40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
90 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Bouwbesluit 2012 | BWBR0031022 | ministeriele-regeling | geldend | 2022-04-19 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0031022 | Regeling Bouwbesluit 2012 |
Regeling Bouwbesluit 2012
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aangemelde instantie: instantie als bedoeld in artikel 39 van de verordening bouwproducten;
- aanmeldende autoriteit: autoriteit als bedoeld in artikel 40 van de verordening bouwproducten;
- bedreigd subbrandcompartiment: subbrandcompartiment waarin een brand begint;
- besluit: Bouwbesluit 2012;
- bijeenkomstgebouw: gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer bijeenkomstfuncties en nevenfuncties daarvan;
- celgebouw: gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer celfuncties en nevenfuncties daarvan;
- ISSO: publicatie van het Kennisinstituut voor de Installatiesector;
- minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- technische beoordelingsinstantie: instantie als bedoeld in artikel 29 van de verordening bouwproducten;
- veiligheidsafstand: aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778.
Paragraaf 1.2. NEN
Artikel 1.2
1. Waar bij het besluit of deze regeling is verwezen naar een BRL, NEN, NEN-EN, NTA, NVN, of V, is in bijlage I en voor zover het een in de afdelingen 2.1 en 2.2 van het besluit aangewezen NEN-EN betreft in bijlage II bij deze regeling bepaald welke uitgave daarvan van toepassing is.
2. Van de in het eerste lid bedoelde normen met een verwijzing naar een andere norm of een onderdeel van een andere norm zijn de verwijzingen van toepassing voor zover deze betrekking hebben op normen die in bijlage I respectievelijk bijlage II bij deze regeling zijn opgenomen.
3. In afwijking van het tweede lid zijn van de in de afdelingen 6.2 en 6.3 van het besluit aangewezen normen, met uitzondering van NEN 1010, alle verwijzingen van toepassing.
Paragraaf 1.3. CE-markeringen
Artikel 1.3
1. Een CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het bouwproduct of op een etiket daarvan aangebracht. Indien dit niet mogelijk is wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking of in de begeleidende documenten.
2. Instructies en informatie als bedoeld in de artikelen 11, zesde lid, 13, vierde lid, en 14, tweede lid, van de verordening bouwproducten zijn in de Nederlandse taal gesteld.
Artikel 1.4
1. De minister wijst een instelling aan die adviezen uitbrengt over de geschiktheid van technische beoordelingsinstanties.
2. Een technische beoordelingsinstantie toont aan de instelling, bedoeld in het eerste lid, aan dat zij voor de productgebieden, genoemd in bijlage IV, tabel 1, van de verordening bouwproducten, voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in tabel 2 van die bijlage.
3. De instelling, bedoeld in het eerste lid, stelt een procedure op voor de aanmelding van, de beoordeling van en het toezicht op technische beoordelingsinstanties en maakt jaarlijks een actueel overzicht van aangemelde technische beoordelingsinstanties bekend.
Artikel 1.5
1. De aanmeldende autoriteit brengt advies uit aan de minister over de geschiktheid van aangemelde instanties.
2. Een bij de aanmeldende autoriteit aangemelde instantie toont aan dat zij voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 43 van de verordening bouwproducten.
3. De aanmeldende autoriteit stelt een procedure op voor de aanmelding en de beoordeling van aangemelde instanties alsmede voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van artikel 43 van de verordening bouwproducten en maakt een actueel overzicht van de aangemelde instanties bekend.
Artikel 1.6
1. De minister kan aan een aanwijzing van technische beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, en van aangemelde instanties als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, voorschriften verbinden.
2. De instelling, bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, en de aanmeldende autoriteit informeren de minister onverwijld indien zij van oordeel zijn dat een technische beoordelingsinstantie of een aangemelde instantie de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft of niet meer aan de voorwaarden voor die aanwijzing voldoet.
3. Na een melding als bedoeld in het tweede lid kan de minister een aanwijzing intrekken.
Paragraaf 1.4. Kwaliteitsverklaringen
Artikel 1.7
Een instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten door de lidstaat van oorsprong is erkend met het oog op het afgeven van kwaliteitsverklaringen voor andere lidstaten, wordt gelijkgesteld met een door de minister aangewezen onafhankelijk deskundig instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet.
Artikel 1.8
Vervallen
Artikel 1.9
Vervallen
Paragraaf 1.5. Inspectieschema’s
Artikel 1.10
1. Een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20 van het besluit en een ontruimingsinstallatie als bedoeld in artikel 6.23, eerste lid, van het besluit beschikt voor ingebruikname over een inspectiecertificaat als bedoeld in artikel 6.20, zesde lid, van het besluit respectievelijk artikel 6.23, vierde lid, van het besluit.
2. Een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Indien op grond van artikel 6.20, eerste lid, van het besluit doormelding verplicht is, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 1.11
1. Een automatische brandblusinstallatie als bedoeld in artikel 6.32, eerste lid, van het besluit en een rookbeheersingsinstallatie als bedoeld in artikel 6.32, tweede lid, van het besluit beschikt voor ingebruikname over een inspectiecertificaat als bedoeld in artikel 6.32, eerste respectievelijk tweede lid, van het besluit.
2. Een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van een jaar.
Artikel 1.12
Bij toepassing van de CCV-inspectieschema’s, genoemd in de artikelen 6.20, zesde lid, 6.23, vierde lid, en 6.32 van het besluit wordt uitgegaan van de desbetreffende onderdelen van het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem (VBB-BMI-OAI-RBI) op basis van afgeleide doelstellingen, versie 12.0 van 1 januari 2019.
Paragraaf 1.6. Veilig onderhoud
Artikel 1.13
Indien een te bouwen gebouw gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in artikel 6.53, eerste lid, van het besluit nodig heeft om onderhoud veilig te kunnen uitvoeren, wordt om die voorzieningen te beoordelen gebruikgemaakt van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012.
Paragraaf 1.7. Certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide
Artikel 1.14
1. Een aanvraag tot aanwijzing als certificerende instelling wordt door middel van een door de minister vastgesteld formulier ingediend.
2.
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. a. de vestigingsplaats van de aanvrager; b. b. het nummer waarmee de certificerende instelling is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en c. c. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft en het bewijs van accreditatie voor dat schema.
3. In plaats van het bewijs van accreditatie bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan, in het geval de aanvrager nog niet geaccrediteerd is, tot 1 januari 2023 een bewijs van de nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, worden verstrekt dat de aanvraag voor het verkrijgen van accreditatie voor dat schema volledig is en door de nationale accreditatie-instantie in behandeling is genomen.
Artikel 1.15
Een aanwijzing als certificerende instelling heeft betrekking op de in het certificatieschema waarvoor de certificerende instelling geaccrediteerd is opgenomen werkzaamheden.
Artikel 1.16
Een certificatieschema vermeldt in ieder geval:
a. a. voor welk type of welke typen gasverbrandingsinstallaties het schema is bedoeld; b. b. welke van de in het schema opgenomen eisen voor certificaathouders voorgeschreven zijn door paragraaf 1.8 van het besluit en deze paragraaf.
Artikel 1.17
Een certificatieschema schrijft in ieder geval voor dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1.35, eerste lid, van het besluit:
a. a. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert; b. b. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is; c. c. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan:
1°.
50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;
2°.
200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel;
3°.
400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel.
1°. 1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel; 2°. 2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; 3°. 3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel. d. d. door certificaathouders wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, indien dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; e. e. certificaathouders de werkzaamheden uitvoeren conform de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze paragraaf is bepaald.
