rijk/ministeriele-regeling/regeling-inrichting-landelijk-gebied/BWBR0020800/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

20 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling inrichting landelijk gebied BWBR0020800 ministeriele-regeling geldend 2012-12-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020800 Regeling inrichting landelijk gebied

Regeling inrichting landelijk gebied

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

beheersautoriteit: beheersautoriteit als bedoeld in artikel 27, onderdeel a; betaalorgaan: erkend betaalorgaan als bedoeld in artikel 27, onderdeel b; bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming; bureau beheer landbouwgronden: bureau, bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer; grondwaterkarakteristiek: samenstel van gegevens inzake de langjarig gemiddeld hoogste en de langjarig gemiddeld laagste grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld; infrastructurele voorziening: infrastructurele voorziening als bedoeld in artikel 24 van de wet; Minister: Minister van Economische Zaken; plattelandsontwikkelingsprogramma: plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005, van Nederland; schadeloosstelling: schadeloosstelling als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet;

    verordening (EG) nr. 794/2004: verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (PbEU L 140);

    verordening (EG) nr. 1290/2005: verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 2005 betreffende financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 209);

    verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);

wet: Wet inrichting landelijk gebied.

Hoofdstuk 2. Investeringsbudget landelijk gebied

Paragraaf 2.1. Eisen aan de verslaglegging door de provincies

Artikel 2

1.

Met betrekking tot door gedeputeerde staten te verlenen subsidies ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1698/2005:

a. a. verstrekken gedeputeerde staten alle informatie aan de beheersautoriteit die de beheersautoriteit nodig heeft ter uitvoering van artikel 75 van verordening (EG) nr. 1698/2005; b. b. geschiedt door gedeputeerde staten jaarlijkse verslaglegging aan de beheersautoriteit.

2. De verslaglegging bevat alle gegevens die de beheersautoriteit van de betrokken provincie nodig heeft om het jaarverslag, bedoeld in artikel 82 van verordening (EG) nr. 1698/2005, te kunnen opmaken en het binnen de in die verordening gestelde termijnen te kunnen toezenden aan het Comité van Toezicht, bedoeld in artikel 27a, en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

Met betrekking tot door gedeputeerde staten ten laste van het investeringsbudget uitgevoerde steunmaatregelen als bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verstrekken gedeputeerde staten de Minister jaarlijks alle informatie die deze nodig heeft ter uitvoering van artikel 21 van verordening (EG) nr. 659/1999.

Paragraaf 2.2. Overgang van lopende Rijksverplichtingen

Artikel 4

1.

Als verplichtingen als bedoeld in artikel 93, eerste en derde lid, van de wet worden aangeduid:

a. a. de van voor 1 januari 2007 daterende verplichtingen die voor de Minister, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat alsmede voor de landinrichtingscommissies, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Landinrichtingswet, voortvloeien uit de in bijlage A bij deze regeling genoemde wetten, Ministeriële regelingen en incidentele projectsubsidies, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit subsidieverhoudingen waarbij reeds subsidievaststelling en uitbetaling heeft plaatsgevonden, en met uitzondering van het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures tegen subsidiebeschikkingen die voor 1 januari 2007 zijn ingediend; b. b. de van voor 1 januari 2008 daterende verplichtingen die voor de Minister voortvloeien uit de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit het project Grensmaas, het project Zandmaas Pakket I en de Nadere Uitwerking voor het Rivierengebied, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit subsidieverhoudingen waarbij reeds subsidievaststelling en uitbetaling heeft plaatsgevonden, en met uitzondering van het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures tegen subsidiebeschikkingen die voor 1 januari 2008 zijn ingediend; c. c. de verplichtingen die voor de Minister voortvloeien uit de beschikkingen die zijn verleend ten aanzien van de in bijlage B bij deze regeling genoemde investeringsprojecten als bedoeld in artikel 3 van de Wet Fonds Economische Structuurversterking.

2. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, alsmede de bevoegdheden van de Minister, onderscheidelijk de Staatssecretarissen, genoemd in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, die met deze verplichtingen samenhangen worden per 1 januari 2007 aan gedeputeerde staten overgedragen.

3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, alsmede de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, die met deze verplichtingen samenhangen worden per 1 januari 2008 aan gedeputeerde staten overgedragen.

4. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, alsmede de bevoegdheden van de Minister, die met deze verplichtingen samenhangen, worden per 1 januari 2012 aan gedeputeerde staten overgedragen.

5. Archiefbescheiden van de Minister, de Staatssecretarissen, genoemd in het eerste lid, alsmede van de landinrichtingscommissies, betreffende de verplichtingen die ingevolge het eerste lid overgaan naar gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waarnaar de verplichtingen ingevolge het eerste en tweede lid overgaan, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Paragraaf 2.3. Koopplicht

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 10a

Vervallen

Hoofdstuk 3. Landinrichting

Paragraaf 3.1. Toedeling van grond na onteigening

Artikel 11

1. Gedeputeerde staten nemen een besluit op het verzoek van de onteigende partij, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, om tegen evenredige inbreng van de haar ingevolge de onteigeningswet toekomende schadeloosstelling in aanmerking te komen voor toedeling van vervangende grond op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

2. Gedeputeerde staten wijzen het verzoek af ingeval het belang van de landinrichting zich tegen de toedeling verzet.

3. De toedeling vindt plaats met toepassing van de artikelen 12 tot en met 14.

Artikel 12

1. Indien de onteigening ten behoeve van de realisatie van een infrastructureel werk, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, eerder plaatsvindt dan de toedeling van vervangende grond, bedoeld in artikel 11, besluiten gedeputeerde staten op verzoek van de onteigende partij op grond van artikel 45, eerste lid, van de wet of aan deze grond in tijdelijk gebruik kan worden gegeven. Indien gedeputeerde staten besluiten aan de onteigende partij grond in tijdelijk gebruik te geven, doen zij van hun besluit mededeling aan de deskundigen die op grond van artikel 27 van de onteigeningswet zijn benoemd door de rechtbank die uitspraak doet over de schadeloosstelling.

2. Het bestuursorgaan dat besluit tot de onteigening, bedoeld in het eerste lid, vergoedt aan gedeputeerde staten de kosten die zijn gemoeid met het in tijdelijk gebruik geven van grond op grond van het besluit van gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde kosten worden mede gebaseerd op de schadeloosstelling.

Artikel 13

1. Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van de onteigeningswet, maakt de onteigende partij de op grond van deze uitspraak ontvangen schadeloosstelling binnen vier weken na ontvangst van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 12, tweede lid, over aan gedeputeerde staten.

2. Na ontvangst van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt deze beheerd door gedeputeerde staten.

3. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 14, maakt de wettelijke rente over de periode van het beheer, bedoeld in het tweede lid, deel uit van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 14

1. Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van de onteigeningswet, stellen gedeputeerde staten vast in welke mate de toedeling van vervangende grond, bedoeld in artikel 11, de schade ontstaan door de onteigening, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, compenseert. Voor zover bedoelde toedeling de schade ontstaan door de onteigening niet of niet volledig compenseert, keren gedeputeerde staten de schadeloosstelling uit aan de onteigende partij afhankelijk van de mate waarin geen of geen volledige compensatie heeft plaatsgevonden door bedoelde toedeling.

2. Voor zover de schadeloosstelling op grond van het eerste lid niet wordt uitgekeerd aan de onteigende partij, wordt deze in mindering gebracht op de kosten, bedoeld in artikel 90, derde lid, van de wet, die de gezamenlijke eigenaren in het blok, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, dragen.

3. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, maakt deel uit van de lijst der geldelijke regelingen, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet.

Paragraaf 3.2. Gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming

Artikel 15

De gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de wet, worden bepaald met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 20.

