rijk/ministeriele-regeling/regeling-handel-in-emissierechten/BWBR0032413/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

58 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling handel in emissierechten BWBR0032413 ministeriele-regeling geldend 2014-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0032413 Regeling handel in emissierechten

Regeling handel in emissierechten

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    • biomassa: * de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;
    • biomassabrandstof: * gasvormige of vaste brandstof geproduceerd uit biomassa;
  • brandstoffen waarvoor het nultarief geldt: brandstoffen als bedoeld in artikel 3, punt 23, quinqies, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie;
  • CDM-projectactiviteit: projectactiviteit als bedoeld in artikel 16.46b, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
  • CDM-raad: raad van bestuur van het mechanisme voor schone ontwikkeling, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Protocol van Kyoto;
    • conformiteitsbeoordelingsverklaring: * verklaring, afgegeven door een conformiteitsbeoordelingsinstantie, dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de daarin gespecificeerde biomassa is geproduceerd op een wijze die voldoet aan de daarop van toepassing zijnde duurzaamheidseisen die in de verklaring zijn gespecificeerd;
    • erkende conformiteitsbeoordelingsinstantie: * conformiteitsbeoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen;
  • geaccrediteerde onafhankelijke entiteit: entiteit die is aangewezen volgens de procedure, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 9/CMP.1, Bijlage, sectie E;
    • houtige biomassa: * biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van NTA 8003:2017;
  • in aanmerking komende vliegtuigbrandstoffen: duurzame vliegtuigbrandstoffen en andere vliegtuigbrandstoffen die niet van fossiele brandstoffen zijn afgeleid, als bedoeld in artikel 3 quater, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
  • JI-projectactiviteit: projectactiviteit als bedoeld in artikel 16.46b, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
  • Kyotorekening: rekening in het PK-register, bedoeld in artikel 5 van Verordening EU-register handel in emissierechten;
  • meetverantwoordelijke partij: meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
  • minister: Minister van Klimaat en Groene Groei;
  • multilaterale ontwikkelingsbank: African Development Bank, Asian Development Bank, Caribbean Development Bank, Council of Europe Development Bank, Europees Investeringsfonds, Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, Europese Investeringsbank, Inter American Development Bank, Inter-American Investment Corporation, International Bank for Reconstruction and Development en International Finance Corporation, Multilateral Investment Guarantee Agency of Nordic Investment Bank;
  • nalevingsrapport hydro-elektrische projectactiviteiten: rapport als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onderdeel g, onder 1°;
  • onjuiste opgave: omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag, met uitzondering van de toelaatbare onzekerheid;
  • operationele instelling: instelling die is aangewezen volgens de procedure, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 3/CMP.1, Bijlage, sectie D;
    • pellet: * tot vaste brokken samengeperst materiaal in grootteorden van enkele cm; 1°. rekeninghouder: houder van een

        1°.
        exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten;
      
      
        2°.
        vliegtuigexploitantrekening als bedoeld in artikel 15 van de Verordening EU-register handel in emissierechten;
      
      
        3°.
        handelsrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten;
      
      
        4°.
        Kyotorekening;
      
      
        5°.
        maritieme-exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 15bis van de Verordening EU-register handel in emissierechten; of
      
      
        6°.
        rekening voor een gereglementeerde entiteit als bedoeld in artikel 15ter van de Verordening EU-register handel in emissierechten;
      

1°. 1°. exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten; 2°. 2°. vliegtuigexploitantrekening als bedoeld in artikel 15 van de Verordening EU-register handel in emissierechten; 3°. 3°. handelsrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten; 4°. 4°. Kyotorekening; 5°. 5°. maritieme-exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 15bis van de Verordening EU-register handel in emissierechten; of 6°. 6°. rekening voor een gereglementeerde entiteit als bedoeld in artikel 15ter van de Verordening EU-register handel in emissierechten;

    • richtlijn (EU) 2018/2001: * Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328);
    • RVO: * Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
  • subinstallatie: productenbenchmark-, warmtebenchmark-, stadsverwarming-, brandstofbenchmark- of procesemissies-subinstallatie als bedoeld in artikel 2 van Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
  • Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau: Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1842 van de Commissie van 31 oktober 2019 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de verdere regelingen voor de aanpassingen van de kosteloze toewijzing van emissierechten als gevolg van veranderingen in het activiteitsniveau betreft (PbEU 2019, L282);
  • Verordening (EU) 648/2012: Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PbEU 2012, L 201);
  • wet: Wet milieubeheer.

Artikel 1a

Deze regeling berust mede op richtlijn nr. 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto (PbEU L 338), op het op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110) en op de artikelen 16.46b, vierde en achtste lid, van de wet.

Artikel 1b

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit per gereglementeerde entiteit de allocatie- en reconciliatiegegevens, die het bestuur van de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen of het gasverbruik door gereglementeerde entiteiten juist en volledig is gerapporteerd.

Artikel 2

1. De vluchten, bedoeld in bijlage I, onder Luchtvaart, tweede alinea, onder b, en de derde alinea onder a tot en met c, f, g, i en j, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, worden geïnterpreteerd volgens bijlage 1 bij deze regeling.