Artikel 1.18
Een certificatieschema schrijft voor dat de persoon die de inbedrijfstelling uitvoert, met het oog op het kunnen voldoen aan de in artikel 1.17 gestelde eisen aantoonbaar in staat is:
a. a. de opstelruimte voor gasverbrandingsinstallaties, in ieder geval inhoudende de ventilatievoorziening, te beoordelen; b. b. rookgasafvoerkanalen en -leidingen inclusief uitmonding, te beoordelen en te beproeven; c. c. collectieve rookgasafvoeren te beoordelen en te beproeven, in het geval van werkzaamheden daaraan; d. d. de toevoer van verbrandingslucht te beoordelen; e. e. de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties te beoordelen daar waar het gaat om het vrijkomen van koolmonoxide; f. f. gasverbrandingsinstallaties in bedrijf te stellen; g. g. de metingen en controles, bedoeld in artikel 1.17, onderdelen a, b en c, te verrichten alsmede de resultaten van deze metingen en controles te interpreteren; h. h. voorlichting te geven aan de gebruiker over het functioneren van de gasverbrandingsinstallatie in samenhang met het systeem, inclusief luchttoevoer, rookgasafvoer en plaatsing in het gebouw.
Artikel 1.19
1. Een aanvraag tot aanwijzing van een certificatieschema als bedoeld in artikel 1.37, eerste lid, van het besluit wordt door middel van een door de minister vastgesteld formulier ingediend.
2.
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. a. de vestigingsplaats van de aanvrager; b. b. het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; c. c. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 1.20
De concentratie koolmonoxide, bedoeld in artikel 1.38 van het besluit, bedraagt 20 ppm.
Artikel 1.21
1. De certificerende instelling zendt het verslag, bedoeld in artikel 1.39, vierde lid, van het besluit, jaarlijks voor 1 maart aan de minister.
2.
In het verslag worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:
a. a. een overzicht van de controles die de certificerende instelling heeft uitgevoerd, inclusief de resultaten van elke controle; b. b. de door de instelling afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten; c. c. wijzigingen in de voor de instelling relevante accreditaties, reglementen en procedures; d. d. knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan; e. e. de hoeveelheid en aard van de door de certificerende instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan; f. f. ingediende bezwaren op beslissingen van de certificerende instelling over al dan niet verleende certificaten en de ingestelde beroepen tegen de beslissingen op bezwaar, alsmede de wijze van afhandeling daarvan.
3.
Over iedere melding als bedoeld in artikel 1.38 van het besluit wordt ten minste de volgende informatie verstrekt:
a. a. de gemeten concentratie koolmonoxide; b. b. een beschrijving van de ruimte waarin de concentratie is gemeten.
Artikel 1.22
1.
In het register, bedoeld in artikel 1.40, eerste lid, van het besluit, worden de volgende gegevens met betrekking tot certificaathouders opgenomen:
a. a. het nummer waarmee de certificaathouder geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. b. een beschrijving van de werkzaamheden die door de certificaathouder mogen worden uitgevoerd; c. c. het schema waarvoor het certificaat is verleend; d. d. de datum waarop een certificaat is verleend, geschorst of ingetrokken, de geldigheidsduur van het certificaat en, in het geval van schorsing, de termijn van de schorsing.
2. De certificerende instelling verstrekt de gegevens aan de minister.
Artikel 1.23
1. Het beeldmerk, bedoeld in artikel 1.41, eerste lid, van het besluit is het beeldmerk opgenomen in bijlage IIa.
2. Certificaathouders voeren het beeldmerk op alle uitingen die betrekking hebben op de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties en bij het zich legitimeren bij klanten.
3. Het is verboden het beeldmerk te gebruiken wanneer niet wordt beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.35, eerste lid, van het besluit.
Hoofdstuk 2. Veiligheidsvoorschriften
Paragraaf 2.1. Opvang- en doorstroomcapaciteit
Artikel 2.1
1.
Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan worden afgeweken van artikel 2.108, eerste lid, van het besluit indien de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen:
a. a. 30 minuten indien het betreffende gedeelte van de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is; b. b. 20 minuten indien het betreffende gedeelte van de vluchtroute een extra beschermde vluchtroute is die in de vluchtrichting uitsluitend wordt bereikt door een afzonderlijke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert met een lengte van ten minste 2 m, of c. c. 15 minuten indien het betreffende gedeelte van de vluchtroute een andere vluchtroute is.
2. De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten wordt verlaten.
3.
De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat een ruimte, niet zijnde het trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment:
a. a. binnen 3,5 minuut na aanvang van het vluchten wordt verlaten, of b. b. binnen 6 minuten indien tussen het bedreigde subbrandcompartiment en deze ruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag is van ten minste 30 minuten, bepaald volgens NEN 6068.
4.
Bij toepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten:
a. a. berekeningen worden uitgevoerd in tijdstappen van 30 seconden; b. b. bij het begin van het vluchten wordt aangenomen dat alle personen in het subbrandcompartiment zich nabij de uitgangen van dat compartiment bevinden en tegelijkertijd beginnen te vluchten; c. c. vluchtroutes worden tijdens het vluchten slechts in een richting benut; d. d. door doorgangen en over trappen voeren de vluchtroutes niet in tegenovergestelde richting; e. e. bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit op de volgende wijze verdeeld:
i
bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis. De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die betreffende bouwlaag tot het trappenhuis;
ii
bij samenkomst in een ruimte, niet zijnde het trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte;
iii
als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder i. en ii. beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis;
i i bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis. De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die betreffende bouwlaag tot het trappenhuis; ii ii bij samenkomst in een ruimte, niet zijnde het trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte; iii iii als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder i. en ii. beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis; f. f. het hoogteverschil tussen bouwlagen in het trappenhuis is ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m; g. g. de daalsnelheid is 30 seconden per bouwlaag voor zover de vluchtroute over een trap of door een trappenhuis voert; h. h. de opvangcapaciteit van een trap is 0,5 persoon per trede, voor zover de breedte van de trap niet groter is dan 1,1 m; i. i. de opvangcapaciteit van een trap is 0,9 persoon per trede per meter breedte van die trede, voor zover de breedte van de trap groter is dan 1,1 m en de breedte van het tredevlak groter is dan 0,17 m; j. j. de opvangcapaciteit van een vloer of hellingbaan is ten hoogste 4 personen per m^2 vrije vloeroppervlakte, en k. k. het gestelde in artikel 2.108, eerste lid, van het besluit, waarbij voor ‘personen’ wordt gelezen: personen per minuut. l. l. het gestelde in artikel 6.25, derde lid, van het besluit, waarbij voor ‘37 personen’ wordt gelezen: 37 personen per minuut; m. m. in afwijking van onderdeel l geldt het gestelde in artikel 6.25, derde lid, van het besluit onverkort als in de ruimte voor de deur tijdens een tijdstap meer dan 37 personen aanwezig zijn.
5.
Bij toepassing van het tweede en derde lid gelden in aanvulling op het vierde lid de volgende uitgangspunten:
a. a. brand ontstaat niet op twee of meer plaatsen tegelijk; b. b. in ieder subbrandcompartiment kan brand ontstaan; c. c. de opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes die door het bedreigde subbrandcompartiment voeren blijven buiten beschouwing.
