| d. TMZ D | Van 1200 ft AMSL tot 2500 ft AMSL |
|
||
| e. TMZ E | Van 1200 ft AMSL tot FL45 |
|
||
| f. TMZ Eelde | Van 1200 ft AMSL tot 1500 ft AMSL |
|
||
| g. TMZ G1 | Van 1200 ft AMSL tot FL45 |
|
||
| h. TMZ Maastricht | Van 1200 ft AMSL tot 1500 ft AMSL |
|
||
| i. TMZ Rotterdam | Van 1200 ft AMSL tot 2500 ft AMSL |
|
||
| j. TMZ Schiphol Area | Van 500 ft AMSL tot 1500 ft AMSL |
|
||
|
||
### Artikel 7b
|
||
|
||
**1.** In de TMZ Schiphol Area, genoemd in punt 1, onderdeel l, van bijlage 3 bij de Regeling luchtverkeersdienstverlening, is het verplicht voor alle luchtvaartuigen om de radiofrequentie te monitoren zoals vastgesteld door de Minister en opgenomen in de luchtvaartgids, hoofdstuk ENR 2.1.
|
||
|
||
**2.** De verplichting in het eerste lid geldt niet voor zweefvliegtuigen, zeilvliegtuigen, schermvliegtuigen, modelvliegtuigen en paramotors.
|
||
|
||
### Paragraaf . Gebruik van transponders
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
In afwijking van deel 13 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012 geldt de verplichting tot het inschakelen van de SSR-transponder gedurende de gehele vlucht, indien het luchtvaartuig is voorzien van een bruikbare SSR-transponder, ongeacht of het luchtvaartuig zich binnen luchtruim bevindt waar de SSR-transponder is voorgeschreven, niet voor gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorende tot de Nederlandse en bondgenootschappelijke krijgsmachten, mits:
|
||
|
||
1°. 1°.
|
||
de vlucht wordt uitgevoerd in de militaire oefengebieden, genoemd in artikel 2 van de Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2018;
|
||
2°. 2°.
|
||
deze gezagvoerders, na daartoe opdracht te hebben gekregen van de luchtverkeers- of gevechtsleiding voorafgaand aan de uitvoering van vluchten in de onder 1° bedoelde gebieden, de SSR-transponder in mode 3/A in werking hebben gesteld.
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam wordt, tenzij door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht, een SSR-transponder als volgt gebruikt:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de SSR-transponder wordt onmiddellijk voorafgaande aan de opstijging in werking gesteld en in werking gehouden tot de landing;
|
||
b. b.
|
||
de SSR-transponder wordt ingesteld op de individuele identificatiecode die laatstelijk is verstrekt door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten;
|
||
c. c.
|
||
zolang geen individuele identificatiecode is verstrekt, wordt mode A code 2000 ingesteld;
|
||
d. d.
|
||
indien voor het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt en niet voor vertrek kan worden hersteld, wordt
|
||
|
||
|
||
1º
|
||
de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
|
||
|
||
|
||
2º
|
||
een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
|
||
1º 1º
|
||
de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
|
||
2º 2º
|
||
een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
|
||
e. e.
|
||
indien na het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt, wordt rekening gehouden met beperkingen bij de uitvoering van het vliegplan;
|
||
f. f.
|
||
na de landing wordt al het mogelijke verricht om de SSR-transponder te laten herstellen of vervangen voor de volgende vlucht; g. Indien herstel of vervanging ter plaatse niet mogelijk is, wordt
|
||
|
||
|
||
1º
|
||
de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
|
||
|
||
|
||
2º
|
||
een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.
|
||
1º 1º
|
||
de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
|
||
2º 2º
|
||
een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor het uitvoeren van een VFR vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam zijn de volgende voorschriften voor het gebruik van een SSR-transponder van toepassing:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het gebruik van een SSR-transponder met mode S/ELS en met automatische hoogterapportering in mode C is verplicht in het luchtruim met de classificatie A, B, C, D, E of F en in de NSA Amsterdam;
|
||
b. b.
|
||
het gebruik van een SSR-transponder met de mode S/ELS en met automatische hoogterapportering in mode C is verplicht in het overige luchtruim met de classificatie G op en boven 1200 voet AMSL;
|
||
c. c.
|
||
mode A code 7000 wordt ingesteld.
|
||
|
||
**2.** De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing wanneer door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht.
|
||
|
||
### Artikel 10a
|
||
|
||
**1.** Onverminderd de artikelen 9 en 10, is een ADS-B-Out-systeem aanwezig en in werking gesteld tijdens de uitvoering van een vlucht in de NSA Amsterdam.
|
||
|
||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing in het luchtruim onder de Schiphol TMA 1, voor zover dit gebied zich bevindt in de strook met een breedte van 1,5 nautische mijlen gemeten vanaf 1 nautische mijl vanaf de kustlijn westwaarts.
