40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
25 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid | BWBR0023428 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-02-06 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0023428 | Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid |
Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze Regeling wordt verstaan onder:
a. a. ongeoorloofde afwezigheid: het na aanvang van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen zich hieraan onttrekken op een wijze als genoemd in respectievelijk hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regeling; b. b. de DJI: de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; c. c. de divisiedirecteur ForZo/JJI: de directeur van de divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van de DJI; d. d. de divisiedirecteur GW/VB: de directeur van de divisie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring van de DJI; e. e. de divisiedirecteur IZ: de directeur van de divisie Individuele Zaken van de DJI; f. f. het Landelijk Meldpunt: het meldpunt bij de Dienst landelijke recherche van de Eenheid landelijke opsporing en interventies belast met de opsporing van ongeoorloofd afwezigen genoemd in de hoofdstukken 2, 3 en 4; g. g. het CJIB: het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op artikel 6.11, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Wet forensische zorg.
Artikel 1.2
1. Ongeoorloofde afwezigheid vangt aan op de dag van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1.1, onder a.
2. Ongeoorloofde afwezigheid eindigt op de dag dat de ongeoorloofd afwezige zichzelf meldt of wordt aangehouden.
Artikel 1.3
De directeur dan wel het hoofd van de inrichting bedoeld in respectievelijk hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regeling meldt ongeoorloofde afwezigheid en het einde daarvan aan de Minister van Veiligheid en Justitie, de politie en overige betrokkenen volgens de procedure beschreven in het betreffende hoofdstuk.
Hoofdstuk 2. Meldingsprocedure bij ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
Op dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen, bedoeld in artikel 1 van de Penitentiaire beginselenwet, van toepassing
Artikel 2.2
Ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in dit hoofdstuk is het gevolg van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging op één van de navolgende wijzen:
a. a. het zonder toestemming verlaten van een normaal beveiligde, uitgebreid beveiligde of extra beveiligde inrichting of afdeling of het tot die inrichting behorende terrein, dan wel van een afgesloten ruimte van een beperkt beveiligde afdeling; b. b. het zonder toestemming verlaten van een afgesloten ruimte of terrein van een instelling waarnaar de gedetineerde is overgebracht op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet; c. c. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens vervoer; d. d. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens begeleid verlof of ander verblijf buiten de inrichting onder begeleiding; e. e. het zonder toestemming verlaten van een beperkt beveiligde afdeling of terrein, anders dan bedoeld in onderdeel a; f. f. het zonder toestemming verlaten van een open afdeling van een instelling waarnaar de gedetineerde is overgebracht op grond van artikel 15, vijfde lid, artikel 42, vierde lid, onder c, of artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel waar de gedetineerde, de deelnemer aan een penitentiair programma of degene aan wie de maatregel bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd met toestemming verblijft, zonder begeleiding; g. g. het zich niet tijdig op de afgesproken plaats bevinden of daar terugkeren na of tijdens onbegeleid verlof, deelname aan een penitentiair programma, of ander toegestaan verblijf buiten de inrichting zonder begeleiding.
Artikel 2.3
De verantwoordelijkheid voor de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde meldingen en inlichtingen bij ongeoorloofde afwezigheid berust bij de directeur van de inrichting vanwaar de gedetineerde zich heeft onttrokken. In de gevallen waarin de ongeoorloofd afwezige zich met toestemming buiten de inrichting bevond op het moment van zijn onttrekking, bedoeld in artikel 2.2, onder b, c, d, f en g, berust die verantwoordelijkheid bij de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven.
Artikel 2.4
In dit hoofdstuk worden met het oog op de te volgen meldingsprocedure de navolgende twee groepen ongeoorloofd afwezigen onderscheiden:
a. a. groep A omvat de gedetineerden die zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 2.2, onder a tot en met d, en niet behoren tot groep B, onder 2°; b. b. groep B omvat degenen die:
1°.
zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 2.2, onder e tot en met g;
2°.
zich hebben onttrokken aan vreemdelingenbewaring op enige wijze als bedoeld in artikel 2.2.
1°. 1°. zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 2.2, onder e tot en met g; 2°. 2°. zich hebben onttrokken aan vreemdelingenbewaring op enige wijze als bedoeld in artikel 2.2.
