40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
11 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling mobiele eenheid | BWBR0006554 | ministeriele-regeling | geldend | 1994-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006554 | Regeling mobiele eenheid |
Regeling mobiele eenheid
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
De mobiele eenheid bestaat uit basiseenheden, aanhoudingseenheden, eenheden te water en teams van een waterwerper.
Paragraaf 2. Basiseenheden
Artikel 2
Een basiseenheid kan bestaan uit één of meer groepen, secties, pelotons en compagnies.
Artikel 3
1.
Een groep van een basiseenheid bestaat uit:
a. a. een groepscommandant, b. b. een chauffeur, die tevens het Eerste Hulp materiaal beheert, c. c. negen leden, waaronder een plaatsvervangend groepscommandant.
2. Een groep heeft de beschikking over een groepsvoertuig.
Artikel 4
1.
Een sectie van een basiseenheid bestaat uit:
a. a. een sectiecommandant, en b. b. twee groepen, waaronder een plaatsvervangend sectiecommandant.
2. Een sectie heeft bij zelfstandig optreden de beschikking over een commandovoertuig met een chauffeur en een verbindingsspecialist.
Artikel 5
1.
Een peloton van een basiseenheid bestaat uit:
a. a. een pelotonscommandant, en b. b. twee secties, waaronder een plaatsvervangend pelotonscommandant.
2. Een peloton heeft de beschikking over een commandovoertuig met een chauffeur en een verbindingsspecialist.
Artikel 6
1.
Een compagnie van een basiseenheid bestaat uit:
a. a. een compagniescommandant en een plaatsvervangend compagniescommandant, b. b. twee of meer pelotons.
3. Een compagnie heeft de beschikking over een commandovoertuig met een chauffeur en twee verbindingsspecialisten.
Artikel 7
1. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat uit een peloton een groep als bedoeld in artikel 2, kan worden samengesteld die geoefend is in het gebruik van CS-traangas.
2. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat uit een peloton een groep kan worden samengesteld die geoefend is in het gebruik van een semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type MP5A2, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter.
Artikel 8
1. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de leden die ingezet kunnen worden met het in artikel 7, tweede lid, genoemde semi-automatisch vuurwapen zijn uitgerust met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.
2. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de leden van de mobiele eenheid van de regio zijn uitgerust met beschermende kleding, overeenkomstig bijlage 1 van de Kledingregeling voor de politie.
Paragraaf 3. Paraatheid
Artikel 9
1. De korpsbeheerder draagt zorg voor een voorziening van basiseenheden die op de behoefte in de regio is toegesneden.
2. Het regionaal politiekorps moet ten minste het in bijlage 1 bij deze regeling bepaalde aantal pelotons of secties voor bijstand beschikbaar hebben.
Artikel 10
De aanvraag van de korpsbeheerder voor bijstand van de mobiele eenheid wordt slechts ingewilligd indien hij de mobiele eenheid van zijn regio volledig heeft ingezet.
Artikel 11
De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de binnen zijn regio aanwezige eenheden die op basis van bijlage 1 voor de bijstand beschikbaar moeten zijn, binnen anderhalf uur inzetbaar zijn voor vertrek. Indien meer dan één peloton op basis van bijlage 1 voor de bijstand beschikbaar moet zijn, dan moet in ieder geval het eerste peloton binnen anderhalf uur inzetbaar zijn voor vertrek. De overige pelotons of secties moeten binnen vier uur inzetbaar zijn voor vertrek.
Paragraaf 4. Aanhoudingseenheden
Artikel 12
Een aanhoudingseenheid kan bestaan uit één of meer groepen of secties of één peloton.
Artikel 13
1.
Een groep van een aanhoudingseenheid bestaat uit:
a. a. een groepscommandant, en b. b. zes leden, waaronder een plaatsvervangend groepscommandant.
2. Een groep van een aanhoudingseenheid heeft de beschikking over een aanhoudingsvoertuig met een chauffeur.
Artikel 14
1.
Een sectie van een aanhoudingseenheid bestaat uit:
a. a. een sectiecommandant, en b. b. twee groepen, waaronder een plaatsvervangend sectiecommandant.
2. Een sectie van een aanhoudingseenheid heeft bij zelfstandig optreden de beschikking over een commandovoertuig met een chauffeur en een verbindingsspecialist.
Artikel 15
1.
Een peloton van een aanhoudingseenheid bestaat uit:
a. a. een pelotonscommandant, b. b. twee secties, waaronder een plaatsvervangend pelotonscommandant
2. Een peloton heeft de beschikking over een commandovoertuig met een chauffeur en een verbindingsspecialist.
Artikel 16
De korpsbeheerder draagt al dan niet tezamen met een of meer korpsbeheerders van andere regionale politiekorpsen zorg voor een voorziening van aanhoudingseenheden.
Paragraaf 5. Eenheden te water
Artikel 17
1. De regionale politiekorpsen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling, houden een peloton voor bijstand beschikbaar dat tevens geschikt en in staat is aan boord van of rond een vaartuig op te treden.
2. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat een peloton als bedoeld in het eerste lid geoefend is om rond of aan boord van een vaartuig op te treden.
3. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de leden van een peloton als bedoeld in het eerste lid zijn uitgerust met zwemvesten.
4.