2.

Een commerciële luchtvervoersonderneming die:

a. a. 243 vluchten of meer in een periode van vier maanden uitvoert, en b. b. vluchten met een totale jaarlijkse emissie van 10.000 ton of meer uitvoert,

valt gedurende het gehele kalenderjaar waarin deze drempels worden bereikt of overschreden onder de reikwijdte van afdeling 16.2.2 van de wet.

3. De lokale tijd van vertrek van de vlucht bepaalt welke periode van vier maanden als bedoeld in het tweede lid in aanmerking wordt genomen.

4. Bij de toepassing van het tweede lid worden vluchten als bedoeld in bijlage I, onder Luchtvaart, onder a tot en met i, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3

Voor de toepassing van artikel 2 en de op dat artikel berustende bijlage wordt verstaan onder:

commerciële luchtvervoersonderneming: een commerciële luchtvervoersonderneming als bedoeld in artikel 3, onder p, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

CRCO-vrijstellingscode: code voor vluchten aangewezen door het Centraal Bureau voor routeheffingen van de Eurocontrol-organisatie, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, voor de vrijstelling van vluchten van routeheffingen;

periode van vier maanden: periode van vier maanden, beslaande de maanden januari tot en met april, mei tot en met augustus of september tot en met december;

vlucht: één vluchtsector, zijnde één vlucht of één van een reeks van vluchten die begint op een parkeerplaats van het luchtvaartuig en eindigt op een parkeerplaats van het luchtvaartuig.

Hoofdstuk 2. Monitoring broeikasgasemissies

Afdeling 2.1. Broeikasgasinstallaties

Paragraaf 2.1.1

Artikel 4

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.1 van de wet.

Paragraaf 2.1.2

Artikel 5

1. De aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5 van de wet of de aanvraag tot wijziging, aanvulling of intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 16.20a van de wet, wordt gedaan door of namens degene die de broeikasgasinstallatie, waarop de aanvraag betrekking heeft, exploiteert.

2. Het monitoringsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag.

Artikel 6

1. De aanvraag om een vergunning voor het transport van CO_2, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, bevat gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager van de vergunning degene is die de broeikasgasinstallatie exploiteert als bedoeld in artikel 16.2a, tweede lid, van de wet en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verplichtingen krachtens de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, afdeling 16.2.1 van de wet en deze regeling.

2.

De vergunninghouder voor het transport van CO_2, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, levert bij een melding van een verandering van de naam of adres van de vergunninghouder gegevens waaruit blijkt dat de vergunninghouder degene is die de broeikasgasinstallatie exploiteert

als bedoeld in artikel 16.2a, tweede lid, van de wet en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verplichtingen krachtens de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, afdeling 16.2.1 van de wet en deze regeling.

Artikel 7

Een monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 7a

Voor het vereenvoudigd monitoringsplan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 7b

1. De broeikasgasinstallatie die op grond van artikel 27bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten op verzoek van de exploitant is uitgesloten van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten monitort de emissies van de broeikasgasinstallatie.

2.

De exploitant past bij de monitoring van de emissies de volgende methoden en niveaus toe:

a. a. de standaardmethoden, genoemd in artikel 24, eerste en tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel; b. b. voor de activiteitsgegevens en de berekeningsfactoren minimaal niveau 1 zoals genoemd in bijlage II van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel; c. c. voor de emissies van rookgasreiniging een van de methoden zoals genoemd in bijlage IV, punt 1, onder C, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, en d. d. voor de emissies van fakkels de methode zoals genoemd in bijlage IV, punt 1, onder D, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel en minimaal niveau 1.

3. Indien de broeikasgasinstallatie in enig kalenderjaar 2.500 ton of meer CO2-equivalenten aan emissies heeft uitgestoten, meldt de exploitant van de broeikasgasinstallatie dit binnen vier weken schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit.

4. Indien de overschrijding plaatsvindt in de maand december van enig jaar, wordt de melding uiterlijk op 31 januari van het daarop volgende kalenderjaar gedaan.

Artikel 7c

Voor het verzoek als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 8

1. De in artikel 12 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel bedoelde ondersteunende documenten alsmede het in artikel 33 van die verordening bedoelde bemonsteringsplan worden met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 12 van die verordening ingediend.

2. Het bewijs dat een niet geaccrediteerde meetinstantie aan de eisen in artikel 34 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel voldoet, wordt met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 12 van die verordening ingediend.

3. Het bestuur van de emissieautoriteit kan degene die de broeikasgasinstallatie exploiteert verzoeken de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten gebundeld aan te leveren.

4. Het bestuur van de emissieautoriteit kan een andere termijn voor de indiening van de documenten vaststellen.

Paragraaf 2.1.3

Artikel 9

1. In het geval van de verbranding van aardgas dat in een landelijk of regionaal gasnetwerk wordt gebruikt, mag degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert voor de bepaling van de emissiefactor voor de bronstroom aardgas, waarop niveau 3 als bedoeld in onderdeel 2.1 van bijlage II bij de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van toepassing is, een standaardemissiefactor gebruiken die jaarlijks door de Minister wordt gepubliceerd.