6. Bij toepassing van het vierde lid, onder j, geldt voor een bijeenkomstfunctie een opvangcapaciteit van ten hoogste twee personen per m^2 vrije vloeroppervlakte indien bij een tijdstap als bedoeld in het vierde lid, onder a, in een ruimte als bedoeld in het derde lid meer dan 200 personen aanwezig zijn en die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuut kan worden verlaten.
Paragraaf 2.2. Installaties
Artikel 2.2
Een in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie, niet zijnde een logiesfunctie met 24-uurs bewaking, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 6.23 van het besluit, waarvan het ontruimingssignaal direct en in het gehele gebouw in werking wordt gesteld bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder.
Artikel 2.3
Vervallen
Paragraaf 2.3. Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
Artikel 2.4
1. Een geheel of gedeeltelijk in een veiligheidszone bij een weg of spoorweg te bouwen bouwwerk dat tevens een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.5 tot en met 2.10.
2. Een geheel of gedeeltelijk in een plasbrandaandachtsgebied te bouwen bouwwerk dat tevens een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.5 tot en met 2.9.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een boven de volle breedte van een weg of spoorweg die slechts voor een deel van die breedte een veiligheidszone betreft, te bouwen bouwwerk dat tevens een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geheel of gedeeltelijk in een veiligheidszone bij een binnenwater te bouwen bouwwerk dat tevens een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op bouwwerken voor zover die bouwwerken objecten met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn.
Artikel 2.5
De brandwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie van een gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied is ten minste 60 minuten van buiten naar binnen bepaald volgens NEN 6069, uitgaande van de buitenruimte als een brandcompartiment en een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.
Artikel 2.6
1. Een in een aan de buitenlucht grenzende zijde van een in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied gelegen constructieonderdeel van een te bouwen bouwwerk voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2. In afwijking van het eerste lid voldoet een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
3. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen in ieder vlak van de uitwendige scheidingsconstructie met een afmeting van 3 m bij 3 m, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.
Artikel 2.7
1. Een in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied gelegen dak of een gedeelte daarvan van een te bouwen bouwwerk is voorzien van een constructieonderdeel waarvan de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2. Op ten hoogste 5% van de oppervlakte van het in het eerste lid bedoelde constructieonderdeel is de eis van het eerste lid niet van toepassing.
Artikel 2.8
1. In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een gedeeltelijk in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied te bouwen bouwwerk is geen in de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied gelegen doorgang aanwezig waardoor een vluchtroute voert.
2. In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een geheel in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied te bouwen bouwwerk is uitsluitend een van de basisnetroute afgekeerde doorgang aanwezig waardoor een vluchtroute voert.
Artikel 2.9
1. Voor een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied zijn de voorschriften van afdeling 2.2 van het besluit van overeenkomstige toepassing waarbij wordt uitgegaan van de buitenruimte als een subbrandcompartiment of brandcompartiment en een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.
2. Na het ontstaan van brand in een veiligheidzone of plasbrandaandachtsgebied bezwijkt een boven die veiligheidszone of dat plasbrandaandachtsgebied te bouwen bouwconstructie niet binnen 90 minuten, bepaald volgens artikel 2.11 van het besluit en uitgaande van ontwerpbrandscenario’s zoals bedoeld in paragraaf 2.2 van NEN-EN 1991-1-2.
Artikel 2.10
Een in een veiligheidzone te bouwen bouwwerk met een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld.
Paragraaf 2.4. Drijvende bouwwerken
Artikel 2.11
1. Een te bouwen drijvend bouwwerk en een tijdelijk drijvend bouwwerk hebben voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte.
2.
Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 meter boven de waterlijn en dat niet is gelegen in:
a. a. een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen, of b. b. een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling,
wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 2.12
1. De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt.
2.
De veiligheidsafstand is ten minste:
a. a. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1; b. b. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam zonder holle ruimte; c. c. 150 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een of meer holle ruimten;
3. In het geval de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 2.12.1 of 2.12.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm.
4.
De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden.
Tabel 2.12.1 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebied I (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd).
| Waterdiepte (m) | Strijklengte (m) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 30 | 50 | 75 | 100 | 150 | 200 | 500 | 700 | 1.000 | 1.500 | |
| 2 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 490 | 630 | 680 | 730 | 780 |
| 2.5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 680 | 740 | 800 | 870 |
| 3 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 700 | 780 | 850 | 940 |
| 3.5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 810 | 890 | 990 |
| 4 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 830 | 920 | 1.030 |
| 4.5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 940 | 950 | 1.060 |
| 5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 940 | 1.090 | 1.090 |
| 5.5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 940 | 1.090 | 1.110 |
| 6 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 940 | 1.090 | 1.300 |
| 6.5 | 250 | 310 | 370 | 420 | 490 | 560 | 820 | 940 | 1.090 | 1.300 |
Tabel 2.12.2 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebieden II en III (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd).
| Waterdiepte (m) | Strijklengte (m) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 30 | 50 | 75 | 100 | 150 | 200 | 500 | 700 | 1.000 | 1.500 | |
| 2 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 460 | 600 | 650 | 700 | 750 |
| 2.5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 640 | 700 | 760 | 830 |
| 3 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 670 | 740 | 810 | 890 |
| 3.5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 760 | 850 | 940 |
| 4 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 870 | 980 |
| 4.5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 890 | 1.010 |
| 5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 1.020 | 1.030 |
| 5.5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 1.020 | 1.050 |
| 6 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 1.020 | 1.210 |
| 6.5 | 230 | 290 | 340 | 390 | 460 | 520 | 760 | 880 | 1.020 | 1.210 |
Artikel 2.13
1.
De in artikel 2.12, eerste lid, bedoelde afstand wordt bepaald op basis van:
a. a. de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990; b. b. de blijvende belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
–
scheidingswanden;
–
permanent aanwezige installaties;
–
het trimgewicht;
– – scheidingswanden; – – permanent aanwezige installaties; – – het trimgewicht; c. c. de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
–
geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer;
–
op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψ_o in rekening is gebracht.
– – geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer; – – op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψ_o in rekening is gebracht.
2.
De in artikel 2.12, tweede en derde lid, bedoelde veiligheidsafstand wordt bepaald op basis van:
a. a. de meest ongunstige belastingscombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990; b. b. de blijvende belasting volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
–
scheidingswanden;
–
permanent aanwezige installaties;
–
het trimgewicht;
– – scheidingswanden; – – permanent aanwezige installaties; – – het trimgewicht; c. c. de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
–
de opgelegde belasting, indien deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψ_o in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen;
–
de opgelegde belasting, indien deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd;
–
belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 2.12.1 en 2.12.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m.
– – de opgelegde belasting, indien deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψ_o in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen; – – de opgelegde belasting, indien deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd; – – belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 2.12.1 en 2.12.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als:
a. a. de scheefstand van het drijvend bouwwerk bij oplevering niet groter is dan 0,5 graden; b. b. het drijvend bouwwerk met een drijflichaam met holle ruimte beschikt over een waterniveau-alarm, en c. c. het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft met een drijflichaam met holle ruimte, waarbij het drijflichaam bestaat uit ten minste twee gescheiden compartimenten en het drijvend bouwwerk beschikt over een automatische pomp die binnendringend water direct afvoert in ieder compartiment.
