40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
13 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Halt 2013 | BWBR0032680 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-06-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032680 | Regeling Halt 2013 |
Regeling Halt 2013
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*de Minister:* de Minister voor Rechtsbescherming;
b. b.
*Halt-bureau:* de rechtspersoon die bij besluit van de Minister als Halt-bureau in de zin van artikel 48f, onder c, Wet Justitie-subsidies, wordt aangewezen;
c. c.
*Halt-afdoening:* een afdoening als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
d. d.
*Halt-verwijzing:* een voorstel van een opsporingsambtenaar tot Halt-afdoening;
e. e.
*jeugdige:* een verdachte in de leeftijd vanaf twaalf tot en met zeventien jaar;
f. f.
*Aanwijzing Halt-Afdoening:* de algemene aanwijzing van het Openbaar Ministerie omtrent Halt-afdoeningen op grond van artikel 77e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
g. g.
*ZSM:* een werkwijze van het Openbaar Ministerie die staat voor een afdoeningstraject dat zorgvuldig, snel en op maat is;
h. h.
*ketenpartners:* het Openbaar Ministerie, de politie, de reclassering, de Raad voor de Kinderbescherming, Slachtofferhulp Nederland en de hulpverlening.
Artikel 2
De rechtspersoon die als Halt-bureau wenst te worden aangewezen, dient hiertoe een aanvraag in bij de Minister.
Artikel 3
De Minister kan een rechtspersoon aanwijzen als Halt-bureau, indien deze minstens voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. a. de rechtspersoon voorziet in een landelijke coördinatie en uitvoering van Halt-afdoeningen; b. b. de rechtspersoon en zijn onderdelen presenteren zich zowel intern, als extern als een zodanig herkenbare entiteit; c. c. de rechtspersoon stelt een begroting, jaarplan, inschatting van het aantal te realiseren Halt-afdoeningen in het komende subsidiejaar en een meerjarenbeleidsplan op; d. d. de rechtspersoon houdt een registratie bij van de Halt-afdoeningen met een onderverdeling naar de toegepaste Halt-modules en van de werkzaamheden in het kader van ZSM; e. e. de rechtspersoon stelt een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vast, zoals beschreven in artikel 19; f. f. de rechtspersoon borgt dat de onder hem werkzame personeelsleden voldoen aan de voor hun beroepsuitoefening geldende opleidings- en registratie-eisen, in overeenstemming met de daartoe door de Minister gestelde nadere regels.
Artikel 4
1. Indien een Halt-bureau niet langer voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3 of de overige bepalingen in deze regeling niet in acht neemt, dan kan de Minister besluiten de aanwijzing als Halt-bureau voor een periode van zes maanden op te schorten.
2. Indien het Halt-bureau na de periode van opschorting zoals vermeld in het eerste lid nog steeds niet voldoet aan de gestelde voorwaarden of de overige bepalingen in deze regeling niet in acht neemt, dan kan de Minister besluiten de aanwijzing als Halt-bureau in te trekken.
Artikel 5
1. Het Halt-bureau is verplicht desgevraagd informatie met betrekking tot de organisatie en werkzaamheden van het Halt-bureau aan de Minister te verstrekken.
2. In aanvulling op het eerste lid kan de Minister tevens inzage vorderen van andere gegevens en bescheiden van het Halt-bureau, voorzover dat voor de uitoefening van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 6
1. Het Halt-bureau doet Halt-verwijzingen af conform het Handboek Halt.
2. Het Handboek Halt wordt in overleg met de Minister vastgesteld.
Artikel 7
1. Het Halt-bureau informeert en adviseert op ZSM-locaties de ketenpartners in de strafrechtketen in het kader van afdoeningstrajecten voor jeugdigen omtrent een Halt-afdoening.
2.
In het kader van een Halt-afdoening:
a. a. voert het Halt-bureau één of meerdere Halt-modules uit, en b. b. bepaalt het Halt-bureau de invulling van de Halt-afdoening en samenstelling van de modules op basis van het type delict, de strafmaat die conform de Aanwijzing Halt-Afdoening aan het type delict is gekoppeld, de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, de relevante contextinformatie van de jeugdige en op basis van de behoefte van eventuele slachtoffers.