Artikel 16

1. De gelijke hoedanigheid van gronden binnen een blok wordt uiterlijk op het in het artikel 65, tweede lid, van de wet laatstbedoelde tijdstip bepaald.

2. De gelijke hoedanigheid van gronden binnen het blok wordt bepaald, voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3, van het Besluit herverkaveling.

Artikel 17

1.

De gelijke hoedanigheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:

a. a. de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van 1 meter onder het maaiveld, en b. b. de grondwaterkarakteristiek.

2. De gelijke hoedanigheid wordt vastgesteld aan de hand van deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Grondwaterkaart van Nederland met een schaal van 1:25.000.

3. In afwijking van het tweede lid kan de gelijke hoedanigheid worden bepaald aan de hand van bodem- of grondwaterkaarten met een grotere schaal dan 1: 25.000, indien de landinrichting plaatsvindt in een gebied met een minder grote eenvormigheid van de bodemkenmerken of grondwaterkarakteristiek.

4. Indien geen bodemkaart of grondwaterkaart beschikbaar is kan de gelijke hoedanigheid worden vastgesteld op basis van een advies van deskundigen.

Artikel 18

Bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid van gronden blijven de volgende kenmerken van de gronden buiten beschouwing:

a. a. het feitelijke gebruik; b. b. de verkavelingssituatie; c. c. de ontsluitingssituatie; d. d. de beheersing van het oppervlaktewaterpeil; e. e. de mate van egaliteit van het maaiveld; f. f. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen; g. g. de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage; h. h. overige fysieke elementen die het feitelijk gebruik beïnvloeden, en i. i. andere dan agrarische kenmerken.

Artikel 19

1.

Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald aan de hand van een of meer van de volgende kenmerken:

a. a. de ontwateringstoestand; b. b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas; c. c. de stevigheid van de bovengrond; d. d. de verkruimelbaarheid van de bodem; e. e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau; f. f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of g. g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.

2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.

Artikel 20

1. De bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming wordt ingedeeld in ten minste drie klassen.

2. De indeling, bedoeld in het eerste lid, wordt op een kaart vermeld.

Paragraaf 3.3. Ruilverkaveling bij overeenkomst

Artikel 21

1. In een beding van de overeenkomst, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, kunnen de artikelen 60, tweede, derde en vierde lid, 81, tweede, vierde en vijfde lid, en 82, derde en vierde lid, van de wet, van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

2. In de notariële akte van verdeling, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde artikelen in het beding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

Paragraaf 3.4. Ondergrens te heffen omslagkosten

Artikel 22

Het bedrag, bedoeld in artikel 91, derde lid, van de wet, bedraagt € 10,.

Paragraaf 3.5. Overgangsbepalingen landinrichting

Artikel 23

Bij landinrichtingsprojecten waarvoor een landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 van de Landinrichtingswet, onderscheidenlijk een uitwerking van het reconstructieplan als bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden is vastgesteld voor de inwerkingtreding van de wet en die worden voltooid volgens de bepalingen van de wet:

a. a. wordt het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 73 van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de wet; b. b. wordt de uitwerking van het reconstructieplan voorzover hierbij sprake is van herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de wet; c. c. wordt het plan van tijdelijk gebruik, bedoeld in artikel 189, eerste lid, van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het besluit, bedoeld in artikel 45, eerste lid van de wet; d. d. wordt het begrenzingenplan, bedoeld in artikel 131 van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan de onderdelen van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdelen c en d, van de wet; e. e. wordt het toewijzingsbesluit, bedoeld in artikel 133 van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het onderdeel van het inrichtingsplan bedoeld in artikel 28 van de wet; f. f. wordt een wijziging of uitwerking van het landinrichtingsplan als bedoeld in de artikelen 84 en 85 van de Landinrichtingswet gelijkgesteld aan de planwijziging, bedoeld in artikel 18 en 19 van de wet.

