40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
5.6 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling gebruik hoogtemeter | BWBR0006076 | ministeriele-regeling | geldend | 1993-08-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006076 | Regeling gebruik hoogtemeter |
Regeling gebruik hoogtemeter
Paragraaf I. Algemeen
Paragraaf . Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Paragraaf . Vliegniveausysteem
Artikel 2
1. Vliegniveau nul is gelegen op het atmosferische drukvlak van 1013.2 hPa. Opeenvolgende vliegniveaus zijn gescheiden door een drukinterval dat overeenkomst met ten minste 500 ft. in de ICAO-standaardatmosfeer.
2. Een vliegniveau wordt aangeduid met de hoofdletters FL gevolgd door een getal, dat overeenkomt met een honderdste deel van de desbetreffende hoogte in voeten in de ICAO-standaardatmosfeer.
Paragraaf . Overgangshoogte en overgangsniveau
Artikel 3
1. De overgangshoogte in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is voor IFR-vluchten 915m (3000 ft) en voor VFR-vluchten 1070m (3500 ft).
2. Het overgangsniveau in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is gelegen op of boven 1220m (4000 ft) boven gemiddeld zeeniveau.
Artikel 4
Het overgangsniveau, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt elk uur vastgesteld door het KNMI en zo snel mogelijk aan de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten doorgegeven.
Paragraaf II. Gebruik hoogtemeter
Paragraaf . Hoogtemeterinstellingsgebieden
Artikel 5
1.
In het vluchtinformatiegebied Amsterdam en de daarbuiten gelegen luchtruimten boven het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn de volgende hoogtemeterinstellingsgebieden ingesteld:
a. a. ASR Amsterdam; b. b. ASR Maastricht; c. c. ASR North Sea South; d. d. ASR North Sea North.
2. Genoemde gebieden worden lateraal begrensd zoals aangegeven in de Luchtvaartgids, ENR 6-1.1.
3.
Het KNMI stelt ten minste elk uur de regionale QNH van de onderstaande gebieden vast en meldt deze zo snel mogelijk aan de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten:
a. a. luchthaven Schiphol; b. b. luchthaven Maastricht Aachen; c. c. lichteiland Goeree; d. d. platform F16-A.
Paragraaf . Hoogtemeterinstelling
Artikel 6
1. Vóór het opstijgen moet ten minste één drukhoogtemeter worden ingesteld op de QNH van de luchthaven.
2. Bij het tijdens de stijgvlucht passeren van de overgangshoogte moet ten minste één drukhoogtemeter zijn ingesteld op de drukwaarde van 1013.2 hPa.
Artikel 7
Tijdens een vlucht op een kruishoogte op of beneden de overgangshoogte moet ten minste één drukhoogtemeter zijn ingesteld op regionale QNH.
Artikel 8
1. Bij het tijdens de daalvlucht passeren van het overgangsniveau moet ten minste één drukhoogtemeter worden ingesteld op QNH van de luchthaven.
2. De in het eerste lid bedoelde instelling op QNH kan reeds vóór het passeren van het overgangsniveau geschieden, indien de betrokken luchtverkeersleidingsdienst – na het verstrekken van de naderingsklaring – toestaat om vlieghoogte uit te drukken in hoogte boven gemiddeld zeeniveau nadat de einddaling is ingezet en wordt voorzien dat boven de overgangshoogte geen horizontale vlucht meer zal plaatsvinden.
Paragraaf III. Kruishoogte
Paragraaf . Algemeen
Artikel 9
Kruishoogte en andere vlieghoogtes moeten worden uitgedrukt in:
a. a. vliegniveau, voor het deel van de vlucht op of boven het overgangsniveau; b. b. hoogte boven gemiddeld zeeniveau, voor het deel van de vlucht beneden het overgangsniveau.
Paragraaf . Kruishoogtesystemen
Artikel 10
1. Een horizontaal deel van een VFR-vlucht boven 1070m (3500 ft) boven de grond of water moet worden uitgevoerd op een vliegniveau als aangegeven in de bijlage.
2. Een horizontaal deel van een gecontroleerde vlucht binnen een luchtverkeersleidingsgebied moet worden uitgevoerd op een kruishoogte als in de bijlage aangegeven voor een IFR-vlucht.
3. Een horizontaal deel van een IFR-vlucht buiten een luchtverkeersleidingsgebied moet worden uitgevoerd op een kruishoogte als aangegeven in de bijlage.
Paragraaf . Vereenvoudigd kruishoogtesysteem
Artikel 11
1. In afwijking van het gestelde in artikel 10 geldt, binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam en de daarbuiten gelegen luchtruimte tot en met 915m (3000 ft) boven gemiddeld zeeniveau boven het Nederlandse deel van het continentaal plat, de in de bijlage opgenomen vereenvoudigde tabel van kruishoogtes.
2.
Voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde tabel geldt:
a. a. voor vluchten langs de luchtverkeersroutes A5, B31, UB31, en UG11 de indeling in grondkoersen en onderscheidenlijk 090M°–269M° en 270M° — 089M°; b. b. voor IFR-vluchten op of beneden 915m (3000 ft) de grondkoers van het belangrijkste deel van de vlucht.
Artikel 12
Van het gestelde in artikel 11, tweede lid, onder b, kan de betreffendeluchtverkeersdienst afwijken door het buiten toepassing te verklaren dan wel een afwijkende verklaring te verstrekken.
Paragraaf IV. Slotbepaling
Paragraaf . Intrekking bestaande regeling
Artikel 13
De regeling van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst, de Chef van de Marinestaf en de Chef van de luchtmachtstaf van 28 juli 1981/nr. LVB/23871 wordt ingetrokken.
Paragraaf . Inwerkingtreding
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1993.
Paragraaf . Titel
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gebruik hoogtemeter.