2. Indien in het monitoringsplan gebruik wordt gemaakt van de Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO_2-emissiefactoren wordt hiermee de lijst bedoeld die door de Minister is gepubliceerd in hetzelfde jaar als het jaar waarop de monitoringsrapportage betrekking heeft.

Artikel 10

1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie waar biomassa wordt gebruikt voor verbranding toont aan dat de voor verbranding gebruikte biomassa voldoet aan het bepaalde in artikel 38, vijfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, middels een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring op basis van conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering.

2. Jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaringen worden afgegeven door een erkende conformiteitsbeoordelingsinstantie op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 7ba van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie.

3.

Conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering worden afgegeven op grond van:

a. a. een certificatieschema, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat dit accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van richtlijn (EU) 2018/2001; of b. b. een nationaal schema, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden.

4.

In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, maakt een exploitant, die voor verbranding onder andere gebruik maakt van biomassa in de vorm van pellets, ten behoeve van voor verbranding gebruikte vaste biomassa gebruik van een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 4 van de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, op basis van:

a. a. conformiteitsbeoordelingsverklaringen die per levering worden afgegeven op grond van een certificatieschema, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat dit accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van richtlijn (EU) 2018/2001; of b. b. conformiteitsbeoordelingsverklaringen die per levering worden afgegeven op grond van een nationaal schema, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden.

5. In afwijking van het vierde lid, kan een exploitant voor de verbranding van biogene afval- en reststromen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 tot en met 31 december 2025 gebruik maken van conformiteitsbeoordelingsverklaringen die per levering worden afgegeven op grond van een certificeringsschema als bedoeld in artikel 10 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen dat is goedgekeurd voor biogene afval- en reststromen.

6.

In afwijking van het eerste lid kan een exploitant die voor verbranding gebruik maakt van biomassa zijnde:

a. a. niet-vloeibare afval- of reststromen die niet van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw afkomstig zijn; b. b. vloeibare afval- of reststromen uit verwerking of verbranding van duurzame biomassa in de eigen broeikasgasinstallatie; of c. c. afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt tot biomassabrandstof,

door middel van een procedure beschreven in het monitoringsplan aantonen hoe de voor verbranding gebruikte biomassa voldoet aan artikel 38, vijfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel.

7. Indien een exploitant of een gereglementeerde entiteit de biomassafractie bepaalt aan de hand van aankoopbescheiden van biogas overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, staat op het aankoopbescheiden vermeld of de biomassa voldoet aan artikel 38, vijfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel.

8. Een exploitant of een gereglementeerde entiteit boekt de aankoopbescheiden van biogas af in het kalenderjaar waarin de exploitant de biomassafractie bepaalt met de aankoopbescheiden overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel.

Artikel 11

Goedkeuring van het bemonsteringsplan, bedoeld in artikel 33 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, wordt door het bestuur van de emissieautoriteit onthouden, indien dit plan niet voldoet aan de daaraan in die verordening gestelde eisen.

Artikel 12

1. Een laboratorium als bedoeld in de artikelen 34 en 42, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel dat in opdracht van degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert werkzaamheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van die genoemde verordening verricht, voert die werkzaamheden uit overeenkomstig die verordening en het voor die broeikasgasinstallatie geldende monitoringsplan.

2. Het is voor een laboratorium verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

Artikel 13

1. Degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een parallelmeting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zal worden uitgevoerd en het laboratorium dat de meting uitvoert. Voor de melding wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

2. Indien een parallelmeting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel geen doorgang vindt, wordt dit elektronisch gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop deze meting zou worden uitgevoerd.

Artikel 14

Indien degene die de broeikasgasinstallatie exploiteert geen gebruik maakt van de resultaten van een parallelle meting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden aan het bestuur van de emissieautoriteit onder opgave van redenen. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

Paragraaf 2.1.4

Artikel 15

1. Onder significante wijzigingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel worden tevens verstaan veranderingen van de wijze waarop activiteitsgegevens en berekeningsfactoren worden bepaald.

2. De melding van wijzigingen van het monitoringsplan die niet significant zijn, wordt gedaan voor 31 december van de verslagperiode, bedoeld in artikel 3, onder 12, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

Artikel 16

Tijdelijke wijzigingen van het monitoringsplan, bedoeld in artikel 23 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden binnen vijf dagen na het ontstaan van de tijdelijke wijziging gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 16a

Een situatie als bedoeld in artikel 16.20c, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet, wordt binnen zes weken na het ontstaan ervan gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 17

Voor de meldingen wordt gebruikgemaakt van door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gestelde standaardformulieren.

Paragraaf 2.1.5

Artikel 18

Voor het emissieverslag wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Paragraaf 2.1.6

Artikel 19

Voor het verificatierapport, bedoeld in artikel 27 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 20

Het verzoek om goedkeuring om geen bezoek af te leggen als bedoeld in artikel 31 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel wordt uiterlijk op 31 december van het jaar waarover verslag wordt uitgebracht ingediend bij het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 21

Vervallen

Afdeling 2.2. Luchtvaartactiviteiten

Paragraaf 2.2.1

Artikel 22

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.2 van de wet.