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
**1.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van meer dan 19 passagiers, zijn uitgerust met ten minste één automatische ELT of twee ELT’s van om het even welk type.
|
||
|
||
**2.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van meer dan 19 passagiers, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste twee ELT’s waarvan er één ELT automatisch geactiveerd wordt.
|
||
|
||
**3.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van 19 passagiers of minder, zijn uitgerust met ten minste één ELT van om het even welk type.
|
||
|
||
**4.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van 19 passagiers of minder, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt.
|
||
|
||
**5.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als General Aviation, zijn uitgerust met ten minste één ELT van om het even welk type.
|
||
|
||
**6.** Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als General Aviation, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt.
|
||
|
||
**7.** Prestatie klasse 1 en 2 helikopters die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd.
|
||
|
||
**8.** Prestatie klasse 3 helikopters die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd met normale kruissnelheid op een afstand van meer dan 10 minuten vliegen vanaf land.
|
||
|
||
**9.** Prestatie klasse 1 en 2 helikopters die vluchten uitvoeren als General Aviation zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd.
|
||
|
||
**10.** Prestatie klasse 3 helikopters die vluchten als uitvoeren als General Aviation zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ETL(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd met normale kruissnelheid op een afstand van meer dan 10 minuten vliegen vanaf land.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
**1.** De Minister kent aan elk luchtvaartuig op aanvraag een 24-bit luchtvaartuigadres toe dat geregistreerd wordt in een gegevensbestand, aangehouden door de Inspectie Leefomgeving en Transport.
|
||
|
||
**2.** Het digitale signaal van de ELT bevat, behoudens in uitzonderlijke gevallen, het 24-bit luchtvaartuigadres van het bijbehorende luchtvaartuig, ten behoeve van de identificatie.
|
||
|
||
**3.** Gebruikers van luchtvaartuigen die ELT’s vervangen, plaatsen ELT’s die zijn gecodeerd met het 24-bit luchtvaartuigadres volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’.
|
||
|
||
**4.** De toekenning van het 24-bit luchtvaartuigadres, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door tussenkomst van de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Bij de aanvraag wordt het registratiekenmerk, het type en het serienummer van het luchtvaartuig vermeld.
|
||
|
||
**5.** De codering volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’ resulteert in een 15-digit hexadecimale code.
|
||
|
||
**6.** De 15-digit hexadecimale codes, alsmede de wijzigingen daarin en de bijbehorende gegevens van het vliegtuig, de gegevens van de contactpersonen, worden door de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat opgenomen in het gegevensbestand van de opsporings- en reddingsdienst in Nederland. Uitsluitend ELT’s die zijn geprogrammeerd op de in dit artikel bedoelde wijze worden in het gegevensbestand van de opsporings-en reddingsdienst in Nederland opgenomen, alsmede afwijkend geprogrammeerde ELT’s na verkregen toestemming van de Minister.
|
||
|
||
**7.** Voor luchtvaartuigen die een 24-bit luchtvaartuigadres voor andere doeleinden in gebruik hebben, wordt dit adres gebruikt voor de bij het luchtvaartuig behorende ELT’s.
|
||
|
||
**8.** Details ten behoeve van de registratie worden middels een AIC als bedoeld in artikel 1 van de Regeling Burgerluchtvaartinlichtingen of middels de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport bekend gesteld.
|
||
|
||
### Paragraaf . Gebruik hoogtemeter
|
||
|
||
### Artikel 13a
|
||
|
||
**1.** De overgangshoogte in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is voor IFR-vluchten 915 m (3000 ft) en voor VFR-vluchten 1070 m (3500 ft).
|
||
|
||
**2.** Het overgangsniveau in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is gelegen op of boven 1220 m (4000 ft) boven gemiddeld zeeniveau.
|
||
|
||
### Artikel 13b
|
||
|
||
Het KNMI stelt elk uur het overgangsniveau, bedoeld in artikel 13a, tweede lid, vast en meldt dit zo snel mogelijk aan de desbetreffende verlener van luchtverkeersdiensten.
|
||
|
||
### Artikel 13c
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
In het vluchtinformatiegebied Amsterdam en de daarbuiten gelegen luchtruimten boven het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn de volgende ASR’s ingesteld:
|
||
|
||
a. a.
