40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
11 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling mobiele eenheid 2007 | BWBR0021328 | ministeriele-regeling | geldend | 2007-02-28 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0021328 | Regeling mobiele eenheid 2007 |
Regeling mobiele eenheid 2007
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
1. De mobiele eenheid, bedoeld in artikel 26 van het Besluit beheer politie, bestaat uit basiseenheden al dan niet met een bijzondere taak en bijzondere eenheden.
2. Bijzondere eenheden zijn verkenningseenheden, eenheden beredenen, eenheden hondengeleiders, eenheden met de waterwerper, aanhoudingseenheden, BRATRA-groepen en eenheden specialistische schutters.
Paragraaf 2. Basiseenheden
Artikel 2
1. Basiseenheden zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep, sectie, peloton of compagnie.
2. Een groep bestaat uit elf leden, onder wie een groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
3. Een sectie bestaat uit een sectiecommandant en twee groepen.
4. Een peloton bestaat uit een pelotonscommandant en twee secties.
5. Een compagnie bestaat uit een compagniescommandant en twee of meer pelotons.
6. Indien een basiseenheid, anders dan in een groep, zelfstandig optreedt, dan heeft die de beschikking over een chauffeur voor het commandovoertuig en één of meer verbindingsspecialisten.
Paragraaf 3. Basiseenheden met een bijzondere taak
Artikel 3
1. Eenheden te water zijn bekwaam om op of rond een vaartuig of een waterwerk op te treden.
2. Artikel 2 is overeenkomstig van toepassing.
Paragraaf 4. Bijzondere eenheden
Artikel 4
1. Een regionale eenheid kan beschikken, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale eenheden, over een of meer verkenningseenheden.
2. Verkenningseenheden zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep, bestaande uit vier tot twaalf leden, onder wie een groepscommandant.
Artikel 5
1. Een regionale eenheid kan beschikken, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale eenheden, over een of meer eenheden beredenen.
2. Eenheden beredenen zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep bestaande uit zes ruiters, onder wie een groepscommandant.
Artikel 6
1. Een regionale eenheid kan beschikken, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale eenheden, over een of meer eenheden hondengeleiders.
2. Eenheden hondengeleiders zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep bestaande uit zes leden, onder wie een groepscommandant, een voor zijn taak opgeleide chauffeur en vier hondengeleiders.
Artikel 7
1. Bij de regionale eenheden, genoemd in bijlage 3, zijn één of meer waterwerpers gestationeerd.
2. De regionale eenheid, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een bij de waterwerper behorende eenheid.
3. Een eenheid met de waterwerper bestaat uit een voor deze taak bekwame commandant, chauffeur en twee kanonniers.
Artikel 8
1. Een regionale eenheid kan, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale eenheden, beschikken over een of meer aanhoudingseenheden.
2. Aanhoudingseenheden zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep of sectie.
3. Een groep bestaat uit acht leden, onder wie een groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
4. Een sectie bestaat uit een sectiecommandant en twee groepen.
Artikel 9
1. Een regionale eenheid kan, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale eenheden, beschikken over een of meer BRATRA-groepen.
2. De leden van een BRATRA-groep zijn bekwaam in het toegankelijk en vrij van obstakels maken van ruimten, wegen en gebieden, het bestrijden van kleine branden bij een optreden van de mobiele eenheid en verspreiding van CS-traangas al of niet met behulp van een vuurwapen.
3. De BRATRA-groep bestaat uit zes leden, onder wie een groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
Artikel 10
1. Een regionale eenheid beschikt over een uit een peloton van de basiseenheid samengestelde eenheid of zelfstandige eenheden specialistische schutters, die geoefend zijn in het gebruik van een vuurwapen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit bewapening en uitrusting politie.
2. De in het eerste lid bedoelde schutters zijn daarnaast bekwaam in verspreiden van CS-traangas al of niet met behulp van een vuurwapen.
3. Het aantal eenheden minimaal gelijk is aan het aantal eenheden zoals vermeld in de bijlage 3 van deze regeling.
4. Eenheden specialistische schutters zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep, bestaande uit elf leden, onder wie een groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
Paragraaf 5. Verantwoordelijkheid korpschef
Artikel 11
1.
Een ambtenaar van politie in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Politiewet 2012, kan deel uitmaken van een basiseenheid of een bijzondere eenheid, indien hij voldoet aan:
a. a. kwalificaties zoals voorgeschreven voor een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1˚, van de Politiewet 2012; b. b. de eisen die op grond van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie aan hem worden gesteld; en c. c. de voor die taak ontwikkelde en voorgeschreven kwalificaties.
2. De opleiding voor de specifieke taak, bedoeld in het eerste lid, onder c, is met succes afgerond indien de deelnemer heeft voldaan aan de kwalificaties van de daartoe strekkende opleiding en is gecertificeerd door de Politieacademie.
Artikel 12
De korpschef draagt voor wat betreft opleiden en oefenen zorg voor dat:
-
- elk in een basiseenheid of een bijzondere eenheid ingedeeld personeelslid van zijn korps jaarlijks, door middel van opleiding en oefening, blijft voldoen aan de kwalificaties, gesteld voor deze specifieke taak. Deze kwalificaties omvatten minimaal 40 uur oefenen per jaar.
-
- de basiseenheden en de bijzondere eenheden geoefend zijn en blijven in de samenwerking met relevante andere eenheden of organisatieonderdelen.
Artikel 13
De korpschef draagt voor wat betreft het materieel zorg voor dat:
-
- De in deze regeling genoemde eenheden en BRATRA-groep de beschikking hebben over een voor de taak toegerust voertuig.
-
- Een basiseenheid bij een zelfstandig optreden, anders dan een groep, de beschikking heeft over een commandovoertuig.
-
- De ruiters de beschikking hebben over voor hun taak getrainde paarden.
-
- Iedere hondengeleider de beschikking heeft over een gecertificeerde hond zoals voorgeschreven in de Regeling politiehonden.
-
- De leden van de in deze regeling genoemde eenheden en BRATRA-groep zijn uitgerust met adequate beschermings- en veiligheidsmiddelen.
-
- De aangewezen leden van de in deze regeling genoemde eenheden en BRATRA-groep zijn uitgerust met een vuurwapen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit bewapening en uitrusting politie.
Artikel 14
De korpschef draagt er zorg voor dat ten behoeve van de eenheden te water, als bedoeld in artikel 3, kan worden beschikt over twee vaartuigen, een commandovaartuig en een reddingsvaartuig met een voor deze taak bekwame bemanning.
Paragraaf 6. Paraatheid
Artikel 15
1. De korpschef houdt het aantal basiseenheden uit de bijlage 1 en 2 van deze regeling beschikbaar voor bijstand.
2. De korpschef houdt de bijzondere eenheden uit de bijlage 3 van deze regeling beschikbaar voor bijstand.
3. De korpschef draagt ervoor zorg dat basiseenheden, basiseenheden met een bijzondere taak en bijzondere eenheden zijn toegesneden op de behoefte in de regionale eenheid, dan wel in de samenwerkende regionale eenheden.
Artikel 16
1. De korpschef draagt ervoor zorg dat in een regionale eenheid waarbinnen op basis van bijlage 1 twee of meer pelotons basiseenheden voor bijstand beschikbaar moeten zijn, één peloton binnen anderhalf uur en een volgend peloton binnen vier uur gereed is voor vertrek.
2. De korpschef draagt ervoor zorg dat in een regionale eenheid waarbinnen op basis van bijlage 1 één peloton en één sectie basiseenheden voor bijstand beschikbaar moeten zijn, één sectie binnen anderhalf uur en één volgende sectie binnen vier uur gereed is voor vertrek.
3. De korpschef draagt ervoor zorg dat in een regionale eenheid waarbinnen op basis van bijlage 2 één peloton eenheden te water beschikbaar moet zijn, één sectie binnen anderhalf uur en de andere sectie binnen vier uur gereed is voor vertrek.
4. De korpschef draagt ervoor zorg dat van de bijzondere eenheden die op basis van bijlage 3 voor bijstand binnen een regionale eenheid beschikbaar moeten zijn, de helft, zijnde ten minste een groep of eenheid, binnen anderhalf uur gereed is voor vertrek, en de volgende groep of eenheid binnen vier uur gereed is voor vertrek.
Paragraaf 7. Coördinatie
Artikel 17
Vervallen
Paragraaf 8. Opvang, nazorg en evaluatie
Artikel 18
1. De korpschef draagt er zorg voor dat binnen elke regionale eenheid voldoende opvang en nazorg wordt aangeboden aan de ingezette leden tijdens en na een optreden van de mobiele eenheden.
2. De korpschef maakt, de gezagsverantwoordelijken gehoord hebbende, van elk grootschalig optreden waarbij sprake is geweest van ernstige verstoring van de openbare orde, een evaluatierapport op.
3. De korpschef verstrekt de Minister van Veiligheid en Justitie op diens verzoek een afschrift van het onder 2 genoemde evaluatierapport.
Paragraaf 9. Afwijkingen
Artikel 19
1. De Minister kan de korpschef toestemming geven om voor bepaalde of onbepaalde tijd af te wijken van de bepalingen in deze regeling.
2. De Minister onthoudt zijn toestemming in gevallen de afwijking de artikelen 3, eerste lid, 11, 12, 13, 14 en 18 en de rechtstoestand van het personeel raakt.
Artikel 19a
Deze regeling berust op artikel 44 van het Besluit beheer politie en artikel 28 van het Besluit bewapening en uitrusting politie.
Paragraaf 10. Slotbepalingen
Artikel 20
De Regeling mobiele eenheid wordt ingetrokken.
Artikel 21
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en geldt voor de duur van twee jaar.
2. Deze regeling wordt automatisch verlengd voor onbepaalde tijd tenzij de leden van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie met feiten aantonen dat uitvoering van de artikelen 15 en 16 tot sociaal onaanvaardbare situaties leidt voor de leden van de mobiele eenheid in de regionale politiekorpsen.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling mobiele eenheid 2007.
Bijlage 1. behorend bij de
Bijlage 2. behorend bij
Bijlage 3. behorend bij
Bijlage 4. , behorend bij
Vervallen