Artikel 2.14
Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:
a. a. de belastingen die op het drijflichaam worden uitgeoefend als gevolg van de belastingcombinaties, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a; b. b. fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het besluit waarbij de volgende belastingen, zonder rekening te houden met het gelijktijdig plaatsvinden van die belastingen, zijn meegenomen als veranderlijke belasting:
–
de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997;
–
voor zover het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft de verticale belasting door golven tegen de onderkant van het drijflichaam, uitgaande van golven met een significante golfhoogte die is bepaald volgens tabel 2.12.1 of 2.12.2, voor zover deze golven hoger zijn dan 0,5 m.
– – de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997; – – voor zover het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft de verticale belasting door golven tegen de onderkant van het drijflichaam, uitgaande van golven met een significante golfhoogte die is bepaald volgens tabel 2.12.1 of 2.12.2, voor zover deze golven hoger zijn dan 0,5 m. c. c. de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in artikel 2.3 van het besluit, waarbij het drijflichaam niet zodanig mag bezwijken dat het drijvend bouwwerk zinkt. Dit geldt niet voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 met niet meer dan twee bouwlagen.
Artikel 2.15
Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:
a. a. de belastingen die op de aanmeerconstructies worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a; b. b. de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 2.2 van het besluit, waarin de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 is meegenomen als veranderlijke belasting.
Hoofdstuk 3. Gezondheid, energiezuinigheid en milieu
Artikel 3.1
Waar in artikel 5.9 van het besluit wordt verwezen naar de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken is bedoeld de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken versie 1.0 (1 juli 2020) met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 oktober 2020, het wijzigingsblad van 1 februari 2021 en het wijzigingsblad van 1 oktober 2021.
Artikel 3.2
Van een ingrijpende renovatie als bedoeld in de artikelen 5.6, vierde en vijfde lid, en 5.16, eerste lid, van het besluit is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, uitgave juli 2014, wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft.
Artikel 3.2a
Ter beoordeling van de mogelijkheid tot uitzondering, bedoeld in artikel 5.6, zesde lid, van het besluit, kan gebruikgemaakt worden van de Leidraad eis hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie van 2 december 2021 zoals gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2021/12/02/leidraad-eis-hernieuwbare-energie-bij-ingrijpende-renovatie.
Artikel 3.3
De in de artikelen 6.55 en 6.55a van het besluit bedoelde waarde voor de energieprestatie van een technisch bouwsysteem wordt bepaald op basis van de als bijlage III bij deze regeling opgenomen rekenmethodiek.
Artikel 3.3a
Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar technisch bouwsysteem, als bedoeld in de artikelen 6.55, tweede lid, en 6.55a, tweede lid, van het besluit, voldoet aan het volgende:
a. a. ruimteverwarming:
1°.
een ruimteverwarmingssysteem heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw;
2°.
het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem;
3°.
het systeem is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden;
4°.
het systeem is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (2014/C 207/02), en van thermostatische radiatorkranen met ingebouwde flowregeling of thermostatische radiatorkranen zonder flowregeling met een separaat voetventiel;
5°.
het vierde lid is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met die leden vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming;
1°. 1°. een ruimteverwarmingssysteem heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw; 2°. 2°. het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem; 3°. 3°. het systeem is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden; 4°. 4°. het systeem is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (2014/C 207/02), en van thermostatische radiatorkranen met ingebouwde flowregeling of thermostatische radiatorkranen zonder flowregeling met een separaat voetventiel; 5°. 5°. het vierde lid is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met die leden vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming; b. b. ruimtekoeling:
1°.
een ruimtekoelingssysteem heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarbij het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw;
2°.
het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
3°.
het systeem is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans (voor hydraulische systemen) of heeft geoptimaliseerde luchtstromen (voor lucht-distributiesystemen) en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden;
4°.
een centraal aangestuurd systeem heeft een ruimtethermostaat;
5°.
bij individueel geregelde units heeft het systeem een door de gebruiker in te stellen thermostaat;
6°.
het vierde lid is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat lid vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd;
1°. 1°. een ruimtekoelingssysteem heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarbij het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw; 2°. 2°. het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; 3°. 3°. het systeem is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans (voor hydraulische systemen) of heeft geoptimaliseerde luchtstromen (voor lucht-distributiesystemen) en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden; 4°. 4°. een centraal aangestuurd systeem heeft een ruimtethermostaat; 5°. 5°. bij individueel geregelde units heeft het systeem een door de gebruiker in te stellen thermostaat; 6°. 6°. het vierde lid is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat lid vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd; c. c. ventilatie:
1°.
een ventilatiesysteem sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
2°.
het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
3°.
het ventilatiedebiet is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit;
4°.
het systeem is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte;
1°. 1°. een ventilatiesysteem sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt; 2°. 2°. het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; 3°. 3°. het ventilatiedebiet is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit; 4°. 4°. het systeem is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte; d. d. warm tapwater:
1°.
een warm tapwatersysteem sluit aan bij de warm tapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
2°.
het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
3°.
de warm tapwatertemperatuur gemeten bij de warmteopwekker is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella;
4°.
het systeem is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld;
1°. 1°. een warm tapwatersysteem sluit aan bij de warm tapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt; 2°. 2°. het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; 3°. 3°. de warm tapwatertemperatuur gemeten bij de warmteopwekker is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella; 4°. 4°. het systeem is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld; e. e. ingebouwde verlichting:
1°.
de hoeveelheid en het type armaturen van het ingebouwde verlichtingssysteem zijn voldoende, maar ook niet meer dan nodig voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt;
2°.
het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
3°.
het systeem is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie;
1°. 1°. de hoeveelheid en het type armaturen van het ingebouwde verlichtingssysteem zijn voldoende, maar ook niet meer dan nodig voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt; 2°. 2°. het systeem is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; 3°. 3°. het systeem is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie; f. f. gebouwautomatisering- en controlesystemen: het systeem is voor oplevering getest en ingesteld op energetisch optimale prestatie onder typische gebruiksomstandigheden.
Artikel 3.3b
De in artikel 6.55b van het besluit bedoelde documentatie bevat ten minste de volgende gegevens:
– – naam, adres, en woonplaats opdrachtgever; – – adres en plaats gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt; – – soort gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt: woning of overig; – – naam en registratienummer installateur of naam, adres en woonplaats van de opsteller van het document; – – soort technisch bouwsysteem; – – type en serienummer van (componenten) van het technische bouwsysteem of bij het ontbreken van dergelijke gegevens, een nauwkeurige omschrijving van de locatie waar het technisch bouwsysteem zich in het gebouw bevindt; – – beschrijving van verrichte werkzaamheden aan technisch bouwsysteem; – – berekende waarde voor de energieprestatie; – – datum werkzaamheden; – – ondertekening door de installateur.
