rijk/ministeriele-regeling/regeling-kwaliteitsafspraken-mbo-20242027/BWBR0047959/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

34 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling kwaliteitsafspraken mbo 20242027 BWBR0047959 ministeriele-regeling geldend 2023-03-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0047959 Regeling kwaliteitsafspraken mbo 20242027

Regeling kwaliteitsafspraken mbo 20242027

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvullende bekostiging: aanvullende middelen als bedoeld in artikel 2.2.3 van de wet;
  • adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 7;
  • analyseonderdelen: analyseonderdelen als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen analyseonderdelen;
  • basisberoepsopleiding: basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet;
  • doelstellingen: doelstellingen als genoemd in bijlage 2;
  • eerste tranche: kwaliteitsagendas die uiterlijk op 30 juni 2023 zijn ingediend;
  • externe samenwerkingspartners: externe samenwerkingspartners als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b;
  • indicatoren: indicatoren als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen indicatoren;
  • instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
  • interne samenwerkingspartners: de studenten en het personeel van de instelling;
  • kwaliteitsagenda: kwaliteitsagenda als bedoeld in artikel 6;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • niet-randstadinstellingen: instellingen, niet genoemd in bijlage 1;
  • randstadinstellingen: instellingen als genoemd in bijlage 1;
  • rijksbijdrage: rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB;
  • tweede tranche: kwaliteitsagendas die na 30 juni 2023 maar uiterlijk op 1 oktober 2023 zijn ingediend;
  • werkagenda mbo: werkagenda mbo van 14 februari 2023, te vinden op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z02606&did=2023D06060, inclusief het stagepact, te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/02/14/stagepact-mbo;
  • wet: Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3

De minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 aanvullende bekostiging verstrekken ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht:

a. a. de doelstellingen uit de werkagenda mbo op het gebied van kansengelijkheid, aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het versterken van de onderwijskwaliteit te realiseren; b. b. de hiervoor benodigde samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners te verdiepen of verbreden; en c. c. gezamenlijk hiervan te leren.

Artikel 4

Voor het verstrekken van de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling zijn de volgende bedragen beschikbaar:

a. a. voor het kalenderjaar 2024 € 704.330.000,; b. b. voor het kalenderjaar 2025 € 538.984.000,; c. c. voor het kalenderjaar 2026 € 538.984.000,; en d. d. voor het kalenderjaar 2027 € 540.033.000,.

Artikel 5

1. Indien de door het bevoegd gezag ingediende aanvraag voor aanvullende bekostiging wordt toegewezen, wordt jaarlijks een vast bedrag aan het bevoegd gezag verstrekt dat wordt berekend aan de hand van het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid.

2.

In het kalenderjaar 2024 wordt aan de instelling een vast bedrag aan aanvullende bekostiging verstrekt, dat bestaat uit:

a. a. een deel van € 397.130.000,, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen; b. b. een deel van € 165.000.000,, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van het aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt, ten opzichte van het totaal aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij alle instellingen is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt; en c. c. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of d. d. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel c voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000, resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor het kalenderjaar 2024.

3.

In de kalenderjaren 2025 en 2026 wordt aan de instelling een vast subsidiebedrag verstrekt, dat bestaat uit:

a. a. een deel van € 396.784.000, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor dat kalenderjaar aan alle instellingen; en b. b. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle instellingen voor dat kalenderjaar en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of c. c. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel b voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000, resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor dat kalenderjaar.

4. Voor het subsidiebedrag voor het kalenderjaar 2027 is het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het bedrag, genoemd in het derde lid, onder a, € 397.833.000, wordt gelezen.

5. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euros.

6.

Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:

a. a. is ten aanzien van het tweede lid, onder a, c en d, het derde lid en het vierde lid artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en b. b. kan de minister ten aanzien van het tweede lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen op basis van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober 2021 en dat voor bekostiging in aanmerking komt.

Artikel 6

1. Het bevoegd gezag dient voor de kalenderjaren 20242027 een aanvraag voor aanvullende bekostiging in. De aanvraag heeft de vorm van een kwaliteitsagenda.

2.

Het bevoegd gezag dient de kwaliteitsagenda in bij de minister via de website http://www.ckmbo.nl op uiterlijk:

a. a. 30 juni 2023; of b. b. 1 oktober 2023.

3.