|
||
ASR Amsterdam;
|
||
b. b.
|
||
ASR Maastricht;
|
||
c. c.
|
||
ASR North Sea South;
|
||
d. d.
|
||
ASR North Sea North.
|
||
|
||
**2.** De gebieden, bedoeld in het eerste lid worden lateraal begrensd als aangegeven in de luchtvaartgids, ENR 6-1.1.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Het KNMI stelt ten minste elk uur de regionale QNH van de onderstaande gebieden vast en meldt deze zo snel mogelijk aan de desbetreffende verlener van luchtverkeersdiensten:
|
||
|
||
a. a.
|
||
luchthaven Schiphol;
|
||
b. b.
|
||
luchthaven Maastricht Aachen;
|
||
c. c.
|
||
lichteiland Goeree;
|
||
d. d.
|
||
platform F16-A.
|
||
|
||
### Artikel 13d
|
||
|
||
**1.** Vóór het opstijgen wordt ten minste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van de luchthaven.
|
||
|
||
**2.** Tijdens de stijgvlucht wordt bij het passeren van de overgangshoogte ten minste één drukhoogtemeter ingesteld op de drukwaarde van 1013.2 hPa.
|
||
|
||
### Artikel 13e
|
||
|
||
Tijdens een vlucht op een kruishoogte op of beneden de overgangshoogte wordt ten minste één drukhoogtemeter ingesteld op de regionale QNH.
|
||
|
||
### Artikel 13f
|
||
|
||
**1.** Tijdens de daalvlucht wordt bij het passeren van het overgangsniveau ten minste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van de luchthaven.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
De in het eerste lid bedoelde instelling op QNH kan reeds vóór het passeren van het overgangsniveau plaatsvinden, indien de betrokken luchtverkeersleidingsdienst, na het verstrekken van de naderingsklaring, toestaat om de vlieghoogte uit te drukken in hoogte boven gemiddeld zeeniveau nadat de einddaling is ingezet, indien:
|
||
|
||
a. a.
|
||
wordt voorzien dat boven de overgangshoogte geen horizontale vlucht meer zal plaatsvinden, of
|
||
b. b.
|
||
de vlucht wordt uitgevoerd volgens de door de Minister vastgestelde en in de luchtvaartgids gepubliceerde naderingsprocedure waarbij de hoogte waarop de eindnadering wordt aangevangen is gelegen op of beneden het overgangsniveau.
|
||
|
||
### Artikel 13g
|
||
|
||
**1.** Een horizontaal deel van een VFR-vlucht boven 1070 m (3500 ft) boven de grond of het water wordt uitgevoerd op een vliegniveau als aangegeven in Appendix 3 bij verordening (EU) nr. 923/2012.
|
||
|
||
**2.** Een horizontaal deel van een gecontroleerde vlucht binnen een luchtverkeersleidingsgebied wordt uitgevoerd op een kruishoogte zoals aangegeven in Appendix 3 bij verordening (EU) nr. 923/2012.
|
||
|
||
**3.** Een horizontaal deel van een IFR-vlucht buiten een luchtverkeersleidingsgebied wordt uitgevoerd op een kruishoogte als aangegeven in Appendix 3 bij verordening (EU) nr. 923/2012.
|
||
|
||
### Artikel 13h
|
||
|
||
**1.** In afwijking van artikel 13g gelden binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam en de daarbuiten gelegen luchtruimte boven het Nederlandse deel van het continentaal plat de door de minister vastgestelde en in hoofdstuk ENR 3 van de luchtvaartgids gepubliceerde kruishoogtes.
|
||
|
||
**2.** Voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde kruishoogtes is voor IFR-vluchten op of beneden 915 m (3000 ft) de grondkoers van het belangrijkste deel van de vlucht van toepassing.
|
||
|
||
### Paragraaf . Strafbepaling
|
||
|
||
### Artikel 14
|
||
|
||
Handelen in strijd met de artikelen 8 tot en met 10 van deze regeling is een strafbaar feit.
|
||
|
||
### Paragraaf . Slotartikelen
|
||
|
||
### Artikel 15
|
||
|
||
Vervallen
|
||
|
||
### Artikel 16
|
||
|
||
Het Besluit navigatie- en communicatie-installaties voor IFR-vluchten en de Regeling SSR-transponder worden ingetrokken.
|
||
|
||
### Artikel 17
|
||
|
||
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
|
||
|
||
### Artikel 18
|
||
|
||
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling boorduitrusting.
|