Artikel 3.4
De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het besluit wordt berekend door:
waarin:
x x = het aantal ramen, deuren en kozijnen van een bouwwerk Un Un = de warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NEN 1068 An An = het geprojecteerde oppervlak van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NEN 1068 At At = het totale geprojecteerde oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen van een bouwwerk
Artikel 3.5
Een kooldioxidemeter als bedoeld in artikel 7.23 van het besluit voldoet aan het volgende:
a. a. functioneert continu op de gangbare elektrische netspanning en een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting verstoort de ingestelde signaalniveaus niet; b. b. kalibreert zichzelf automatisch; c. c. heeft ten minste een CO_2-meetfunctie met:
1°
een meetbereik van tenminste 300 tot 5.000 ppm;
2°
een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 ˚C;
3°
een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 ˚C:
bij CO_2 van 300-1.000 ppm : < 10% van meetwaarde en
bij CO_2 van 1.000-5.000 ppm : < 100 ppm;
4°
een resolutie van 1 ppm;
1° 1° een meetbereik van tenminste 300 tot 5.000 ppm; 2° 2° een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 ˚C; 3° 3° een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 ˚C: bij CO_2 van 300-1.000 ppm : < 10% van meetwaarde en bij CO_2 van 1.000-5.000 ppm : < 100 ppm; 4° 4° een resolutie van 1 ppm; d. d. waarschuwt bijtijds voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie betreffende de mate waarin een vertrek wordt geventileerd; e. e. heeft 3 signaalniveaus met een eigen kleurcode:
1°
CO_2-concentratie van minder dan 1.000 ppm;
2°
CO_2-concentratie van 1.001 t/m 1.400 ppm;
3°
CO_2-concentratie van 1.401 ppm en hoger;
1° 1° CO_2-concentratie van minder dan 1.000 ppm; 2° 2° CO_2-concentratie van 1.001 t/m 1.400 ppm; 3° 3° CO_2-concentratie van 1.401 ppm en hoger; f. f. de CO_2-concentratie moet afleesbaar zijn op een duidelijk display, waarbij de hoogte van cijfers en letters in het display minimaal 8 mm bedraagt.
Artikel 3.6
1. De berekening van de in artikel 5.2, eerste lid, van het besluit bedoelde waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en voor het aandeel hernieuwbare energie vindt plaats en wordt geregistreerd door een op basis van BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname gecertificeerd bedrijf, of BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname gecertificeerd bedrijf, waarbij gebruik wordt gemaakt van op basis van BRL 9501 geattesteerde software.
2. Met een gecertificeerd bedrijf als bedoeld in het eerste lid, wordt tot 1 januari 2022 gelijkgesteld een bedrijf dat de in het eerste lid bedoelde certificering heeft aangevraagd en dat voor de berekening gebruikmaakt van adviseurs met een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in paragraaf 4.1 van BRL 9500-W of BRL 9500-U.
3. Een berekening en registratie als bedoeld in het eerste lid mag tot 1 november 2021 plaatsvinden door een persoon die werkzaam is voor een certificaathouder en aantoonbaar in staat is volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname, of in BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname, een opname te maken van de bouwkundige schil en de installaties van het gebouw.
4. Bij toepassing van het derde lid controleert de certificaathouder aanvullend in ieder geval de eerste twee registraties van berekeningen gedaan door de persoon, bedoeld in het derde lid, middels controles op de dossiers als bedoeld in paragraaf 6.1 van BRL 9500-W of paragraaf 6.1 van BRL 9500-U.
Artikel 3.7
1. Tot 1 juli 2021 mag voor de berekening van de in artikel 5.2, eerste lid, van het besluit bedoelde waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en voor het aandeel hernieuwbare energie in aanvulling op artikel 3.6, eerste lid, een tweede berekening worden gemaakt op basis van BRL 9501 geattesteerde software zoals deze software luidt op 1 juli 2020.
2. De in het eerste lid bedoelde tweede berekening wordt met dezelfde invoergegevens als de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde berekening uitgevoerd door een bedrijf als bedoeld in artikel 3.6, eerste of tweede lid.
3. Bij een verschil tussen de resultaten van beide berekeningen is het voldoende dat uit een van beide berekeningen blijkt dat is voldaan aan de in artikel 5.2, eerste lid, van het besluit bedoelde waarden.
Artikel 3.8
Bij de bepaling van het aandeel hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het besluit mag restwarmte en -koude als bedoeld in NTA 8800 worden meegerekend.
Artikel 3.9
Voor de beoordeling of gebruik gemaakt kan worden van artikel 5.2, derde lid, van het besluit, wordt gebruikgemaakt van het stappenplan in de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw) van 7 juli 2020 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/12/17/kostenoptimaliteitsstudie-beng-eisen.
Artikel 3.10
1. Bij toepassing van NTA 8800 is de in paragraaf 5.7 van die norm bedoelde waarde voor oververhitting bij een woonfunctie, niet zijnde een woonwagen of drijvend bouwwerk, voor iedere rekenzone en oriëntatie ten hoogste 1,20.
2. Wanneer de in het eerste lid bedoelde hoogst berekende waarde voor oververhitting bij een woonfunctie niet in een woongebouw meer dan 1,20 is, wordt met een berekening aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in die woonfunctie op jaarbasis niet meer dan 450 is.
3. Wanneer in een woongebouw bij een of meer woningen binnen dat woongebouw de hoogst berekende waarde voor oververhitting meer dan 1,20 is, wordt bij de woning met de hoogst berekende waarde voor oververhitting met een berekening aangetoond dat het aantal gewogen overschrijdingsuren in die woning op jaarbasis niet meer dan 450 is.
4. Bij de berekening, bedoeld in dit artikel, wordt bij toepassing van artikel 3.7 die versie van de software gebruikt op grond waarvan blijkt dat is voldaan aan de in artikel 5.2, eerste lid, van het besluit bedoelde waarden.
5. De berekening, bedoeld in dit artikel, voldoet aan het gestelde in bijlage VII bij deze regeling.
Artikel 3.11
1. Waar in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het besluit wordt verwezen naar de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai is bedoeld de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, internetuitgave 2004.
2. Bij toepassing van het eerste lid wordt voldaan aan de in bijlage VIII van deze regeling opgenomen nadere voorschriften.
Hoofdstuk 3a. Verwarmingssystemen en airconditioningsystemen
Artikel 3a.1
1. De keuring van een ruimteverwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW wordt verricht door een bedrijf met een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de Deelregeling voor stookinstallaties, die deel uitmaakt van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS.
2. Het bedrijf en de opdrachtgever bewaren het keuringsverslag ten minste zes jaar.
Artikel 3a.2
1. De keuring van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW, wordt op basis van het gestelde in bijlage IV bij deze regeling, uitgevoerd door deskundigen met een diploma EPBD A-airconditioningsystemen en een diploma EPBD-B airconditioningsystemen.
2. Het opstellen van het keuringsverslag van een in het eerste lid bedoelde keuring wordt verricht door een deskundige met het diploma EPBD B-airconditioningsystemen.
3. De deskundige registreert de datum van de keuring van het systeem in het bij het systeem behorende logboek.
4. De deskundige stelt het keuringsverslag binnen vier weken na de keuring ter hand van de opdrachtgever.
5. De deskundige en de opdrachtgever bewaren het keuringsverslag ten minste vijf jaar.
Artikel 3a.3
1. Een technisch bouwsysteem dat zowel ruimteverwarming als ruimtekoeling verzorgt en waarbij de warmtegenerator nuttige warmte genereert via het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatie van afvoerlucht of een water- of aardwarmtebron met een warmtepomp wordt alleen gekeurd volgens artikel 3a.2.
2. Een technisch bouwsysteem met een ventiliatiesysteem gecombineerd met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem wordt alleen gekeurd volgens artikel 3a.2.
3. Een ventilatiesysteem als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt alleen gekeurd als dit het primaire afgiftesysteem is voor ruimteverwarming of ruimtekoeling.
Artikel 3a.4
1.
De minister wijst de instellingen aan die zijn belast met:
a. a. het afnemen van het examen; b. b. het afnemen van het herexamen; c. c. het afnemen van het bijscholingsexamen.
2.
Een exameninstelling:
a. a. bezit rechtspersoonlijkheid; b. b. heeft een vestiging in Nederland; c. c. beschikt over voldoende deskundigheid om examens op te stellen en af te nemen; d. d. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld; e. e. beschikt over faciliteiten om examens af te nemen.