In de kwaliteitsagenda legt het bevoegd gezag onderbouwd vast:

a. a. wat het werkgebied van de instelling is; b. b. wie binnen dit werkgebied de relevante externe samenwerkingspartners van de instelling zijn, waaronder in ieder geval:

        1°.
        onderwijsinstellingen;
      
      
        2°.
        relevante overheden die het sociale en economische domein vertegenwoordigen; en
      
      
        3°.
        het bedrijfsleven;

1°. 1°. onderwijsinstellingen; 2°. 2°. relevante overheden die het sociale en economische domein vertegenwoordigen; en 3°. 3°. het bedrijfsleven; c. c. wat de ambities binnen het werkgebied zijn:

        1°.
        in de vorm van concrete beoogde resultaten voor eind 2027;
      
      
        2°.
        per doelstelling voor de doelstellingen waaraan verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld; en
      
      
        3°.
        per doelstelling voor de doelstellingen waaraan pas toe of leg uit-maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij voor die doelstelling geen ambitie stelt;

1°. 1°. in de vorm van concrete beoogde resultaten voor eind 2027; 2°. 2°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld; en 3°. 3°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan pas toe of leg uit-maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij voor die doelstelling geen ambitie stelt; d. d. welke maatregelen de instelling gaat nemen om de ambities te realiseren, waaronder in ieder geval:

        1°.
        de verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2; en
      
      
        2°.
        de pas toe of leg uit-maatregelen, genoemd in bijlage 2, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij geen inzet op die maatregel pleegt;

1°. 1°. de verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2; en 2°. 2°. de pas toe of leg uit-maatregelen, genoemd in bijlage 2, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij geen inzet op die maatregel pleegt; e. e. op welke punten de instelling voor de realisatie van de ambities afhankelijk is van de externe samenwerkingspartners, hoe de instelling de externe samenwerkingspartners bij de ambitievorming heeft betrokken en hoe zij de samenwerking met de externe samenwerkingspartners tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen; f. f. hoe de instelling gaat samenwerken met de interne samenwerkingspartners, hoe zij de samenwerking tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen en hoe zij bereikt dat er onder hen voldoende draagvlak voor de ambities en maatregelen is, waarbij de studentenraad en de ondernemingsraad in ieder geval met de kwaliteitsagenda moeten hebben ingestemd; g. g. hoe de instelling de ouders van de studenten gaat betrekken bij de voor hen relevante ambities en maatregelen; h. h. hoe de instelling met de interne en externe samenwerkingspartners de realisatie van de ambities en maatregelen gaat borgen, waarbij de instelling er in ieder geval voor zorgt dat:

        1°.
        een jaarlijkse evaluatie van de voortgang wordt uitgevoerd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en
      
      
        2°.
        op basis van die jaarlijkse evaluatie kan worden bijgestuurd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners;

1°. 1°. een jaarlijkse evaluatie van de voortgang wordt uitgevoerd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en 2°. 2°. op basis van die jaarlijkse evaluatie kan worden bijgestuurd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; i. i. hoe de instelling de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling wil besteden, onderbouwd met een indicatieve begroting waarin het bevoegd gezag ook middelen met een andere herkomst dan op grond van deze regeling kan vermelden en waarin in ieder geval de volgende kostenposten separaat worden vermeld:

        1°.
        de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 1.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op extra begeleiding van studenten in de basisberoepsopleiding;
      
      
        2°.
        de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op carrièreperspectief voor onderwijspersoneel; en
      
      
        3°.
        de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.4, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op practoraten; en

1°. 1°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 1.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op extra begeleiding van studenten in de basisberoepsopleiding; 2°. 2°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op carrièreperspectief voor onderwijspersoneel; en 3°. 3°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.4, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op practoraten; en j. j. indien van toepassing: waarom de begrote kostenposten, bedoeld in onderdeel i, sub 1° tot en met 3°, verschillen van de hiermee samenhangende posten binnen de aanvullende bekostiging.

4.

De ambities en maatregelen, bedoeld in het derde lid, onder c en d, zijn gebaseerd op een analyse van:

a. a. de uitgangssituatie van de instelling aan de hand van de sterke en zwakke punten van de instelling; b. b. de ontwikkelingen binnen de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, zo nodig gerelateerd aan het bestaande strategische meerjarenplan van de instelling; c. c. de uitgangssituatie van het werkgebied aan de hand van de kansen en uitdagingen binnen het werkgebied; en d. d. de ontwikkelingen binnen het werkgebied die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, waaronder in ieder geval de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

De analyse wordt opgesteld per doelstelling aan de hand van analyseonderdelen en indicatoren en wordt in aanvulling op het derde lid eveneens in de kwaliteitsagenda opgenomen.