3. Het Halt-bureau innoveert en ontwikkelt zich ter borging van de kwaliteit en de continuïteit van de uitvoering van Halt-afdoeningen. Het Halt-bureau evalueert daartoe jaarlijks zijn eigen processen en verbetert deze zo nodig.
Artikel 8
1. Als het Halt-bureau constateert dat een Halt-verwijzing niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in de Aanwijzing Halt-Afdoening, dan zal het Halt-bureau de Halt-verwijzing niet in behandeling nemen.
2. Als daartoe aanleiding bestaat, kan het Halt-bureau, zelfs indien de Halt-verwijzing wel voldoet aan de voorwaarden genoemd in de Aanwijzing Halt-Afdoening, besluiten om de Halt-verwijzing niet in behandeling te nemen.
3. Het Halt-bureau zal altijd negatief terugmelden aan de betrokken opsporingsambtenaar, als het Halt-bureau besluit om een Halt-verwijzing conform het tweede lid niet in behandeling te nemen.
4. Een niet in behandeling genomen Halt-verwijzing komt niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 9
1.
Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar dient het Halt-bureau een subsidieaanvraag in. De aanvraag omvat:
a. a. de begroting en het jaarplan voor het komende subsidiejaar inzake de werkzaamheden, bedoeld in artikel 7; b. b. een inschatting van het aantal te realiseren Halt-afdoeningen in het komende subsidiejaar, met een onderbouwing van de in de verschillende typen Halt-modules. c. c. een meerjarenbeleidsplan voorzien van een onderbouwde meerjarenbegroting met een financieel overzicht van de inkomsten en uitgaven.
2. De begroting, bedoeld in onderdeel a van het eerste lid, behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de werkzaamheden waar het Halt-bureau subsidie voor vraagt.
3. De inschatting van het aantal Halt-afdoeningen, bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, dient te zijn gebaseerd op de behoefte aan de uitvoering van Halt-afdoeningen binnen de diverse arrondissementen.
Artikel 10
1. De Minister geeft de beschikking omtrent subsidieverlening voor 31 december in het jaar voorafgaand aan het komende subsidiejaar af.
2. Ten behoeve van de landelijke coördinatie en uitvoering van Halt-afdoeningen verstrekt de Minister ieder kwartaal een voorschot op het bedrag van de subsidieverlening.
3. De Minister kan afwijken van de onder het vorige lid bedoelde voorschotten indien tussenrapportages of onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven, dan wel indien de tussenrapportages te laat zijn ontvangen.
Artikel 11
1.
De jaarrekening van het Halt-bureau dient te bestaan uit:
a. a. de balans met daarin het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen; b. b. de exploitatierekening; c. c. een voorstel voor dotatie aan de egalisatiereserve bedoeld in artikel 15, eerste lid.
2. De jaarrekening dient te zijn voorzien van een toelichting op tenminste de onderdelen genoemd in het eerste lid.
3.
De jaarrekening dient in samenhang met het activiteitenverslag een zodanig inzicht te geven dat de Minister een verantwoord oordeel kan vormen omtrent:
a. a. de werkelijke kosten ten behoeve van de Halt-afdoeningen; b. b. de werkelijke uitgaven voor de activiteiten uit het jaarplan waarvoor subsidie is verleend; c. c. de werkelijke uitgaven voor de reguliere bedrijfsvoering; d. d. het vermogen van het Halt-bureau en het exploitatiesaldo; e. e. de solvabiliteit en de liquiditeit van het Halt-bureau, voor zover de aard van de jaarrekening dit toelaat.
Artikel 12
Het activiteitenverslag van het Halt-bureau beschrijft in samenhang met de jaarrekening in ieder geval:
a. a. het totaal aantal afgehandelde Halt-verwijzingen, onderverdeeld naar de verschillende Halt-modules; b. b. de vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde beleidsvoornemens, de eventueel daarbij behorende prestatie-indicatoren en een toelichting op de belangrijkste verschillen; c. c. de vergelijking tussen de geplande versus de gerealiseerde besteding van de subsidie voor de reguliere bedrijfsvoering; d. d. de uitvoering van de prioriteiten die de Minister heeft gesteld ten aanzien van de uitgevoerde werkzaamheden; e. e. de wijze waarop het Halt-bureau met de verwachte knelpunten ten aanzien van de uitvoering van het jaarplan is omgegaan.
