40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
12 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen | BWBR0019584 | ministeriele-regeling | geldend | 2006-02-23 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0019584 | Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen |
Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; b. b. MIT: het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport; c. c. project: project gericht op het opheffen of verminderen van knelpunten rondom het spoor met betrekking tot stedelijke bereikbaarheid en/of een verbetering van de kwaliteit van leefomgeving en/of een verbetering van de veiligheid en/of een positief effect op het spoorgebruik; d. d. spoor: hoofdspoorwegen als aangewezen in het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen en de in onbruik geraakte spoorwegen; e. e. plan: een beschrijving van de werkzaamheden die er toe leiden dat een project gerealiseerd wordt.
Artikel 2
De minister kan op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van een project verstrekken aan gemeenten die aan het spoor gelokaliseerd zijn.
Artikel 3
1. Het totale bedrag van de op grond van deze regeling te verlenen uitkeringen bedraagt € 300 miljoen (prijspeil 2006).
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt, voor zover het de reeds betaalde voorschotten overtreft, jaarlijks geïndexeerd met de Index Bruto Overheidsinvesteringen, met dien verstande dat de indexering niet meer kan bedragen dan het bedrag dat de begrotingswetgever voor die indexering beschikbaar heeft gesteld.
Artikel 4
1. De uitkering bedraagt ten hoogste 25% van de totale kosten van een project met dien verstande dat in de beschikking tot verlening van de uitkering het bedrag staat vermeld waarop de uitkering ten hoogste kan worden vastgesteld.
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag kan niet meer bedragen dan € 40 miljoen per project.
3.
Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren de kosten van:
a. a. studies voor zover die door de minister aanvaardbaar worden geacht; b. b. verwerving van een onroerende zaak voor zover die door de minister aanvaardbaar wordt geacht; c. c. vergunningen en leges voorzover door de minister aanvaardbaar geacht; d. d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van de minister; e. e. materialen; f. f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; g. g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen; h. h. met het project samenhangende door de minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden; i. i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw; j. j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft; k. k. de voorbereiding, administratie en toezicht voor zover gerelateerd aan het project. Het percentage is afhankelijk van de hoogte van de bouwkosten:
I.
Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
II.
Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
III.
Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
I. I. Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%; II. II. Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%; III. III. Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%. l. l. onvoorziene omstandigheden voorzover deze betrekking hebben op de kosten veroorzakende factoren genoemd in de onderdelen a tot en met i, waarbij een maximum geldt van 10%.
4.
Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:
a. a. kosten van algemene bestuurlijke aard; b. b. de kosten die reeds op grond van een andere regeling voor een financiële bijdrage van het Rijk of de Europese Unie in aanmerking komen; c. c. de kosten gemaakt in verband met het verkrijgen van een accountantsverklaring.
5. Indien voor de uitvoering van het project door het Rijk uit andere hoofde bijdragen worden verleend, wordt de uitkering op grond van deze regeling zodanig verlaagd dat de totale bijdrage van het Rijk niet meer dan 50% van de totale kosten bedraagt.
Artikel 5
1. Een gemeente die een aanvraag voor een uitkering wil indienen, maakt dit voor 1 mei 2006 schriftelijk kenbaar aan de minister.
2. De aanvraag voor een uitkering wordt aan de minister gericht en ingediend bij het Directoraat-Generaal Mobiliteit.
3. De aanvraag bevat ten minste een volledig ingevuld aanvraagformulier, zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regeling en is ondertekend door het bestuur van de gemeente.
4. De minister kan bepalen dat er in aanvulling op de in het derde lid bedoelde gegevens, andere voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens worden overgelegd.
5. De aanvraag wordt ingediend vóór 1 juni 2006.
Artikel 6
1.
De uitkering wordt niet verstrekt indien:
a. a. het project of onderdelen van het project zijn opgenomen in het MIT; b. b. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager naast de uitkering onvoldoende financiële middelen ter beschikking staan ter uitvoering van het project; c. c. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten niet zullen worden verkregen; d. d. het project naar het oordeel van de minister strijdig is met het vigerende rijksbeleid; e. e. de uitvoeringswerkzaamheden voor het project al voor publicatiedatum van deze regeling zijn gestart.
2. Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1.