5. Indien het bevoegd gezag meerdere instellingen in stand houdt, dient het bevoegd gezag per instelling een kwaliteitsagenda in.

Artikel 7

1. De minister stelt een onafhankelijke adviescommissie in die de minister adviseert ten behoeve van de beoordeling van de ingediende kwaliteitsagendas.

2. Naast de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, stelt de adviescommissie voor 15 september 2024 een integrale rapportage op met een landelijk beeld over de beoordeling van de kwaliteitsagendas en stuurt zij deze voor 15 september 2024 aan de minister toe.

Artikel 8

1. De adviescommissie beoordeelt of de kwaliteitsagenda compleet en als geheel voldoende onderbouwd, ambitieus en realistisch is. De adviescommissie gebruikt hierbij het beoordelingskader dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd en geeft op basis daarvan het oordeel voldoende of onvoldoende.

2. Het bevoegd gezag licht de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie of het bevoegd gezag daaraan behoefte heeft en werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de adviescommissie ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister te adviseren over de kwaliteitsagenda.

3.

De adviescommissie informeert het bevoegd gezag over haar voorlopig advies over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:

a. a. 31 oktober 2023 voor de eerste tranche; of b. b. 31 januari 2024 voor de tweede tranche.

4. Het bevoegd gezag kan uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het voorlopig advies, bedoeld in het derde lid, een aangepaste kwaliteitsagenda bij de minister indienen. De minister kan deze termijn verlengen wegens schoolvakanties.

5.

De adviescommissie adviseert de minister over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:

a. a. 15 december 2023 voor de eerste tranche; of b. b. 4 april 2024 voor de tweede tranche.

Artikel 9

1.

De minister besluit of de kwaliteitsagenda voldoende of onvoldoende is op uiterlijk:

a. a. 31 januari 2024 voor de eerste tranche; of b. b. 30 april 2024 voor de tweede tranche.

2. Indien de minister de kwaliteitsagenda als voldoende beoordeelt, wordt voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 jaarlijks aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag verstrekt onder toepassing van artikel 13.

3. Indien de minister de kwaliteitsagenda als onvoldoende beoordeelt, wijst de minister de kwaliteitsagenda af. Het bevoegd gezag heeft in dat geval recht op een herkansing als bedoeld in artikel 10.

4. Indien het bevoegd gezag de kwaliteitsagenda na 1 oktober 2023 indient, kan de minister besluiten de kwaliteitsagenda af te wijzen. Indien de minister de kwaliteitsagenda niet afwijst op grond van de vorige volzin, valt de kwaliteitsagenda onder de tweede tranche.

Artikel 10

1. Bij een onvoldoende oordeel over de kwaliteitsagenda stelt de minister het bevoegd gezag in de gelegenheid een aangepaste kwaliteitsagenda in te dienen op uiterlijk 30 mei 2024 via de website http://www.ckmbo.nl/.

2. De adviescommissie adviseert de minister conform artikel 8, eerste lid, en informeert de minister uiterlijk op 30 juni 2024 over haar advies over de aangepaste kwaliteitsagenda. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De minister besluit uiterlijk op 31 augustus 2024 of de aangepaste kwaliteitsagenda voldoende of onvoldoende is.

4. Indien de minister de aangepaste kwaliteitsagenda als voldoende beoordeelt, wordt voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 alsnog jaarlijks aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag verstrekt onder toepassing van artikel 13.

5. Indien de minister de kwaliteitsagenda als onvoldoende beoordeelt, wijst de minister de kwaliteitsagenda af.

6. Indien het bevoegd gezag de aangepaste kwaliteitsagenda na 30 mei 2024 indient, kan de minister besluiten de kwaliteitsagenda af te wijzen.

7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de aanvraag voor aanvullende bekostiging is afgewezen op grond van artikel 8, vierde lid, eerste volzin, of indien de instelling nog niet eerder een kwaliteitsagenda heeft ingediend.

Artikel 11

1. Een bevoegd gezag van instellingen die op 1 augustus 2023 institutioneel fuseren, dient in afwijking van artikel 6, vijfde lid, één kwaliteitsagenda in voor de instelling die uit de institutionele fusie zal ontstaan.