Artikel 13
1.
Ingevolge artikel 48f van de Wet Justitie-subsidies dient het Halt-bureau binnen dertien weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij de Minister in waarin het volgende is opgenomen:
a. a. de bescheiden, bedoeld in artikel 11 en 12; b. b. een verklaring van een accountant omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, het activiteitenverslag en een rapport van controlebevindingen afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 14
1. De Minister kan op verzoek van het Halt-bureau een voorziening toestaan. Hiertoe dient het Halt-bureau bij de subsidieaanvraag of uiterlijk voorafgaand aan het opstellen van de jaarrekening bij de Minister een gemotiveerde aanvraag in.
2. Het Halt-bureau kan binnen het financiële kader dat door de Minister wordt vastgesteld een egalisatiereserve opbouwen ten behoeve van de werkzaamheden van Halt-verwijzingen, bedoeld in artikel 7.
3. Het Halt-bureau dient ter verantwoording de egalisatiereserve en voorzieningen voldoende zichtbaar te maken in de balans. In de stand van het eigen vermogen en voorzieningen dient in ieder geval het onderscheid tussen repressie en preventie zichtbaar te zijn.
4. Bij beëindiging van de subsidie aan het Halt-bureau komen de op dat moment aanwezige reserves aan de Staat toe voor zover deze reserves zijn gevormd met subsidie ten behoeve van de werkzaamheden van het Halt-bureau, bedoeld in artikel 7.
Artikel 15
1. De jaarlijkse dotatie aan de egalisatiereserve mag niet meer dan 2% van de vastgestelde subsidie in dat boekjaar bedragen.
2. Exploitatieresultaten komen ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve van het Halt-bureau.
3. De egalisatiereserve mag uitsluitend worden aangewend voor uitgaven die in overeenstemming zijn met het activiteitenplan van het Halt-bureau en anders uitsluitend na toestemming van de Minister.
4. De totale omvang van de egalisatiereserve zal ten hoogste 10% bedragen van de subsidie die in dat jaar is verstrekt.
Artikel 16
1. Het Halt-bureau informeert de Minister uiterlijk vier weken na iedere vier maanden en na afloop van het subsidiejaar over de uitvoering van de verschillende activiteiten die in het jaarplan staan vermeld voor zover deze zijn vastgelegd in managementafspraken.
2. Het Halt-bureau geeft in ieder geval een inhoudelijke en financiële toelichting ten aanzien van de verschillen met de vorige periode van vier maanden en de planning voor het betreffende jaar.
3. Het Halt-bureau verstrekt de informatie genoemd in het eerste lid aan de hand van het informatieprotocol voor het betreffende jaar.
Artikel 17
Het Halt-bureau schakelt een accountant in die bij zijn controle tevens de aanwijzingen volgt uit het accountantsprotocol dat onder verantwoordelijkheid van de Minister wordt opgesteld.
Artikel 18
1. Het Halt-bureau zal periodiek, namelijk eens per twee jaar, de stand van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de Halt-afdoeningen in beeld brengen aan de hand van een zelfevaluatie.
2. Het Halt-bureau zal voor de zelfevaluatie genoemd in het eerste lid het model voor zelfevaluatie en audit gebruiken dat wordt afgestemd met de Minister.
3. Onder verantwoordelijkheid van de Minister kan een auditteam worden samengesteld, dat een toets op de validiteit en betrouwbaarheid van de zelfevaluatie uitvoert.
Artikel 19
1. Het Halt-bureau stelt voor zijn medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
2. Binnen vier weken na de vaststelling van de meldcode informeert het Halt-bureau de Minister hierover.
3. Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld, zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
4. Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
5. Het Halt-bureau bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode onder zijn medewerkers.
Artikel 20
De Regeling Halt van 17 november 2009 en de Aanwijzingsregeling Halt-bureaus van 6 juli 2007 worden ingetrokken.
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Halt 2013.