3. De minister kan een adviescommissie instellen die de minister adviseert over de beoordeling van de deskundigheid, bedoeld in het tweede lid.
4. De adviescommissie, bedoeld in het derde lid, bestaat uit minimaal drie en maximaal zeven leden.
5. De minister kan aan de aanwijzing van een exameninstelling voorschriften verbinden.
6. De minister kan de aanwijzing intrekken indien een exameninstelling niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.
7. Een exameninstelling stelt een examenreglement en een huishoudelijk reglement vast.
8. Een exameninstelling verstrekt desgevraagd aan de minister alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, die hij voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.
9. Indien een exameninstelling niet voldoet aan een of meer van haar verplichtingen bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.
Artikel 3a.5
1. De minister stelt de inhoud van het examen vast op basis van een voorstel van een exameninstelling.
2. Het examen bestaat uit theorietoetsen en praktijktoetsen.
3. Wanneer een deelnemer bij een of meer onderdelen van het examen in onvoldoende mate voldoet aan de in bijlage V bij deze regeling opgenomen eisen, wordt de deelnemer binnen zes maanden na het examen eenmaal in de gelegenheid gesteld een geheel of gedeeltelijk herexamen te doen.
4. De exameninstelling registreert de uitslagen van de afgelegde examens.
5. De exameninstelling neemt maatregelen om fraude bij het examen te voorkomen.
Artikel 3a.6
1. De exameninstelling bericht de minister binnen drie weken na het examen welke deelnemers voldoen aan de in artikel 3a.5, derde lid, bedoelde eisen.
2. De minister geeft deze deelnemers daarna het diploma EPBD A-airconditioningsystemen of het diploma EBPD B-airconditioningsystemen.
3. Een diploma is vijf jaar geldig vanaf de datum van het examen.
4.
Een diploma vermeldt ten minste:
– – de volledige naam, geboortedatum en geboorteplaats van de houder van het diploma; – – de datum van afgifte en de ondertekening door de minister; – – de geldigheidsduur.
Artikel 3a.7
1.
De minister registreert:
a. a. aan welke personen een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of diploma EBPD B-airconditioningsystemen is afgegeven; b. b. de datum van afgifte van het diploma, bedoeld in onderdeel a; c. c. de geldigheidsduur van het diploma.
2. De minister beheert de registratie en is verwerkingsverantwoordelijke.
3. De gegevens uit de registratie worden door de Minister beschikbaar gesteld op www.rvo.nl.
4. De gegevens in de registratie worden zeven jaar bewaard.
Artikel 3a.8
1. De minister verlengt de geldigheidsduur van een diploma met vijf jaar wanneer een deskundige als bedoeld in artikel 3a.2, lid 2, op grond van een bijscholingsexamen voldoet aan de in bijlage V bij deze regeling opgenomen eisen.
2. Op de in het eerste lid bedoelde verlenging zijn de artikelen 3a.5 tot en met 3a.7 van overeenkomstige toepassing.
3. Een deskundige kan een bijscholingsexamen afleggen tot uiterlijk twee jaar nadat de geldigheidsduur van het diploma is verstreken.
Artikel 3a.9
Het bedrijf respectievelijk de deskundige, bedoeld in de artikelen 3a.1 en3a.2 meldt binnen vier weken nadat de in deze artikelen bedoelde keuring is verricht, deze af bij een door de minister aangewezen instantie.
Hoofdstuk 4. Scheiden bouw- en sloopafval
Artikel 4.1
1.
Onverminderd artikel 1.29, tweede lid, van het besluit worden de categorieën bouw- en sloopafval als bedoeld in artikel 8.9 van het besluit ten minste gescheiden in de volgende fracties:
a. a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst bedoeld in de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen; b. b. teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; c. c. teerhoudend asfalt; d. d. bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; e. e. niet-teerhoudend asfalt; f. f. vlakglas, al dan niet met kozijn; g. g. gipsblokken en gipsplaatmateriaal; h. h. dakgrind; i. i. armaturen; j. j. gasontladingslampen.
2. Gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet gemengd of gescheiden.
3. De fracties, bedoeld in het eerste lid, worden op het bouw- of sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.
4. Het eerste lid, onder d tot en met j, en het derde lid zijn niet van toepassing voor zover de hoeveelheid afval van de betreffende fractie minder dan 1 m^3 bedraagt.
5. In afwijking van het derde lid kunnen de fracties op een andere locatie worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- of sloopterrein naar oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is.
Hoofdstuk 5. Nadere voorschriften omtrent de toepassing van normen
Paragraaf 5.1. Nieuwbouw
Artikel 5.1
Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater.
Artikel 5.1a
Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit.
Artikel 5.2
1. Waar in artikel 3.29 van het besluit wordt verwezen naar NEN 1087 is bedoeld de hoofdstukken 5 en 8 van die norm.
2. Waar in artikel 3.50, tweede lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 1087 is bedoeld de onderdelen 5.1 en 5.3 van die norm.
Artikel 5.3
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:
In vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057 wordt ‘Ae*,i* = A_d,i x C_b,i x C_u,i x C_LTA’ gelezen als:
A _e, * i * = A_d,i x C_b,i x C_u,i.
Artikel 5.3a
Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het besluit.
Artikel 5.4
Waar in artikel 6.20, zevende en achtste lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 2654-1 zijn bedoeld de onderdelen 5 en 6 van die norm.
Artikel 5.5
Waar in artikel 6.23, derde en vijfde lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 2654-2 zijn bedoeld de onderdelen 5, 6 en 7 van die norm.
Artikel 5.6
Waar in de artikelen 3.50, 3.53 en 3.54 van het besluit wordt verwezen naar NEN 2757 is bedoeld:
a. a. NEN 2757-1 voor verbrandingsinstallaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde, en b. b. NEN 2757-2 voor verbrandingsinstallaties met een belasting groter dan 130 kW op bovenwaarde.
Artikel 5.7
Bij toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 6 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ’open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.
Artikel 5.8
Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de volgende waarden voor de correctiefactor C_EPC;mn;U/W
Artikel 5.8a
Waar in artikel 6.24, eerste en vierde lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN-EN 1838 is bedoeld artikel 5.4.5 van die norm.
Artikel 5.8b
Bij toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als:
Artikel 5.8c
Vervallen
Paragraaf 5.2. Bestaande bouw
Artikel 5.9
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:
Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:
Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.
Artikel 5.9a
Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een vergunning voor het bouwen of brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het besluit.
Artikel 5.9b
1. Bij de toepassing van NEN 2575 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een vergunning voor het bouwen of brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het besluit.
2.
Waar in artikel 6.23 van het besluit wordt verwezen naar NEN2575 geldt het volgende:
a. a. het in onderdeel 4, tabel 1, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van toonsignalen van 65 dB geldt alleen voor verkeersruimten. Voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt; b. b. het in onderdeel 4, tabel 2, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van gesproken berichten van 60 dB geldt alleen voor verkeerruimten. Voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt; c. c. onderdeel 12.4.2 Specificatie Luidsprekers is niet van toepassing; d. d. onderdeel 17 Bekabeling is niet van toepassing.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in artikel 6.20 van het besluit, en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 is opgeleverd of gewijzigd.
Artikel 5.10
1. Waar in artikel 2.64 van het besluit is voorgeschreven dat de brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas wordt bepaald volgens NEN 8062 geldt bij de toepassing van onderdeel 4 van die norm dat materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rookgas is samengesteld onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064, voor zover in dat materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. In afwijking van ‘onbrandbaar’ volgens NEN 6064 mogen ook materialen die voldoen aan de brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 zijn toegepast.