Paragraaf 2.2.2

Artikel 23

De monitoringsplannen, bedoeld in artikel 52, eerste en tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 24

1. De documenten, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a en b, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden tezamen met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 52 van die verordening ingediend.

2.

De in het eerste lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een vliegtuigexploitant waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, tweede lid, onderdeel a, van de wet de administrerende lidstaat is en die vluchten uitvoert tussen een luchthaven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:

a. a. een luchthaven in dezelfde lidstaat; b. b. een andere luchthaven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of c. c. een luchthaven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.

3. Het bestuur van de emissieautoriteit kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop deze documenten worden ingediend.

4. Het bestuur van de emissieautoriteit kan een andere termijn voor de indiening van de documenten vaststellen.

Artikel 25

Vervallen

Paragraaf 2.2.3

Artikel 26

1.

Een vliegtuigexploitant die brandstoffen waarvoor het nultarief geldt of in aanmerking komende vliegtuigbrandstoffen gebruikt, dient te beschikken over:

a. a. een bewijs afkomstig van een door de Europese Commissie erkend duurzaamheidssysteem, of b. b. een gelijkwaardig bewijs van duurzaamheid dat gelijkwaardige garanties biedt met betrekking tot de traceerbaarheid van genoemde brandstoffen.

2. Een vliegtuigexploitant verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit of de verificateur het in het eerste lid, onder a of b, vermelde bewijs.

Artikel 26a

1.

Een scheepvaartmaatschappij die brandstoffen gebruikt waarvoor het nultarief geldt dient te beschikken over;

a. a. een bewijs van een door de Europese Commissie erkend duurzaamheidssysteem, of b. b. een gelijkwaardig bewijs van duurzaamheid dat dezelfde garanties biedt met betrekking tot de traceerbaarheid van genoemde brandstoffen.

2. Een scheepvaartmaatschappij verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit of de verificateur het in het eerste lid vermelde bewijs.

Paragraaf 2.2.4

Artikel 27

Het bestuur van de emissieautoriteit beslist omtrent goedkeuring van een monitoringsplan als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage, en de artikelen 16.39d, eerste lid, 16.39j, vierde lid, en 16.39n, tweede lid, tweede volzin, in verbinding met artikel 16.39j, vierde lid, van de wet binnen vier maanden na de dag waarop dit bestuur het ontwerp van het monitoringsplan heeft ontvangen.

Paragraaf 2.2.5

Artikel 28

1. Vliegtuigexploitanten leveren uiterlijk op 31 maart van ieder kalenderjaar een emissieverslag en een aan CORSIA gerelateerd emissieverslag aan bij het bestuur van de emissieautoriteit.

2. Het emissieverslag en het aan CORSIA gerelateerd emissieverslag worden opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 29

1. De aanvraag als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, onder a en b, van de wet geschiedt op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze met gebruikmaking van een standaardformulier dat door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval de geverifieerde emissiegegevens.

Artikel 29a

1.

Vliegtuigexploitanten maken overeenkomstig artikel 16.39sa, eerste en tweede lid, van de wet, melding van de geverifieerde annuleringsrapportage van door de ICAO-raad aanvaarde eenheden bij het bestuur van de emissieautoriteit:

a. a. uiterlijk op 30 april 2025 voor emissies in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023, en b. b. uiterlijk op 30 april 2028 voor emissies in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026.

2. De gegevens worden aangeleverd met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Paragraaf 2.2.6

Artikel 30

Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op luchtvaartactiviteiten.

Afdeling 2.3. Levering van brandstoffen aan de gebouwensector, de wegvervoerssector en overige sectoren

Paragraaf 2.3.1. Toepassingsbereik en algemeen

Artikel 30a

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.2a van de wet.

Artikel 30b

Voor de gereglementeerde entiteit zijn de artikelen 75a, 75b, 75e, tot en met 75t van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van toepassing.

Paragraaf 2.3.2. Vergunning en monitoringsplan

Artikel 30c

1. De aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.39z van de wet of de aanvraag tot wijziging, aanvulling of intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 16.39ab van de wet, wordt gedaan door de gereglementeerde entiteit met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2.

De aanvraag om een vergunning bevat ten minste een beschrijving van:

a. a. de gereglementeerde entiteit; b. b. het type brandstof dat voor verbruik wordt uitgeslagen en dat wordt gebruikt voor verbranding in de sectoren bedoeld in bijlage II van het Besluit handel in emissierechten en de wijze waarop deze brandstoffen tot verbruik worden uitgeslagen; c. c. eindgebruik of de eindgebruikers van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor de activiteiten, bedoeld in bijlage II van het Besluit handel in emissierechten; d. d. de geplande maatregelen voor de monitoring en rapportage van emissies overeenkomstig de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel; e. e. een niet-technische samenvatting van de informatie als bedoeld in de onderdelen a tot en met d.