Artikel 24

De op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet afgeronde procedureonderdelen en proceduremomenten worden geacht te zijn afgerond overeenkomstig de wet.

Artikel 25

1.

De volgende procedureonderdelen en proceduremomenten, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet nog niet zijn afgerond, worden afgerond overeenkomstig de procedure van de Landinrichtingswet onderscheidenlijk de Reconstructiewet concentratiegebieden:

a. a. de vaststelling, de wijziging en de uitwerking van het landinrichtingsplan, bedoeld in de artikelen 80, 84 en 85 van de Landinrichtingswet; b. b. de uitwerking van het reconstructieplan, bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, voorzover hierbij sprake is van herverkaveling; c. c. de vaststelling van het plan tijdelijk gebruik, bedoeld in artikel 190 van de Landinrichtingswet.

2. Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing op de procedureonderdelen en proceduremomenten die ingevolge het eerste lid zijn afgerond.

Artikel 26

In afwijking van artikel 95, derde lid, van de wet worden de volgende landinrichtingsprojecten voltooid overeenkomstig de procedure van de Landinrichtingswet:

a. a. herinrichting Bodegraven-Noord; b. b. herinrichting Boskoop; c. c. herinrichting IJsselmonde; d. d. ruilverkaveling Land van Maas en Waal; e. e. ruilverkaveling Rijssen.

Hoofdstuk 4. Uitvoeringsbepalingen Verordening Plattelandsontwikkeling

Artikel 27

Vervallen

Artikel 27a

Vervallen

Artikel 27b

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk 4a. Comité van Toezicht ILG

Artikel 28a

Vervallen

Artikel 28b

Vervallen

Artikel 28c

Vervallen

Artikel 28d

Vervallen

Artikel 28e

Vervallen

Artikel 28f

Vervallen

Artikel 28g

Vervallen

Artikel 28h

Vervallen

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 29

Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn aangewezen de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 30

Wijzigt de Regeling herverkaveling.

Artikel 31

Wijzigt de Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken.

Artikel 32

Wijzigt de Regeling versterking recreatie.

Artikel 33

De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:

a. a.

    Beoordelingskader Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouw;

b. b.

    Besluit aanwijzing instellingen versterking recreatie;

c. c.

    Besluit natuurbeheer schaapskuddes;

d. d.

    Infrastructuurregeling glastuinbouwgebieden;

e. e.

    Kaderregeling subsidie pilotprojecten reconstructie;

f. f.

    Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging;

g. g.

    Regeling kavelruil;

h. h.

    Regeling subsidiëring gebiedsgericht beleid en reconstructie concentratiegebieden;

i. i.

    Regeling subsidiëring kwaliteit Groene Hart;

j. j.

    Regeling subsidiëring landinrichting;

k. k.

    Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden;

l. l.

    Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;

m. m.

    Subsidieregeling natuurbeheer 2000;

n. n.

    Subsidieregeling netwerk landelijke wandelpaden.

Artikel 34

1. Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de regelingen en besluiten, genoemd in de artikelen 31 tot en met 33, blijven in stand.

2. Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen en besluiten, genoemd in het eerste lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling.

3.

In zoverre in afwijking van het eerste en tweede lid is op een aanvraag voor subsidie voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in bijlage 23 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zoals die luidde tot 15 november 2006, bijlage 23a van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de provincie waarin de betrokken beheerseenheid is gelegen van toepassing als is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. a. de aanvraag is ingediend in de periode van 1 december 2005 tot en met 31 januari 2006; b. b. voor de betrokken beheerseenheid is over het tijdvak 2000-2006 subsidie verleend voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in bijlage 23, zoals die luidde tot 25 oktober 2003.

Artikel 34a

Deze regeling berust mede op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies.

Artikel 35

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007.

Artikel 36

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inrichting landelijk gebied.

Bijlage A. behorend bij

Bijlage B. behorend bij