2. Bij de toepassing van onderdeel 5 van NEN 8062 geldt dat luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rookgas kleiner is dan 25 m^3/m^2/h.
3. Indien bij het bouwen de voorziening is gerealiseerd met toepassing van NEN 6062 en de bestaande voorziening aan dat normblad voldoet, is voldaan aan het eerste en het tweede lid.
Artikel 5.10a
Vervallen
Hoofdstuk 5a. Onderzoeksverplichting zorgplicht
Artikel 5.11
1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen onderzoekt, of laat onderzoek uitvoeren naar, de staat van galerijflats met uitkragende betonnen galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de betonnen verdiepingsvloeren of gevelbalken.
2. Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig SBR-publicatie 248 ‘Constructieve veiligheid van uitkragende galerijplaten – Tweede herziene uitgave’. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor 1 juli 2017 in een rapport vastgelegd.
3. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd wanneer voor 1 januari 2016 een vergelijkbaar rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag.
Artikel 5.12
1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen onderzoekt, of laat onderzoek uitvoeren naar, de staat van een gebouw met daarin een zwembad dat een badinrichting is als bedoeld in artikel 1 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een te bouwen bouwwerk waarvoor de aanvraag om vergunning voor het bouwen na 1 juli 2016 is ingediend.
3.
Het onderzoek bestaat uit;
a. a. inventarisatie van de dragende metalen delen die zijn toegepast in:
1°.
ruimten met een zwembassin;
2°.
ruimten die in open verbinding staan met een ruimte met een zwembassin;
3°.
ruimten die hetzelfde luchtbehandelingsysteem hebben als de ruimte met een zwembassin;
4°.
overige ruimten met bassinwater en de ruimten die daarmee in open verbinding staan;
1°. 1°. ruimten met een zwembassin; 2°. 2°. ruimten die in open verbinding staan met een ruimte met een zwembassin; 3°. 3°. ruimten die hetzelfde luchtbehandelingsysteem hebben als de ruimte met een zwembassin; 4°. 4°. overige ruimten met bassinwater en de ruimten die daarmee in open verbinding staan; b. b. uitsplitsing van de onder a genoemde ruimten in twee gebieden:
1°.
gebied A dat bestaat uit het zwembassin en de directe omgeving daarvan met als begrenzing het vlak of de vlakken die liggen op maximaal 1,0 m verticaal boven het niveau van het wateroppervlak of van de afgewerkte vloer, glijbanen, springstelling, of soortgelijke voorzieningen en de bijbehorende trappen en het verticale vlak op 1,0 m vanaf de overgang van water naar vloer en rondom glijbanen, springstelling, of soortgelijke voorzieningen en de bijbehorende trappen;
2°.
gebied B dat bestaat uit alle overige gebieden;
1°. 1°. gebied A dat bestaat uit het zwembassin en de directe omgeving daarvan met als begrenzing het vlak of de vlakken die liggen op maximaal 1,0 m verticaal boven het niveau van het wateroppervlak of van de afgewerkte vloer, glijbanen, springstelling, of soortgelijke voorzieningen en de bijbehorende trappen en het verticale vlak op 1,0 m vanaf de overgang van water naar vloer en rondom glijbanen, springstelling, of soortgelijke voorzieningen en de bijbehorende trappen; 2°. 2°. gebied B dat bestaat uit alle overige gebieden; c. c. constatering dat in gebied A geen dragende delen zijn toegepast van niet-resistent roestvaststaal:
1°.
waarvan het bezwijken kan leiden tot persoonlijk letsel;
2°.
die niet direct visueel inspecteerbaar zijn; of
3°.
die zijn voorzien van een coating;
1°. 1°. waarvan het bezwijken kan leiden tot persoonlijk letsel; 2°. 2°. die niet direct visueel inspecteerbaar zijn; of 3°. 3°. die zijn voorzien van een coating; d. d. constatering dat de in gebied A voorkomende dragende delen van niet-resistent roestvaststaal, anders dan bedoeld onder c, geen corrosieverschijnselen hebben; e. e. constatering dat in gebied B geen dragende delen zijn toegepast van niet-resistent roestvaststaal.
4. Onder niet-resistent roestvaststaal wordt verstaan alle roestvaststaalsoorten met uitzondering van de soorten 1.4529, 1.4547 en 1.4565, als bedoeld in NEN-EN 1993-1-4.
5. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een ter zake kundig persoon.
6. De resultaten van het onderzoek worden voor 1 januari 2017 in een rapport vastgelegd.
7. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd wanneer voor 1 juli 2016 een vergelijkbaar rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag waaruit ten minste blijkt dat in de gebieden A en B geen dragende delen van niet-resistent roestvaststaal aanwezig zijn.
Artikel 5.13
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen onderzoekt of laat onderzoek uitvoeren naar de staat van gebouwen met breedplaatvloeren waarin:
a. a. een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt; b. b. 4 of meer bouwlagen zijn opgenomen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, een celfunctie of een woonfunctie voor 24 uurs-zorg, of; c. c. een bijeenkomstfunctie, winkelfunctie, sportfunctie of onderwijsfunctie is opgenomen, die geen nevengebruiksfunctie is, en waarbij in geval van bezwijken van een breedplaatvloer meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar kunnen lopen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op gebouwen die voor 1 januari 2000 gereed zijn gemeld.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de gedeelten van een gebouw met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, anders dan een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.
4. Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het Stappenplan beoordeling bestaande gebouwen met breedplaatvloeren van 20 mei 2019 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/documenten/publicaties/2019/05/22/stappenplan-beoordeling-bestaande-gebouwen-met-breedplaatvloeren.
5. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor 1 april 2021 in een rapport vastgelegd.
6. Met een in dit artikel bedoeld onderzoek en rapport worden gelijkgesteld een ander onderzoek en rapport dat naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoont dat de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren in het gebouw voldoet aan het gestelde in paragraaf 2.1.2 van het besluit.
Hoofdstuk 5b. Kwaliteitsborging voor het bouwen
Artikel 5.14
1.
De in een instrument voor kwaliteitsborging beschreven eisen over de opleiding en ervaring, bedoeld in artikel 1.47 van het besluit, omvatten voor de kwaliteitsborging van bouwwerken onder gevolgklasse 1 ten minste:
a. a. voor werkzaamheden in het kader van risicobeoordelingen, het vaststellen van borgingsplannen en de algemene coördinatie bij kwaliteitsborging:
1°.
een diploma op HBO-niveau;
2°.
kennis van de inhoud en systematiek van het besluit; en
3°.
drie jaar werkervaring als leidinggevende met:
•
het coördineren en organiseren van projecten;
•
het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen;
•
het vaststellen van borgingsplannen; en
•
het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het besluit;
1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van de inhoud en systematiek van het besluit; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring als leidinggevende met:
•
het coördineren en organiseren van projecten;
•
het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen;
•
het vaststellen van borgingsplannen; en
•
het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het besluit;
• • het coördineren en organiseren van projecten; • • het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen; • • het vaststellen van borgingsplannen; en • • het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het besluit; b. b. voor werkzaamheden in het kader van constructieve veiligheid:
1°.
een diploma op HBO-niveau;
2°.
kennis van het besluit met betrekking tot de regels voor constructieve veiligheid; en
3°.
drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het besluit;
•
constructietekeningen en -berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en
•
constructieve bouwmaterialen;
1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van het besluit met betrekking tot de regels voor constructieve veiligheid; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het besluit;
•
constructietekeningen en -berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en
•
constructieve bouwmaterialen;
• • constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het besluit; • • constructietekeningen en -berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en • • constructieve bouwmaterialen; c. c. voor werkzaamheden in het kader van brandveiligheid:
1°.
een diploma op HBO-niveau;
2°.
kennis van het besluit met betrekking tot de regels voor brandveiligheid; en
3°.
vijf jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels voor brandveiligheid van het besluit;
1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van het besluit met betrekking tot de regels voor brandveiligheid; en 3°. 3°. vijf jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels voor brandveiligheid van het besluit; d. d. voor werkzaamheden in het kader van bouwfysica:
1°.
een diploma op MBO4-niveau;
2°.
kennis van het besluit over de regels voor gezondheid, energiezuinigheid en milieu; en
3°.
drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het besluit;
•
bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het besluit; en
•
gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu;
1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het besluit over de regels voor gezondheid, energiezuinigheid en milieu; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het besluit;
•
bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het besluit; en
•
gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu;
• • bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het besluit; • • bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het besluit; en • • gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu; e. e. voor werkzaamheden in het kader van installaties:
1°.
een diploma op MBO4-niveau;
2°.
kennis van het besluit over de regels voor installaties; en
3°.
drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
installaties op het voldoen aan de regels van het besluit; en
•
gelijkwaardige oplossingen in het kader installaties;
1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het besluit over de regels voor installaties; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:
•
installaties op het voldoen aan de regels van het besluit; en
•
gelijkwaardige oplossingen in het kader installaties;
• • installaties op het voldoen aan de regels van het besluit; en • • gelijkwaardige oplossingen in het kader installaties; f. f. voor werkzaamheden in het kader van controle op de bouw:
1°.
een diploma op MBO4-niveau;
2°.
kennis van het besluit; en
3°.
drie jaar werkervaring met het tijdens de uitvoering controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels van het besluit.
1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het besluit; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het tijdens de uitvoering controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels van het besluit.
2. Aan de in het eerste lid beschreven eisen is ook voldaan als door ervaring een aantoonbaar gelijkwaardig kennisniveau is verkregen.
3.
Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat uitvoerenden van werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging:
1°. 1°. beschikken over actuele kennis van het besluit; en 2°. 2°. zich ten minste iedere twee jaar bijscholen op de deelgebieden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5.15
Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat alle gegevens en bescheiden over de werkzaamheden van de kwaliteitsborging van een project ten minste zeven jaar na het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, van het besluit door de kwaliteitsborger worden bewaard.
Artikel 5.16
1.
Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de projectgegevens die de kwaliteitsborger aan een instrumentaanbieder verstrekt, ten minste omvatten:
a. a. de projectnaam en de locatie; b. b. de gevolgklasse en het type bouwwerk; c. c. een beknopte beschrijving van het bouwwerk; d. d. de lokale of kadastrale aanduiding van het bouwwerk; e. e. de projectplanning met ten minste de begindatum en de einddatum van de bouwwerkzaamheden; en f. f. een beschrijving van de onafhankelijke positie van de kwaliteitsborger ten opzichte van de te borgen bouwactiviteit.
2. Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de in het eerste lid, genoemde gegevens en bescheiden uiterlijk twee dagen voor het begin van de bouwwerkzaamheden worden verstrekt.
3.
Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat na afronding van elk project ten minste wordt verstrekt:
a. a. het geactualiseerde borgingsplan, met inbegrip van de risicobeoordeling; en b. b. de verklaring, bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, van het besluit.
Artikel 5.17
Het formulier voor de verklaring, bedoeld in artikel 1.50, vierde lid, van het besluit, is opgenomen in bijlage IX.
Artikel 5.18
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage X.
Artikel 5.19
1.
De bijdrage per instrumentaanbieder voor de toezichtkosten van de toelatingsorganisatie wordt berekend als volgt:
a. a. per instrument wordt een variabele bijdrage in rekening gebracht, gebaseerd op het aantal keren dat het instrument per gevolgklasse wordt toegepast, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een bedrag per woning en een bedrag per overig bouwwerk; en b. b. als peildatum voor het aantal projecten geldt de begindatum van de bouwwerkzaamheden, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie.
2.
De variabele marktbijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt per instrumentaanbieder vastgesteld door middel van de volgende formule, waarbij wordt verstaan onder:
gk: gevolgklasse;
B: totale toezichtkosten toelatingsorganisatie;
W: totaal aantal woningen per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie; en
P: totaal aantal utiliteitsbouw plus infrastructuurprojecten per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1
De Regeling Bouwbesluit 2003 wordt ingetrokken.
Artikel 6.2
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.
Artikel 6.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bouwbesluit 2012.
Bijlage I. behorende bij
Bijlage II. behorende bij
Bijlage IIa. behorende bij
[afbeelding]
Bijlage III. behorende bij
Bijlage IV. behorende bij
Bijlage V. behorende bij
Deze bijlage bevat de exameneisen waaraan moet worden voldaan voor het examen, het herexamen en het bijscholingsexamen EPBD-A en EPBD-B airconditioningssystemen.
Bijlage VI. behorende bij de
Vervallen
Bijlage VII. behorende bij
Bijlage VIII. behorende bij
Bijlage IX. Formulier verklaring kwaliteitsborger
Behorende bij artikel 5.17 van de Regeling Bouwbesluit 2012
VERKLARING BIJ GEREEDMELDING
Kwaliteitsborger
Bedrijfsnaam .....................................
Naam .....................................
Functie .....................................
KvK-nummer .....................................
Adres .....................................
Telefoonnummer.....................................
E-mailadres .....................................
Toegelaten instrument ...................... Reg. nr. Tlokb ......
Initiatiefnemer / indiener bouwmelding
Naam .....................................
Adres .....................................
Kenmerk melding............................. d.d. .. / .. / ..
**Locatie Bouwactiviteit: **..........................
Adres1Indien er geen adres (bekend) is kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie invullen. .....................................
.....................................
Kadastrale aanduiding...................................
Coördinaten bouwwerk(en)................................
Hierbij verklaart ondergetekende dat:
Aldus naar waarheid opgemaakt en ondertekend op ... / ... / .. te ...............
Naam, functie en handtekening2Een gewone handtekening of een elektronische niet gekwalificeerde handtekening volstaat. namens de kwaliteitsborger
Bijlage X. Aanvraagformulier toelating instrument
Behorende bij artikel 5.18 van de Regeling Bouwbesluit 2012
Het aanvraagformulier bevat ten minste onderstaande onderdelen:
A. Aanvraaggegevens [in te vullen door Toelatingsorganisatie]
Registratienummer .........................
Instrumentnaam .........................
Uw referentiecode .........................
Ingediend op .........................
Ingediende bijlagen .........................
B. Aanvrager (instrumentaanbieder):
C. Instrument
D. Toe te voegen bijlagen
Beschrijving van het instrument voor kwaliteitsborging waarin ten minste de onderdelen van paragraaf 1.9.3 van het Bouwbesluit 2012 aan bod komen.
E. Nawoord en ondertekening
Hierbij verklaar ik dat ik de aanvraag naar waarheid heb ingevuld en dat ik weet dat er kosten verbonden kunnen zijn aan het indienen van een aanvraag.
Handtekening aanvrager
Datum .........................
Handtekening .........................