Paragraaf 2. Meldingen bij aanvang ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 2.5
Bij constatering van een onttrekking, terwijl deze plaatsvindt of terstond nadat deze heeft plaatsgevonden, belt de directeur onmiddellijk het alarmnummer van de politie met het oog op de aanhouding van degene die zich onttrekt.
Artikel 2.6
1.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep A onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. het Landelijk Meldpunt; b. b. de divisiedirecteur GW/VB; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar telefonisch op de hoogte.
2. De directeur zendt binnen één uur na constatering van de ongeoorloofde afwezigheid het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan het Landelijk Meldpunt.
3. De directeur zendt uiterlijk de eerstvolgende werkdag het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan de divisiedirecteur GW/VB; de directeur zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar.
4. De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het Centraal Register Onttrekkingen.
5. De directeur zendt zo spoedig mogelijk het penitentiair dossier van de ongeoorloofd afwezige naar de divisiedirecteur IZ.
Artikel 2.7
1.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 1°, onmiddellijk na constatering ervan aan:
a. a. het CJIB, binnen kantooruren telefonisch, buiten kantooruren per elektronische post; b. b. de divisiedirecteur GW/VB, indien de directeur van oordeel is dat de ongeoorloofde afwezigheid daartoe aanleiding geeft; de directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid alleen in dat geval telefonisch aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar.
2.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van degene die zich heeft onttrokken aan vreemdelingenbewaring, behorend tot groep B, onder 2°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. de politie; b. b. de divisiedirecteur GW/VB; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar telefonisch op de hoogte.
3.
De directeur zendt zo spoedig mogelijk na de meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan:
a. a. het CJIB, in geval van ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 1°, dan wel de politie, in geval van ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 2°; b. b. de divisiedirecteur GW/VB; de directeur zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar; in geval van onttrekkingen als bedoeld in artikel 2.2, onder f en g, blijft deze melding achterwege.
4. De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het Centraal Register Onttrekkingen.
5. De directeur zendt zo spoedig mogelijk het penitentiair dossier van de ongeoorloofd afwezige naar de divisiedirecteur IZ.
Paragraaf 3. Overige inlichtingen
Artikel 2.8
1. De directeur verstrekt aan de divisiedirecteur GW/VB, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
2. De directeur verstrekt aan het Landelijk Meldpunt, het CJIB, dan wel de politie, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
Paragraaf 4. Meldingen bij einde ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 2.9
1.
Indien de ongeoorloofd afwezige behorend tot groep A zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover:
a. a. het Landelijk Meldpunt, onmiddellijk telefonisch; b. b. de divisiedirecteur GW/VB of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar uiterlijk de eerstvolgende werkdag telefonisch op de hoogte.
2.
Indien de ongeoorloofd afwezige behorend tot groep B zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover zo spoedig mogelijk per elektronische post:
a. a. het CJIB, in geval van ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 1°, dan wel de politie, in geval van ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 2°; b. b. de divisiedirecteur IZ.
Hoofdstuk 3. Meldingsprocedure bij ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 3.1
1. Op dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen, bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, van toepassing.
2.
In dit hoofdstuk van deze Regeling wordt verstaan onder:
a. a. de inrichting: de inrichting bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; b. b. het hoofd: het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden bedoeld in artikel 1, onder h, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
Artikel 3.1a
Dit hoofdstuk berust mede op artikel 6.11, eerste lid, onder c, en tweede lid van de Wet forensische zorg.
Artikel 3.2
Ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in dit hoofdstuk is het gevolg van het zich onttrekken van een verpleegde aan de tenuitvoerlegging op één van de navolgende wijzen:
a. a. het zonder toestemming verlaten van de inrichting of het tot de inrichting behorende terrein; b. b. het zonder toestemming verlaten van de instelling waarnaar de verpleegde is overgebracht op grond van artikelen 6.5 tot en met 6.9 van de Wet forensische zorg, of artikel 41, vierde lid, onderdeel c, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; c. c. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens vervoer; d. d. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens enige vorm van begeleid verlof of ander verblijf buiten de inrichting onder begeleiding; e. e. het zich niet tijdig op de afgesproken plaats bevinden of daar terugkeren na of tijdens enige vorm van onbegeleid verlof, proefverlof, transmuraal verlof of ander toegestaan verblijf buiten de inrichting zonder begeleiding.