Na het verstrijken van de periode van indiening, bedoeld in artikel 5, worden de aanvragen in rangorde geplaatst. Daarbij worden de aanvragen beoordeeld naar de mate waarin de voorgestelde projecten voldoen aan de volgende criteria:
a. a. de bijdrage aan stedelijke bereikbaarheid; b. b. de bijdrage aan kwaliteit van leefomgeving; c. c. de bijdrage aan veiligheid; d. d. de bijdrage aan het spoorgebruik.
2. De criteria bedoeld in het eerste lid, zijn nader uitgewerkt in bijlage 2 bij deze regeling.
3. Om in de rangorde te kunnen worden opgenomen dient het project in ieder geval een bijdrage te leveren aan de stedelijke bereikbaarheid en een bijdrage aan een van de andere criteria bedoeld in het eerste lid.
4. De rangorde wordt vastgesteld op basis van de verwachte effectiviteit van het project.
5. Nadat de projecten onderling vergeleken en gerangschikt zijn, wordt het plafond verdeeld in volgorde van de projecten met de hoogste score op effectiviteit.
6. Indien in de rangorde een aanvraag aan de orde is, waarvoor een hoger bedrag wordt aangevraagd dan het bedrag dat met toepassing van het plafond resteert, wordt het toe te kennen bedrag bepaald gelijk aan het bedrag dat resteert.
7. De minister wijst de resterende aanvragen af.
Artikel 8
1. De minister beslist op een aanvraag voor een uitkering voor 1 februari 2007.
2. De uitkering wordt toegekend onder de voorwaarde dat voor het deel van de uitkering dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
3. De verstrekte uitkering wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 3, tweede lid.
Artikel 9
De minister kan bij de verstrekking van de uitkering verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. a. het moment waarop de uitkeringsontvanger aanvangt met de uitvoering van het project; b. b. dat de uitkeringsontvanger handelt in overeenstemming met het ingediende project en het daarbij horende plan en het project uitvoert overeenkomstig het ingediende project. c. c. de verantwoording op de uitkering.
Artikel 10
Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. De minister kan in het jaar waarin de uitvoeringswerkzaamheden van het project aanvangen, een voorschot van 100% op de toegekende uitkering verlenen.
2. Het voorschot wordt voor aanvang van de uitvoering van het project betaalbaar gesteld. De uitkeringsontvanger dient hiertoe ten minste vier weken voor de aanvang schriftelijk een verzoek tot betaalbaarstelling in bij de minister.
Artikel 12
1. De uitkeringsontvanger neemt in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, informatie op over het project.
2. Indien in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid is opgenomen dat het project is afgerond, geldt deze mededeling als een aanvraag tot vaststelling van de uitkering.
3. De artikelen 4:46, 4:47 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1. De minister neemt binnen twaalf weken na ontvangst een beslissing op de aanvraag tot vaststelling van de uitkering.
2. Indien de beslissing niet binnen twaalf weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
3. Het bedrag van de uitkering wordt overeenkomstig de vaststelling, binnen 6 weken na vaststelling, betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.
Artikel 14
1. Artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij vaststelling van de uitkering wordt bepaald dat over onverschuldigd betaalde uitkeringsbedragen de rente verschuldigd is welke, ingevolge artikel 11, derde lid, door de Minister van Financiën aan de uitkeringsontvanger is vergoed, vanaf het moment van betaling van het voorschot.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen.
Bijlage 1. als bedoeld in
De aanvraag wordt gericht aan de minister onder vermelding van ‘aanvraag eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen’.
Postadres:
Minister van Verkeer en Waterstaat
Directoraat-Generaal Mobiliteit
Directie Spoorvervoer
Postbus 20901
2500 EX Den Haag
Bij de indiening van de aanvraag dient gebruik gemaakt te worden van onderstaand format. De minister gebruikt bij de beoordeling van de aanvraag de informatie zoals is vermeld in dit format.
Bij de invulling van het format dient de gemeente:
Informatie die niet in het format opgenomen is, wordt niet meegenomen in de beoordeling.
De aanvraag dient door het bestuur van de gemeente ondertekend te worden. Zij staat garant voor de juistheid van de informatie in deze aanvraag.
Een ondertekende aanvraag bestaande uit het format en eventueel onderliggende stukken dient in tweevoud te worden ingediend. Daarnaast dient een elektronische kopie van de aanvraag en eventuele onderliggende stukken te worden bijgevoegd.