2. De berekeningswijze, bedoeld in artikel 5, tweede tot en met zesde lid, houdt voor het eerst rekening met een institutionele fusie met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar na de ingangsdatum van die fusie. Bij een institutionele fusie tussen een randstadinstelling en een niet-randstadinstelling wordt de uit die institutionele fusie ontstane instelling daarbij aangemerkt als randstadinstelling.

Artikel 12

1.

Het bevoegd gezag spant zich in voor de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda en borgt dit door:

a. a. de voortgang hiervan jaarlijks te evalueren met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en b. b. zo nodig bij te sturen op basis van de jaarlijkse evaluatie met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners.

2. Het bevoegd gezag verantwoordt zich jaarlijks over haar inspanning voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda alsmede de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners conform artikel 15, tweede en derde lid.

3. Het bevoegd gezag geeft een toelichting op de verantwoording, bedoeld in het tweede lid, indien de minister of het bevoegd gezag daaraan behoefte heeft en werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht om een getrouw en compleet beeld te krijgen van de inspanningen voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda alsmede de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners.

4. In aanvulling op het derde lid werkt het bevoegd gezag mee aan een jaarlijks gesprek met de minister om de inspanning voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda en de doelen, genoemd in artikel 3, te bespreken.

5.

Indien uit de informatie verkregen op grond van het tweede, derde of vierde lid, naar het oordeel van de minister blijkt dat het bevoegd gezag onvoldoende inspanningen pleegt voor de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda, kan de minister het bevoegd gezag verplichten om:

a. a. extern advies in te winnen over wat het bevoegd gezag verder kan doen om de ambities en maatregelen alsnog te realiseren; of b. b. een peer review door andere instellingen te organiseren om te leren van goede ervaringen van de andere instellingen.

Artikel 13

1.

Voor kalenderjaar 2024 wordt de aanvullende bekostiging direct vastgesteld in uiterlijk:

a. a. maart 2024 voor de eerste tranche; b. b. juni 2024 voor de tweede tranche; of c. c. oktober 2024, indien er sprake is van een herkansing als bedoeld in artikel 10;

mits de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld.

2. Voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 wordt de aanvullende bekostiging jaarlijks direct vastgesteld jaarlijks in november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft, mits de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld.

3.

De betaling van de aanvullende bekostiging vindt plaats overeenkomstig het kasritme waarin de bekostiging wordt betaald, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, van de wet en vindt voor de eerste maal plaats in uiterlijk:

a. a. maart 2024 voor de eerste tranche; b. b. juni 2024 voor de tweede tranche; of c. c. oktober 2024, indien er sprake is van een herkansing als bedoeld in artikel 10;

mits de kwaliteitsagendas als voldoende zijn beoordeeld.

4. Aan het maandbedrag van de maand waarin voor de eerste maal een betaling plaatsvindt, worden tevens de maandbedragen vanaf januari 2024 tot aan die maand toegevoegd.

Artikel 14

De aanvullende middelen kunnen ook worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15

1. De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

2.

Het bevoegd gezag beschrijft jaarlijks in het bestuursverslag:

a. a. wat de inspanning is voor en voortgang is van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda, gerelateerd aan de beoogde eindresultaten voor eind 2027 en met gebruikmaking van de indicatoren; b. b. hoe de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners verloopt; c. c. wat de uitkomst is van de jaarlijkse evaluatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a; en d. d. of en op welke wijze op basis van de jaarlijkse evaluatie wordt bijgestuurd als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, en hoe.

3. Het bevoegd gezag levert de informatie, bedoeld in het tweede lid, tevens aan door middel van een door de minister beschikbaar gesteld digitaal format voor 1 juli volgend op het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging is verstrekt. Voor zover de indicatoren nog niet beschikbaar waren voor het bestuursverslag, neemt het bevoegd gezag deze indicatoren alsnog op in het digitaal format.

Artikel 16

Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met de verplichtingen, bedoeld in artikel 12 of artikel 15, kan de minister een sanctie als bedoeld in artikel 11.1 van de wet of de artikelen 4:49, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen.

Artikel 17

1.

Onverminderd hoofdstuk 5 van de Wet open overheid maakt de minister de volgende documenten openbaar door deze elektronisch beschikbaar te stellen op de website www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl:

a. a. de adviezen, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en artikel 10, derde lid; b. b. de besluiten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en artikel 10, vierde lid, c. c. de kwaliteitsagendas; en d. d. de landelijke rapportage, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

2. Tot openbaarmaking van de in het eerste lid genoemde documenten, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, wordt niet eerder overgegaan dan nadat zes weken zijn verstreken vanaf de dagtekening van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, waaraan de desbetreffende adviezen en kwaliteitsagendas ten grondslag liggen.

Artikel 18

Wijzigt het Instellingsbesluit Commissie Kwaliteitsafspraken mbo.

Artikel 19

De Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregios komt te vervallen, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvullende bekostiging die voor die datum is verstrekt.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, waarbij artikel 18, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 januari 2023. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 19 in werking met ingang van 1 januari 2024. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvullende bekostiging die voor die datum is verstrekt.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteitsafspraken mbo 20242027.

Bijlage 1. Behorend bij

Bijlage 2. Behorend bij de

Toelichting: Instellingen dienen een integrale kwaliteitsagenda te maken over alle doelstellingen uit de werkagenda mbo. Per doelstelling uit de werkagenda mbo formuleert de instelling een ambitie in de vorm van concrete beoogde eindresultaten voor eind 2027. De ambities moeten worden onderbouwd met een analyse. Hiervoor dienen in ieder geval de analyseonderdelen en indicatoren uit deze bijlage worden gebruikt1Indien een indicator nog niet beschikbaar is tijdens het opstellen van de kwaliteitsagenda, dan hoeft deze niet in de kwaliteitsagenda te worden opgenomen en door de adviescommissie te worden betrokken, maar wordt deze wel opgenomen in het bestuursverslag en XBRL vanaf het moment dat hij wel beschikbaar is. Dit is bij 3 indicatoren het geval: de indicator over het aandeel studenten dat zich veilig voelt bij het leerbedrijf (doelstelling 1.2), het aantal meldingen over stagediscriminatie op de instelling (doelstelling 2.2) en het oordeel over de lessen burgerschap (doelstelling 3.2).Indien een instelling niet is aangesloten bij een monitoringsbron uit de vierde kolom van de tabel in deze bijlage, bijvoorbeeld bij de JOB monitor, is het aan de instelling om een vergelijkbare indicator op te nemen. Indien de instelling niet over een vergelijkbare indicator beschikt, dient de instelling aan te geven op welke manier de indicator in de komende jaren ontwikkeld en gemonitord zal worden, zodat de instelling alsnog aan de hand van de betreffende indicator kan verantwoorden in het bestuursverslag en XBRL vanaf 2024., maar de instelling mag er ook zelf analyseonderdelen en indicatoren aan toevoegen.

Uit de analyse kan blijken dat ambitievorming op een doelstelling nu niet passend of wenselijk is. In dat geval hoeft de instelling geen ambitie te formuleren op deze doelstelling. Bij de doelstellingen over LOB (2.1), beroepspraktijkvorming (2.2), carrièreperspectief (3.3) en practoraten (3.4), zijn instellingen echter wel verplicht om een ambitie te formuleren, omdat voor deze onderwerpen maatregelen in de tabel zijn opgenomen die instellingen verplicht in hun kwaliteitsagenda dienen op te nemen. Voor de overige maatregelen uit de tabel geldt een pas toe of leg uit-regime. Dat betekent dat de instelling in de kwaliteitsagenda uitlegt hoe zij deze maatregel gaat implementeren of aan de hand van de analyse toelicht dat de maatregel niet passend of wenselijk is en/of welke eventuele alternatieven worden ingezet. De kwaliteitsagenda als geheel dient voldoende onderbouwd, ambitieus en realistisch te zijn.

Let op: De doelstellingen en maatregelen in onderstaande tabel (kolom 1 en kolom 5) zijn afkomstig uit de werkagenda mbo en het stagepact en hier ten behoeve van de leesbaarheid in verkorte vorm opgenomen. Voor meer context of uitleg verwijzen we dan ook naar de werkagenda mbo en het stagepact.

Bij de jaarlijkse verantwoording over goedgekeurde kwaliteitsagendas gaan instellingen onder andere in op voortgang van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda. Deze voortgang moet worden gerelateerd aan de beoogde eindresultaten voor eind 2027 en de indicatoren uit de kwaliteitsagenda. Van instellingen wordt verwacht dat zij in de verantwoording reflecteren op de ontwikkeling die de indicatoren laten zien. De eisen aan de verantwoording zijn opgenomen in artikel 15 van de regeling en worden nader toegelicht in de toelichting.

^1 Er zijn verschillende niveaus waarop de indicator uitgevraagd kan worden: instellingsniveau, opleidingsniveau (niveau 1 t/m 4), leerweg en beroepsopleiding (BC-code).

^2 https://www.nuffic.nl/roadmap/internationaliseringskaart-mbo#/student

^3 Informatie over de verbeteragenda is hier te vinden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/10/05/reactie-op-de-evaluatie-van-passend-onderwijs-en-advies-steeds-inclusiever-van-de-onderwijsraad

^4 Na afloop van de Studentenpeiling NP Onderwijs neemt OCW het initiatief om deze indicator via een andere monitor beschikbaar te houden. Instellingen hoeven deze indicator uit een andere monitor pas mee te nemen in de jaarverslagen zodra deze indicator beschikbaar is.

^5 In 2024 zijn hier middelen voor toegevoegd aan de aanvullende bekostiging die instellingen ontvangen op grond van deze regeling. Vanaf 2025 zitten deze middelen naar verwachting structureel in de lumpsum.

^6 Voor het uitvoeren van deze maatregel zijn extra middelen toegevoegd aan de lumpsum. Het betreft een bedrag van € 14,5 miljoen voor extra begeleiding van school naar werk.

^7 Voor het uitvoeren van deze maatregel kunnen instellingen subsidie aanvragen op basis van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024. Bekostiging mag niet worden ingezet voor activiteiten na diplomering die niet in de WEB geregeld zijn. Dit geldt ook voor aanvullende bekostiging op grond van deze regeling. Vandaar dat de aanvullende bekostiging die instellingen op grond van deze regeling ontvangen, hier niet voor mag worden gebruikt. Er is een wetsvoorstel in de maak waarmee nazorg wordt verankerd als wettelijke taak voor instellingen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen en de wetswijziging in werking is getreden, zal niet langer subsidie voor nazorg worden verstrekt maar worden de middelen hiervoor toegevoegd aan de lumpsum.

^8 Voor dit doel is de lumpsum in 2022 opgehoogd met € 6,5 miljoen.

^9 Hiervoor ontvangen instellingen extra middelen op basis van de Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom. Deze regeling is op dit moment nog niet gepubliceerd. De verwachting is dat dat voor de zomer van 2023 zal gebeuren.

^10 Idem.

^11 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.

^12 Het NGF project LLO-collectief is in 2022 gestart met twee pilotregios. Bij succes wordt het aantal opgeschaald naar twintig pilots binnen de looptijd van de werkagenda. Instellingen kunnen hieraan deelnemen.

^13 Voor deze vier maatregelen zijn gedurende de looptijd van de kwaliteitsafspraken middelen beschikbaar via de Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB MBO 2023 die naar verwachting voor de zomer van 2023 verschijnt.

^14 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.

^15 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.

^16 Met examenniveau worden de referentieniveaus voor Nederlands en rekenen en de vanaf 2022/2023 geldende mbo-rekenniveaus bedoeld. Studenten kunnen ook kiezen om examen af te leggen op een hoger examenniveau dan minimaal vereist voor hun opleiding.

^17 Instellingen zijn niet verplicht om deze indicator op te nemen indien burgerschapsonderwijs niet als apart vak wordt gegeven, maar is ingebed in andere vakken.

^18 Toelichting uit de werkagenda mbo: instellingen stellen docenten aan op basis van het bekwaamheidsprofiel (en scholen hen waar nodig bij). Instellingen betrekken zo goed mogelijk de docenten zelf bij het opstellen van het hieruit voortvloeiende personeelsbeleid. N.B.: door het besluit van de minister in 2023 kan dit veranderen.

^19 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.

^20 Voor inzet op deze doelstelling zijn middelen toegevoegd aan het budget voor deze regeling. In totaal is jaarlijks ca. € 142 miljoen specifiek voor deze doelstelling beschikbaar gemaakt.

^21 Voor sommige instellingen geldt dat de inschalingsgegevens ook vo-docenten kunnen bevatten. Het is o.b.v. de gegevens van DUO niet mogelijk om vo-docenten uit te filteren.

^22 Binnen de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling is € 25 miljoen per jaar uitgetrokken voor deze maatregel.

Bijlage 3. Behorend bij

^1 Deze staan opgesomd in de toelichting bij de regeling.