3. Een monitoringsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag.

Artikel 30d

1. Een monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2. In het geval van verbranding van aardgas dat in een landelijk of regionaal gasnetwerk wordt gebruikt, wordt de emissiefactor gebruikt als bedoeld in artikel 9.

Artikel 30e

Voor het vereenvoudigd monitoringsplan, bedoeld in artikel 75b, eerste lid, in verbinding met artikel 13, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 30f

1. De in artikel 12, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel bedoelde informatie, wordt met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 12 van die verordening ingediend.

2. Het bestuur van de emissieautoriteit kan een andere termijn voor de indiening van de informatie vaststellen.

Artikel 30g

Een vergunning bevat ten minste:

a. a. de naam en het adres van de gereglementeerde entiteit; b. b. een beschrijving van de wijze waarop de gereglementeerde entiteit de brandstoffen tot verbruik uitslaat in de sectoren bedoeld in bijlage II van het Besluit handel in emissierechten; c. c. een lijst van de brandstoffen die de gereglementeerde entiteit tot verbruik uitslaat in de sectoren bedoeld in bijlage II van het Besluit handel in emissierechten; d. d. een monitoringsplan dat voldoet aan de eisen die uit hoofde van Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn vastgesteld; e. e. de rapportagevereisten die uit hoofde van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn vastgesteld; f. f. de verplichting om een hoeveelheid emissierechten in te leveren overeenkomstig het gestelde in artikel 16.39aj van de wet.

Paragraaf 2.3.3. Melden van wijzigingen van het monitoringsplan en met betrekking tot de vergunningsplicht

Artikel 30h

1. De melding van wijzigingen van het monitoringsplan die niet significant zijn, wordt gedaan voor 31 december van de verslagperiode, bedoeld in artikel 3, onder 12, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

2. Tijdelijke wijzigingen van het monitoringsplan, bedoeld in artikel 75g van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden binnen vijf dagen na het ontstaan van de tijdelijke wijziging gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 30i

1. Geplande wijzigingen in de aard van de activiteiten van de gereglementeerde entiteit of de brandstoffen die door haar tot verbruik worden uitgeslagen, waarvoor een aanpassing van de inhoud van de vergunning nodig is, meldt de gereglementeerde entiteit zo spoedig mogelijk, doch niet later dan zes weken nadat de geplande wijziging zich heeft voorgedaan.

2. Handelingen of omstandigheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, van belang voor een goede werking van het systeem van handel in emissierechten, meldt de gereglementeerde entiteit zo spoedig mogelijk.

Artikel 30j

Voor de meldingen, bedoeld in 30h en 30i, wordt gebruikgemaakt van door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gestelde standaardformulieren.

Paragraaf 2.3.4. Emissieverslag en verslag doorberekende kosten eindgebruiker

Artikel 30k

Voor het emissieverslag wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 30l

Het verslag, bedoeld in artikel 16.39af van de wet, wordt ingediend overeenkomstig de vereisten en modellen vastgesteld bij de uitvoeringshandelingen conform artikel 30septies, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.

Paragraaf 2.3.5. Verificatie en het principe van continue verbetering

Artikel 30m

Voor het verificatierapport, bedoeld in artikel 43i van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Afdeling 2.4. Voorkomen dubbeltelling

Artikel 30n

Vervallen

Hoofdstuk 3. Toewijzing broeikasgasemissierechten

Paragraaf 3.1

Artikel 31

Als veiler als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van Verordening inzake tijdstippen, beheer en andere aspecten van veiling van broeikasgasemissierechten, verantwoordelijk voor het veilen van broeikasgasemissierechten voor Nederland, wordt aangewezen het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit.

Paragraaf 3.2. Verstrekken van gegevens ten behoeve van de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode 20212025

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 41a

Deze paragraaf is van toepassing op broeikasgasinstallaties waarin een of meer activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie die is aangewezen in bijlage 1 bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten op grond van artikel 11 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.

Artikel 41b

1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie dient de aanvraag voor de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode 2026-2030 op grond van de gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 10bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten uiterlijk op 30 mei 2024 in bij het bestuur van de emissieautoriteit en nadien om de vijf jaar voor elke volgende periode van vijf jaar.

2. De aanvraag voldoet aan de daaraan in Gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L59) gestelde eisen en bevat alle gegevens die op grond van deze verordening worden verlangd.

3. De aanvraag wordt ingediend op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze met gebruikmaking van een standaardformulier dat door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 41c

1. De exploitant dient het monitoringmethodiekplan op grond van artikel 10bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten uiterlijk op 30 mei 2024 in bij het bestuur van de emissieautoriteit.

2. Het monitoringmethodiekplan voldoet aan de in Gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L59) gestelde eisen en bevat alle gegevens die op grond van deze verordening worden verlangd.

3. Het monitoringmethodiekplan wordt opgesteld en overgelegd op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze met gebruikmaking van een standaardformulier dat door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

4. Het besluit over de goedkeuring van het monitoringmethodiekplan wordt uiterlijk op 31 december 2025 genomen door het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 41d

1. De melding van niet significante wijzigingen in het monitoringmethodiekplan op grond van de gedelegeerde handelingen wordt gedaan uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de wijzigingen zijn aangebracht.

2. De melding van de wijzigingen in het monitoringmethodiekplan wordt gedaan op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze met gebruikmaking van een formulier dat door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

3. Onder significante wijzigingen in het monitoringmethodiekplan als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten worden in ieder geval verstaan veranderingen van de wijze waarop activiteitsniveaus en de andere te rapporteren gegevens worden bepaald.

Artikel 41e

Het op grond van artikel 27 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L334) opgestelde verificatierapport wordt opgesteld en overgelegd op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze en met gebruikmaking van een standaardformulier dat door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 41f

1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie die minder dan 2 500 ton CO2-equivalenten aan emissies heeft gerapporteerd aan het bestuur van de emissieautoriteit, uitgezonderd emissies van biomassa, in elk van de drie jaren voorafgaand aan moment, bedoeld in artikel 27bis, eerste lid, onder a, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, kan de minister verzoeken, met gebruikmaking van het formulier als bedoeld in artikel 41b, derde lid, of, als er geen kosteloze toewijzing van emissierechten wordt aangevraagd, met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier, de broeikasgasinstallatie aan te melden bij de Europese Commissie ten behoeve van uitsluiting van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 27 bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.

2. Het standaardformulier wordt uiterlijk 30 mei 2024 ingediend bij het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 41g

1. Het verslag over het activiteitsniveau als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2. Het verslag bevat naast het activiteitsniveau de in het standaardformulier verlangde aanvullende parameters.

Artikel 41h

1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar waarin het verslag over het activiteitsniveau moet worden ingediend, vaststellen dat dit verslag niet voldoet aan de eisen die hieraan gesteld worden in de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau of de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten. Het bestuur van de emissieautoriteit kan de beslissing voor ten hoogste drie maanden verdagen. Van de verdaging wordt voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het verslag over het activiteitsniveau heeft ingediend. De mededeling omvat de reden voor de verdaging.

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan na het tijdstip, genoemd in het eerste lid, onderscheidenlijk, indien toepassing is gegeven tweede volzin van dat lid, na het tijdstip dat met toepassing van die volzin is vastgesteld alsnog vaststellen dat verslag over het activiteitsniveau niet voldoet aan de eisen van een in het eerste lid genoemde verordening, indien:

a. a. degene die bij het bestuur van de emissieautoriteit een verslag over het activiteitsniveau heeft ingediend, in dat verslag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en verstrekking van juiste of volledige gegevens zou hebben geleid tot de vaststelling van een ander activiteitsniveau b. b. het betrokken verslag over het activiteitsniveau anderszins onjuist was.

3. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, vervalt tien jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid.

4.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan het verslag over het activiteitsniveau van een broeikasgasinstallatie op basis van een conservatieve schatting, in overeenstemming met artikel 3, vierde lid Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau, ambtshalve vaststellen indien:

a. a. het verslag over activiteitsniveau niet tijdig bij de emissieautoriteit is ingediend; b. b. het bestuur van de emissieautoriteit heeft verklaard dat het verslag over het activiteitsniveau niet voldoet aan de eisen van een verordening genoemd in het eerste lid.

Artikel 41i

1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie waarvoor de conditionaliteit voor energiebesparing van toepassing is als bedoeld in artikel 16.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet, toont op uiterlijk 30 april in het jaar van de aanvraag voor kosteloze toewijzing, bedoeld in artikel 41b, en indien relevant op uiterlijk 10 januari in het jaar van indienen van het relevante verslag over het activiteitsniveau, bedoeld in artikel 41g, in een implementatieverslag aan dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, van de Verordening kosteloze toewijzing.

2. De exploitant van een broeikasgasinstallatie dient het implementatieverslag in bij de Minister en maakt voor het implementatieverslag gebruik van een door de Minister beschikbaar gesteld standaardformulier.

3. De Minister beoordeelt of is voldaan aan het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, van de Verordening kosteloze toewijzing en adviseert hierover het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk 1 oktober in het jaar van aanvraag voor kosteloze toewijzing, bedoeld in artikel 41b, en indien relevant, uiterlijk 15 april in het jaar van indienen van het verslag over het activiteitsniveau, bedoeld in artikel 41g.

4. De Minister stelt het implementatieverslag ter beschikking aan de omgevingsdienst, bedoeld in artikel 18.21 van de Omgevingswet, en kan hen in de gelegenheid stellen advies uit te brengen.

Artikel 41j

1. De exploitant van een broeikasgasinstallatie die op grond van artikel 16.28, tweede lid, onderdeel b, een klimaatneutraliteitsplan indient doet dit overeenkomstig artikel 3 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2441 van 31 oktober 2023 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de inhoud en de vorm van de klimaatneutraliteitsplannen die nodig zijn voor de kosteloze toewijzing van emissierechten.

2. Een klimaatneutraliteitsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 41k

De hoeveelheid kosteloze emissierechten voor de producten in Annex I van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens, bedoeld in artikel 16.28, vijfde lid, van de wet, worden verlaagd overeenkomstig de volgende percentages:

Paragraaf 3.3. Toewijzing aan nieuwkomers in de periode 20212025

Artikel 42

Vervallen

Artikel 42a

1. Voor de aanvraag om kosteloze toewijzing van gratis broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, eerste lid, van de wet wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2. De aanvraag voldoet aan de daaraan in de gedelegeerde handelingen gestelde eisen en bevat alle gegevens die op grond van de gedelegeerde handelingen wordt verlangd.

3. De artikelen 41c, tweede lid, en 41d zijn van overeenkomstige toepassing.

4. De minister beslist binnen vier maanden na ontvangst op de aanvraag.

Artikel 42b

1. De exploitant dient het monitoringmethodiekplan op grond van artikel 8 van Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten uiterlijk zes maanden vóór de indiening van het gegevensverslag over een nieuwkomer als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten ter goedkeuring in bij het bestuur van de emissieautoriteit.

2. Het bestuur van de emissieautoriteit besluit binnen vier maanden na ontvangst over de goedkeuring van het monitoringmethodiekplan.

Paragraaf 3.4

Artikel 43

1. Indien de minister voornemens is toepassing te geven aan artikel 16.34a van de wet, levert degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert, die onder de desbetreffende bedrijfstak of deeltak valt, op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit binnen dertien weken na ontvangst van dit verzoek de benodigde gegevens aan ten behoeve van de berekening van de aantallen broeikasgasemissierechten, met het oog op wijziging van het besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten.

2. De gevraagde gegevens gaan vergezeld van een verificatierapport van een verificateur, die is geaccrediteerd voor de van toepassing zijnde activiteitengroepen als bedoeld in Bijlage I van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel.

3. De verificateur handelt overeenkomstig de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel.

Paragraaf 3.4a. Toepassing

Artikel 43a

De gemiddelde marktprijs van een broeikasgasemissierecht, bedoeld in artikel 16.35c, vijfde lid, van de wet, wordt bepaald door de hoeveelheid terug te vorderen broeikasgasemissierechten te vermenigvuldigen met het gemiddelde van de veilingprijs van de tien veilingen waarin de vraag naar broeikasemissierechten in ieder geval leidt tot een veilingprijs boven de reserveprijs, onmiddellijk voorafgaand aan de dagtekening van het dwangbevel, bedoeld in artikel 16.35c, tweede lid, van de wet, waarin Nederland broeikasgasemissierechten heeft aangeboden.

Paragraaf 3.5

Artikel 44

1. Indien de werking van een broeikasgasinstallatie geheel wordt beëindigd als bedoeld in artikel 26 van de Verordening kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de beëindiging.

2. De melding wordt gedaan binnen zes weken nadat de werking van de broeikasgasinstallatie geheel is beëindigd. Indien de werking van de broeikasgasinstallatie geheel is beëindigd in de maand december van enig jaar, wordt de melding gedaan voor 20 januari van het daarop volgende kalenderjaar.

Artikel 45

1. Indien de werking van een subinstallatie van een broeikasgasinstallatie wordt beëindigd, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de beëindiging.

2. De melding wordt gedaan voor 20 januari van het daarop volgende kalenderjaar.

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

1.

Een melding als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit handel in emissierechten, gaat vergezeld van:

a a een bewijs waaruit blijkt dat de reserve, achtervang of parallelle eenheid door een identificeerbare en handhaafbare technische restrictie niet tegelijkertijd in werking kan zijn met andere eenheden, zodanig dat de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I bij het Besluit handel in emissierechten, op geen enkel moment kan worden overschreden, en b. b. een bewijs dat de technische restrictie, bedoeld in onderdeel a, geplaatst is door een meetverantwoordelijke partij indien de technische restrictie is gericht op de verbranding van gasvormige brandstof, dan wel een bewijs dat de technische restrictie geplaatst is door een onafhankelijke gespecialiseerde deskundige indien de technische restrictie is gericht op de verbranding van vloeibare of vaste brandstoffen.

2. In een geval als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit handel in emissierechten, wordt na de melding, bedoeld in het eerste lid, de situatie waarin de restrictie niet naar behoren functioneert of heeft gefunctioneerd met als gevolg dat de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I bij het Besluit handel in emissierechten, op enig moment is overschreden, binnen twee weken na het ontstaan van de overschrijding van de drempelwaarde gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

3. Jaarlijks wordt een controle en test van de werking van de restrictie uitgevoerd.

4. Een door de meetverantwoordelijke partij of een onafhankelijke gespecialiseerde deskundige als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verstrekt bewijs van de controle en test van de werking wordt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit of van een op grond van artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaar overgelegd.

Artikel 49

1. Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 44 en 45, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

2. De melding, bedoeld in artikel 45, gaat vergezeld van een verificatierapport van een verificateur.

Artikel 50

Vervallen

Hoofdstuk 4. Register

Artikel 51

1. De rekeninghouder van een persoonstegoed- of handelsrekening staat, indien het een rechtspersoon betreft, ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, of heeft, indien het een natuurlijk persoon betreft, een permanente verblijfplaats in Nederland.

2. Voor het onderhouden van een persoonstegoed- of handelsrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten of een Kyotorekening is degene op wiens verzoek de rekening is geopend een vergoeding verschuldigd aan de emissieautoriteit.

3. De vergoeding bedraagt per rekening € 400 per kalenderjaar.

4.

Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een centrale tegenpartij, als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 648/2012, die:

a. a. is gevestigd in de Europese Unie, of b. b. is gevestigd in een derde land, mits de centrale tegenpartij is erkend door ESMA, bedoeld in artikel 25 van Verordening (EU) 648/2012.

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

1.

De nationale administrateur kan de rekeninghouder ten minste verzoeken om de volgende gegevens te verstrekken met betrekking tot elke natuurlijke persoon die toegang krijgt tot de rekening:

a. a. een bewijs, waaronder een International Bank Account Number (IBAN) en een bankrekeningnummer, dat deze persoon een open bankrekening heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan wel in een land dat lid is van de Financial Action Task Force; b. b. een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon; c. c. een Verklaring omtrent het Gedrag voor Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien een verzoek om een rekening te openen wordt gedaan door of namens een natuurlijke persoon.

3.

Indien eenverzoek om een rekening te openen wordt gedaan door of namens een rechtspersoon, kan de nationale administrateur ten minste verzoeken om de volgende gegevens te verstrekken:

a. a. met betrekking tot de rechtspersoon:

        1°.
        een Verklaring omtrent het Gedrag voor Rechtspersonen (VOG RP);
      
      
        2°.
        een bewijs, waaronder een International Bank Account Number (IBAN) en een bankrekeningnummer, dat deze persoon een open bankrekening heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan wel in een land dat lid is van de Financial Action Task Force;

1°. 1°. een Verklaring omtrent het Gedrag voor Rechtspersonen (VOG RP); 2°. 2°. een bewijs, waaronder een International Bank Account Number (IBAN) en een bankrekeningnummer, dat deze persoon een open bankrekening heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan wel in een land dat lid is van de Financial Action Task Force; b. b. met betrekking tot elk bestuurslid:

        1°.
        een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon;
      
      
        2°.
        een Verklaring omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft;

1°. 1°. een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon; 2°. 2°. een Verklaring omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft; c. c. met betrekking tot de uiteindelijke begunstigde:

        1°.
        een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon;
      
      
        2°.
        een Verklaring omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft.

1°. 1°. een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon; 2°. 2°. een Verklaring omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft.

Artikel 54

1. De nationale administrateur kan in het belang van de integriteit van het register een verzoek om een tegoedrekening te openen weigeren, indien uit een risicoanalyse van de bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt dat een verhoogd risico bestaat op oneigenlijk gebruik of misbruik van het register of de rekening, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard.

2. De methode op basis waarvan de risicoanalyse plaatsvindt, legt de nationale administrateur ter goedkeuring voor aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 55

Indien een opsporingsdienst een redelijk vermoeden heeft dat met een rekening fraude wordt gepleegd, geld wordt witgewassen, terrorisme wordt gefinancierd of andere ernstige strafbare feiten worden gepleegd, kan die opsporingsdienst de nationale administrateur verzoeken om schorsing van:

a. a. de toegang tot de rekening overeenkomstig artikel 30, derde lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten; b. b. de toegang tot de desbetreffende broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 66, eerste lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten.

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan besluiten de bijschrijving van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten, in overeenstemming met artikel 3, derde lid van Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau op te schorten.

2. De nationale administrateur schrijft de toegewezen broeikasgasemissierechten niet bij indien het bestuur van de emissieautoriteit een besluit tot opschorting van de bijschrijving van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten heeft genomen.

Hoofdstuk 4a. Instemming deelname Kyoto-projecten

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 63

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Artikel 64

1.

De volgende regelingen worden ingetrokken:

a. a. de Regeling aanwijzing veiler broeikasgasemissierechten, b. b. de Regeling interpretatie luchtvaartactiviteiten handel in emissierechten, c. c. de Regeling monitoring handel in emissierechten, d. d. de Regeling register handel in emissierechten, en e. e. de Regeling instemming deelname aan Kyoto-projectactiviteiten.

2. De bepalingen van hoofdstuk 3 van de Regeling monitoring handel in emissierechten, zoals deze laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven van toepassing op de emissies van stikstofoxiden, zolang titel 16.3 van de wet op die emissies van toepassing is.

Artikel 64a

De artikelen 1, 5, 6, 7, 10, 12, 18, 23, 24, 25, 43, 44, 45, 46, 47, 49, 52 en 57, de paragrafen 3.2, 3.2a en 3.3 en de opschriften van afdeling 2.1 en paragraaf 3.2b, zoals die luidden voor 1 juli 2020, en de artikelen 51, 55 en 56, zoals die luidden voor 1 januari 2021, blijven van toepassing op emissies van broeikasgassen in de periode tot 1 januari 2021 en op broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer die zijn toegewezen en verleend of geveild voor de periode tot 1 januari 2021.

Artikel 65

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling handel in emissierechten.

Bijlage 1. behorend bij

Bijlage 2. behorend bij

Vervallen