De korpsbeheerder van de regio Rotterdam-Rijnmond draagt er zorg voor dat ten behoeve van de eenheid, bedoeld in het eerste lid, kan worden beschikt over:
a. a. twee vaartuigen; b. b. een commando-vaartuig; c. c. een reddingsvaartuig.
5. De korpsbeheerder van de regio Rotterdam-Rijnmond draagt er zorg voor dat de vaartuigen als bedoeld in het vierde lid zijn voorzien van een geoefende bemanning.
6. De korpsbeheerder van de regio Rotterdam-Rijnmond draagt er zorg voor dat de commandant van een vaartuig, bedoeld in het vierde lid, in staat is om samen te werken met een commandant van een basiseenheid en met een commandant van een vaartuig van het Korps landelijke politiediensten.
Paragraaf 6. Waterwerper
Artikel 18
1. De regio's Amsterdam-Amstelland, Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden hebben de beschikking over een of meer waterwerpers en een bijbehorend team.
2.
Een team van een waterwerper bestaat uit:
a. a. een commandant, b. b. een chauffeur, en c. c. twee kanonniers, waarvan er één plaatsvervangend chauffeur is.
3. De korpsbeheerder van een regio, genoemd in het eerste lid, stelt de waterwerper met een team ter beschikking van een andere korpsbeheerder indien deze daarom verzoekt.
4. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat per waterwerper ten minste twee teams voor inzet beschikbaar zijn.
Paragraaf 7. Verbindingsmiddelen
Artikel 19
De korpsbeheerder maakt op basis van de organisatiestructuur van de mobiele eenheid voor het grootschalig optreden een verbindingsschema voor het gebruik van de verbindingsmiddelen.
Artikel 20
Onze Minister van Binnenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Justitie voor zover het de aanhoudingseenheden betreft, kan nadere regels geven voor:
a. a. de uitrusting van de mobiele eenheid, b. b. de voertuigen en de vaartuigen die door de mobiele eenheid worden gebruikt, c. c. de frequenties en aantallen van de verbindingsmiddelen van de mobiele eenheid naar eenheid, voertuig en vaartuig.
Paragraaf 8. Opleiding
Artikel 21
1.
Een ambtenaar van politie kan lid worden van de mobiele eenheid indien hij:
a. a. drie jaar werkzaam is in de basispolitiezorg, b. b. voldoet aan de door de Minister van Binnenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Justitie voor zover het de aanhoudingseenheden betreft, gestelde geschiktheidseisen, en c. c. de basisopleiding mobiele eenheden heeft afgerond.
2.
Voor de volgende functies binnen de mobiele eenheid gelden aanvullende eisen:
a. a. een groepscommandant en een commandant als bedoeld in artikel 17, heeft ten minste schaal 8; b. b. een sectiecommandant heeft ten minste schaal 9; c. c. een pelotonscommandant heeft ten minste schaal 10; d. d. een compagniescommandant heeft ten minste schaal 12.
3. De ambtenaar van politie die deel uitmaakt van de mobiele eenheid, heeft voldaan aan de eindtermen van de door de Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen vervolgopleiding. Het aanwijzen geschiedt in overeenstemming met de Minister van Justitie voor zover het de vervolgopleiding voor de aanhoudingseenheid betreft.
Artikel 22
1. Een lid van de mobiele eenheid volgt jaarlijks tweemaal een door de korpsbeheerder verzorgde voortgezette opleiding mobiele eenheid.
2. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de voortgezette opleiding mobiele eenheid ten minste 40 oefenuren per jaar inhoudt.
Paragraaf 9. Coördinatie
Artikel 23
De korpsbeheerder wijst een ambtenaar aan die wordt belast met de coördinatie van de mobiele eenheid in het regionaal politiekorps.
Paragraaf 10. Beleidsplan
Artikel 24
1. De korpsbeheerder stelt jaarlijks een beleidsplan voor de mobiele eenheid op waarin wordt aangegeven op welke wijze aan de eisen, bedoeld in deze regeling uitvoering is gegeven.
2. De korpsbeheerder zendt het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, aan de commissaris van de Koning in de provincie en de procureur-generaal bij het gerechtshof binnen welks rechtsgebied de regio is gelegen.
3. De korpsbeheerder zendt het beleidsplan vóór 1 september ter goedkeuring aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Voor zover het de aanhoudingseenheden betreft wordt het beleidsplan tevens door de Minister van Justitie goedgekeurd.
Paragraaf 11. Nazorg en evaluatie
Artikel 25
De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat binnen het regionaal politiekorps voldoende opvang wordt gegeven aan de ingezette leden na een optreden van de mobiele eenheid.
Artikel 26
De burgemeester maakt, in overeenstemming met de officier van justitie, van elk grootschalig optreden door de mobiele eenheid waarbij ernstige verstoring van de openbare orde is ontstaan, een evaluatierapport op, dat door tussenkomst van de korpsbeheerder aan de ministers wordt toegezonden.
Paragraaf 12. Slotbepalingen
Artikel 27
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 28
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling mobiele eenheid.
Bijlage 1. Bijstandssterkte mobiele eenheid
Bijlage 2
De navolgende politieregio's hebben voor bijstand een geoefend peloton mobiele eenheden beschikbaar dat tevens geschikt is om op te treden rond of aan boord van vaartuigen: