rijk/ministeriele-regeling/regeling-indicatiestelling-no-risk-polis-en-premiekorting-uwv/BWBR0019296/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

10 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling indicatiestelling no risk polis en premiekorting UWV BWBR0019296 ministeriele-regeling geldend 2005-12-29 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019296 Regeling indicatiestelling no risk polis en premiekorting UWV

Regeling indicatiestelling no risk polis en premiekorting UWV

Artikel 1

Voor de toepassing van de regeling wordt verstaan onder:

aanvraag: het verzoek van een college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 29b, negende lid, van de Ziektewet en artikel 49, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

indicatiestelling: het oordeel van het UWV omtrent de aanwezigheid van een structurele functionele beperking, bedoeld in de artikelen 29b, tweede lid, van de Ziektewet en 49, eerste lid, onderdeel d, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

no risk polis: het recht op ziekengeld van de werknemer, bedoeld in artikel 29b, tweede lid, van de Ziektewet;

premiekorting: de korting, bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef, van de Wet financiering sociale verzekeringen ten behoeve van de werknemer, bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel d, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

Wfsv: Wet financiering sociale verzekeringen;

WWB: Wet werk en bijstand;

ZW: Ziektewet.

Paragraaf 1. De aanvraag

Artikel 2

1. De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring van een of meer deskundigen dat de persoon op wie de aanvraag betrekking heeft een structurele functionele beperking heeft als bedoeld in artikel 29b, tweede lid, van de ZW en artikel 49, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv. De verklaring, bedoeld in eerste zin, vermeldt de gronden waarop het deskundigenoordeel berust.

2. Uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat deze tot stand is gekomen met inachtneming van het Protocol Indicatiestelling WIA gemeentelijke doelgroep.

3. Het onderzoek waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd heeft niet langer dan zes maanden voorafgaand aan de datum waarop die verklaring wordt afgegeven, plaatsgevonden.

4. De aanvraag geschiedt slechts indien de persoon op wie de aanvraag betrekking heeft daarvoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 3

1.

Onder deskundigen als bedoeld in artikel 2 worden verstaan:

a. a. artsen die staan ingeschreven in het register van Sociaal Geneeskundigen, bij de tak arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, dan wel bij de tak verzekeringsgeneeskunde of in het register sociale geneeskunde, bij de hoofdstroom arbeid en gezondheid, van de Sociaal-Geneeskundige Registratiecommissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst; b. b. psychologen die staan ingeschreven als Psycholoog NIP in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen, dan wel als gezondheidszorgpsycholoog in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, en indien zij beschikken over gerichte kennis en ervaring op het gebied van psychodiagnostiek; c. c. arbeidskundigen die in het bezit zijn van een getuigschrift van een opleiding techniek van een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde instelling alsmede van een applicatiecursus VOA-3 van VOA, Vereniging voor bedrijfskunde te Woerden, en ervaring in proces- en arbeidsanalyse hebben; d. d. arbeidsdeskundigen die in het bezit zijn van een getuigschrift arbeidsdeskundige van een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek erkende instelling en beschikt over kennis en ervaring in de proces- en arbeidsanalyse; e. e. arbeidsdeskundigen die in dienst zijn bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de opleiding tot arbeidsdeskundige in de sociale verzekeringen met goed gevolg hebben afgesloten; f. f. arbeids- en organisatiedeskundigen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. Een persoon die een opleiding volgt met het oogmerk aan de criteria, genoemd in de onderdelen a tot en met f van het eerste lid, te voldoen en reeds werkzaam is in het desbetreffende beroep wordt als deskundige aangemerkt.

3. Een deskundige legt de verklaring, bedoeld in artikel 2, af voorzover zijn specifieke deskundigheid dit toelaat.

Paragraaf 2. Voorwaarden indicatiestelling no risk polis en premiekorting

Artikel 4

1.

Het UWV verstrekt de indicatiestelling indien:

a. a. de persoon, op wie de indicatiestelling betrekking heeft, op het moment van de indicatiestelling ten minste twee jaar als werkzoekende bij het UWV is geregistreerd, waarbij deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien hij:

        1°.
        gedurende perioden van korter dan drie maanden in verband met het verrichten van arbeid niet als werkzoekende bij het UWV was geregistreerd; of
      
      
        2°.
        gedurende een periode korter dan twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB is ontheven van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB;

1°. 1°. gedurende perioden van korter dan drie maanden in verband met het verrichten van arbeid niet als werkzoekende bij het UWV was geregistreerd; of 2°. 2°. gedurende een periode korter dan twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB is ontheven van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB; b. b. een college van burgemeester en wethouders ten minste twee jaar verantwoordelijk is geweest voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van de persoon, op wie de indicatiestelling betrekking heeft, waarbij deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien:

        1°.
        de onderbreking van de verantwoordelijkheid korter dan drie maanden in verband met het verrichten van arbeid heeft geduurd; of
      
      
        2°.
        de oorzaak van de onderbreking van de verantwoordelijkheid is gelegen in het feit dat betrokkene gedurende een periode korter dan twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB is ontheven van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB; en

1°. 1°. de onderbreking van de verantwoordelijkheid korter dan drie maanden in verband met het verrichten van arbeid heeft geduurd; of 2°. 2°. de oorzaak van de onderbreking van de verantwoordelijkheid is gelegen in het feit dat betrokkene gedurende een periode korter dan twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB is ontheven van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB; en c. c. voldoende aannemelijk is dat de persoon, op wie de indicatiestelling betrekking heeft, als gevolg van ziekte of gebrek geen functie met een werktijd van meer dan 65% van een reguliere voltijdfunctie met een werktijd van 40 uur per week kan vervullen.

2. De persoon op wie de indicatiestelling betrekking heeft wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, indien hij gedurende ten minste twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB onafgebroken is ontheven van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

3.

Indien de onderbreking van de termijn, bedoeld in het eerst lid, onderdeel a, aanhef,

a. a. verband houdt met het verrichten van arbeid en langer dan drie maanden duurt en geen verband houdt met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, of b. b. geen verband houdt met het verrichten van arbeid of met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB,

worden de termijnen van registratie bij het UWV voor en na de onderbreking samengeteld ten behoeve van de vaststelling van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aanhef.

4.

  • Indien de onderbreking van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef,

          a.
          verband houdt met het verrichten van arbeid en langer dan drie maanden duurt en geen verband houdt met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, of
    
    
          b.
          geen verband houdt met het verrichten van arbeid of met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB,
    

a. a. verband houdt met het verrichten van arbeid en langer dan drie maanden duurt en geen verband houdt met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, of b. b. geen verband houdt met het verrichten van arbeid of met ziekte of gebrek, waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing is verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB,

worden de termijnen waarin een college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk was voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van de betrokken persoon voor en na de onderbreking samengesteld ten behoeve van de vaststelling van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef.

Paragraaf 3. De indicatiestelling

Artikel 5

De indicatiestelling is geldig vanaf de datum van het besluit tot vijf jaar na die datum.

Artikel 6

In het besluit met betrekking tot de indicatiestelling vermeldt het UWV de datum waarop de geldigheid van de indicatiestelling op grond van artikel 5 eindigt.

Artikel 6a

Vervallen

Artikel 7

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 december 2005.

2. Artikel 6a vervalt met ingang van 31 januari 2007.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indicatiestelling no risk polis en premiekorting UWV.