Artikel 3.3
De verantwoordelijkheid voor de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde meldingen en inlichtingen bij ongeoorloofde afwezigheid berust bij het hoofd van de inrichting vanwaar de verpleegde zich heeft onttrokken. In de gevallen waarin de verpleegde zich met toestemming buiten de inrichting bevond op het moment van zijn onttrekking, bedoeld in artikel 3.2, onder b tot en met e, berust die verantwoordelijkheid bij het hoofd van de inrichting waar de verpleegde staat ingeschreven.
Paragraaf 2. Meldingen bij aanvang ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 3.4
Bij constatering van een onttrekking, terwijl deze plaatsvindt of terstond nadat deze heeft plaatsgevonden, belt het hoofd onmiddellijk het alarmnummer van de politie met het oog op de aanhouding van de verpleegde die zich onttrekt.
Artikel 3.5
1.
Het hoofd meldt de ongeoorloofde afwezigheid onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. het Landelijk Meldpunt; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI; het hoofd stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar telefonisch op de hoogte.
2. Het hoofd zendt binnen één uur na constatering van de ongeoorloofde afwezigheid het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan het Landelijk Meldpunt.
3. Het hoofd zendt zo spoedig mogelijk na de in het eerste en tweede lid bedoelde meldingen het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan de de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; het hoofd zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar.
4. Het hoofd meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het daartoe bestemde registatiesysteem.
Paragraaf 3. Overige inlichtingen
Artikel 3.6
1. Het hoofd verstrekt aan de divisiedirecteur ForZo/JJI, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
2. Het hoofd verstrekt aan het Landelijk Meldpunt, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
Paragraaf 4. Meldingen bij einde ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 3.7
Indien de ongeoorloofd afwezige zichzelf meldt, informeert het hoofd van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel het hoofd van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover onmiddellijk telefonisch:
a. a. het Landelijk Meldpunt; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; het hoofd stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar telefonisch op de hoogte.
Hoofdstuk 4. Meldingsprocedure bij ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 4.1
Op dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen, bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, van toepassing.
Artikel 4.2
Ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in dit hoofdstuk is het gevolg van het zich onttrekken van een jeugdige aan de tenuitvoerlegging op één van de navolgende wijzen:
a. a. het zonder toestemming verlaten van de inrichting of het tot de inrichting behorende terrein; b. b. het zonder toestemming verlaten van de instelling waarnaar de jeugdige is overgebracht op grond van artikel 12, achtste lid, of artikel 48, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; c. c. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens vervoer; d. d. het zich onttrekken aan het toezicht tijdens enige vorm van begeleid verlof of ander verblijf buiten de inrichting onder begeleiding; e. e. het zich niet tijdig op de afgesproken plaats bevinden of daar terugkeren na of tijdens enige vorm van onbegeleid verlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma of ander toegestaan verblijf buiten de inrichting zonder begeleiding.
Artikel 4.3
De verantwoordelijkheid voor de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde meldingen en inlichtingen bij ongeoorloofde afwezigheid berust bij de directeur van de inrichting vanwaar de jeugdige zich heeft onttrokken. In de gevallen waarin de jeugdige zich met toestemming buiten de inrichting bevond op het moment van zijn onttrekking, bedoeld in artikel 4.2, onder b tot en met e, berust die verantwoordelijkheid bij de directeur van de inrichting waar de jeugdige staat ingeschreven.
Artikel 4.4
In dit hoofdstuk worden met het oog op de te volgen meldingsprocedure de navolgende twee groepen ongeoorloofd afwezigen onderscheiden:
a. a. de groep strafrechtelijk geplaatsten omvat de jeugdigen aan wie is opgelegd:
1°.
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
2°.
een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel anders dan bedoeld onder 1° van dit onderdeel of onder b van dit artikel, die zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4.2, onder a tot en met d;
3°.
een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel anders dan bedoeld onder 1° van dit onderdeel of onder b van dit artikel, die zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4.2, onder e.
1°. 1°. de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen; 2°. 2°. een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel anders dan bedoeld onder 1° van dit onderdeel of onder b van dit artikel, die zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4.2, onder a tot en met d; 3°. 3°. een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel anders dan bedoeld onder 1° van dit onderdeel of onder b van dit artikel, die zich hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4.2, onder e. b. b. de groep niet-strafrechtelijk geplaatsten omvat de jeugdigen:
1°
die op grond van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in de inrichting verblijven;
2°
in vreemdelingenbewaring;
3°
met overige vrijheidsbenemende maatregelen.
1° 1° die op grond van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in de inrichting verblijven; 2° 2° in vreemdelingenbewaring; 3° 3° met overige vrijheidsbenemende maatregelen.
Paragraaf 2. Meldingen bij aanvang ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 4.5
Bij constatering van een onttrekking, terwijl deze plaatsvindt of terstond nadat deze heeft plaatsgevonden, belt de directeur onmiddellijk het alarmnummer van de politie met het oog op de aanhouding van de jeugdige die zich onttrekt.
Artikel 4.6
1.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van de strafrechtelijk geplaatste jeugdigen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 1°, en van de strafrechtelijk geplaatste jeugdigen bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 2°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. het Landelijk Meldpunt; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar telefonisch op de hoogte; c. c. de gezagdragers van de ongeoorloofd afwezige.
2. De directeur zendt binnen één uur na constatering van de in het eerste lid bedoelde ongeoorloofde afwezigheid het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan het Landelijk Meldpunt.
3. De directeur zendt zo spoedig mogelijk na de in het eerste en tweede lid bedoelde meldingen het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar.
4.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van de strafrechtelijk geplaatste jeugdigen bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 3°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. de politie; b. b. de gezagdragers van de ongeoorloofd afwezige.
5.
De directeur zendt zo spoedig mogelijk na de in het vierde lid bedoelde meldingen het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan:
a. a. de politie; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar; c. c. de officier van justitie of advocaat-generaal die de ongeoorloofd afwezige vervolgt of heeft vervolgd.
Artikel 4.7
1. De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van de jeugdigen bedoeld in artikel 4.4, onder b, onder 1°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan de betrokken gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
2.
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van de jeugdigen bedoeld in artikel 4.4, onder b, onder 2° en 3°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:
a. a. de politie; b. b. de gezagdragers van de ongeoorloofd afwezige.
3. De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van de jeugdigen bedoeld in artikel 4.4, onder b, zo spoedig mogelijk na constatering ervan aan de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar per elektronische post op de hoogte.
Paragraaf 3. Overige inlichtingen en registratie
Artikel 4.8
1. De directeur verstrekt aan de divisiedirecteur ForZo/JJI, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
2. De directeur verstrekt aan het Landelijk Meldpunt dan wel de politie, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.
Artikel 4.9
De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het daartoe bestemde registratiesysteem.
Paragraaf 4. Meldingen bij einde ongeoorloofde afwezigheid
Artikel 4.10
1.
Indien de ongeoorloofd afwezige jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 1°, of de ongeoorloofd afwezige jeugdige bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 2°, zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover:
a. a. het Landelijk Meldpunt, onmiddellijk telefonisch; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar uiterlijk de eerstvolgende werkdag per elektronische post op de hoogte; c. c. de gezagdragers van de jeugdige.
2.
Indien de ongeoorloofd afwezige jeugdige bedoeld in artikel 4.4, onder a, onder 3°, zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover:
a. a. de politie zo spoedig mogelijk per elektronische post; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar zo spoedig mogelijk per elektronische post op de hoogte; c. c. de officier van justitie of advocaat-generaal die de ongeoorloofd afwezige vervolgt of heeft vervolgd, zo spoedig mogelijk per elektronische post; d. d. de gezagdragers van de jeugdige.
3.
Indien de ongeoorloofd afwezige jeugdige bedoeld in artikel 4.4, onder b, onder 1°, zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover zo spoedig mogelijk:
a. a. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar per elektronische post op de hoogte; b. b. de betrokken gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
4.
Indien de ongeoorloofd afwezige jeugdige bedoeld in artikel 4.4, onder b, onder 2° en 3°, zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover:
a. a. de politie zo spoedig mogelijk per elektronische post; b. b. de divisiedirecteur ForZo/JJI of de divisiedirecteur IZ; de directeur stelt daartoe de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar zo spoedig mogelijk per elektronische post op de hoogte; c. c. de gezagdragers van de jeugdige.
Hoofdstuk 5. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 5.1
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 5.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid.