rijk/ministeriele-regeling/regeling-ocw-subsidies/BWBR0028820/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

29 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling OCW-subsidies BWBR0028820 ministeriele-regeling geldend 2015-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0028820 Regeling OCW-subsidies

Regeling OCW-subsidies

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

  • accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
  • instellingssubsidie: subsidie voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende, structurele activiteiten van een instelling,
  • jaarrekening: jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
  • jaarverslaggeving: geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
  • niet-onderwijsinstelling: natuurlijk persoon of rechtspersoon, niet zijnde een onderwijsinstelling,
  • onderwijsinstelling: bekostigde onderwijsinstelling waarop de Regeling jaarverslaggeving onderwijs van toepassing is,
  • projectsubsidie: subsidie voor tijdelijke activiteiten, die anders dan als instellingssubsidie wordt verstrekt,
  • richtlijnen: Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving,
  • SBB: Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Web,
  • subsidie: instellingssubsidie of projectsubsidie,
  • Web: Wet educatie en beroepsonderwijs,
  • Wet SLOA 2013: Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013.

Artikel 2

1.

Deze regeling is van toepassing op subsidieverstrekking door de minister op grond van de volgende artikelen of de daarop gebaseerde regelingen:

a. a. de artikelen 2 en 4 van de Wet overige OCW-subsidies, b. b. de artikelen 2 en 3, tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies, c. c.

      artikel 70, van de Wet op het primair onderwijs,

d. d.

      artikel 116, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs,

e. e.

      artikel 116, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs,

f. f.

      artikel 123, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs,

g. g.

      artikel 123, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs,

h. h.

      artikel 135, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs,

i. i.

      artikel 71 van de Wet op de expertisecentra,

j. j.

      artikel 113, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra,

k. k.

      artikel 113, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra,

l. l.

      artikel 120, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra,

m. m.

      artikel 120, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra,

n. n.

      artikel 129, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra,

o. o.

      artikel 74 van de Wet op het voortgezet onderwijs,

p. p.

      artikel 85a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

q. q.

      artikel 85a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

r. r.

      artikel 89, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

s. s.

      artikel 89, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

t. t.

      artikel 1.5.1, derde en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

u. u.

      artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

v. v.

      artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

w. w.

      artikel 2.4.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

x. x.

      artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en

y. y.

      artikel 2, tweede lid, en artikel 3, tweede lid, van de Wet SLOA 2013.

2. Deze regeling houdt tevens beleidsregels in met betrekking tot de wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 123, tweede lid, en 135, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 120, tweede lid, en 129, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en 85a, tweede lid, en de artikelen 89, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

3. Indien subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet overige OCW-subsidies juncto artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dan wel artikel 2, tweede lid, of artikel 3, tweede lid, van de Wet SLOA 2013, kan bij beschikking worden afgeweken van deze regeling.

Hoofdstuk 2. Voorschriften voor zowel onderwijsinstellingen als niet-onderwijsinstellingen

Artikel 3

Dit hoofdstuk is van toepassing op zowel onderwijsinstellingen als niet-onderwijsinstellingen.

Artikel 4

1. Indien een aanvraag om subsidie op grond van enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven, omvat die subsidieaanvraag in ieder geval een activiteitenplan en een begroting.

2. Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op meer dan een jaar, omvat de aanvraag een meerjarenactiviteitenplan en een meerjarenbegroting.

3. Artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

1. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 6

Bij terugvordering van ten onrechte betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan de minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan de minister in dat geval de verschuldigde wettelijke rente vorderen.

Artikel 6a

1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, legt de minister een door hem te bepalen vergoedingsplicht op.

2. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden activa gewaardeerd op hun actuele waarde. De waardebepaling van een onroerende zaak geschiedt door drie deskundigen. De minister en de subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.

3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de activiteiten van de subsidieontvanger door een derde worden voortgezet en de activa en passiva met toestemming van de minister tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.

Artikel 7

Afdeling 4.2.8 van de Algemene Wet bestuursrecht is van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies die € 125.000 of meer bedragen.

Artikel 8

1. Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, voert de subsidieontvanger een administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De subsidieontvanger bewaart de administratie en de daartoe behorende bescheiden gedurende zeven jaren.

Artikel 9

1. De subsidieontvanger doet onverwijld een melding bij de minister van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidieverstrekking. Bij de melding worden de stukken overgelegd die betrekking hebben op de gemelde feiten en omstandigheden en wordt de oorzaak van de gemelde feiten en omstandigheden toegelicht.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval toepassing gegeven indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat:

a. a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of b. b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

Artikel 10

De subsidieontvanger werkt mee aan het tot stand komen van een overeenkomst indien dit naar het oordeel van de minister noodzakelijk is om te komen tot het overdragen aan de minister van rechten met betrekking tot intellectuele eigendom, ter zake van de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 11

Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt en direct wordt vastgesteld, vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats.

Hoofdstuk 3. Voorschriften uitsluitend voor onderwijsinstellingen

Artikel 12

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op onderwijsinstellingen.

Artikel 13

1. De verantwoording van subsidie door onderwijsinstellingen geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

2.

Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt tussen:

a. a. subsidie waarbij het eventueel niet aangewende deel van de subsidie, mits de activiteiten volledig zijn uitgevoerd, kan worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt, b. b. subsidie die uitsluitend mag worden aangewend voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt, en c. c. subsidie die ook kan worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Hoofdstuk 4. Voorschriften uitsluitend voor niet-onderwijsinstellingen

Paragraaf 1. Verlening

Artikel 14

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op niet-onderwijsinstellingen.

Artikel 15

1. Een beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag of, indien sprake is van een subsidieplafond en de verlening plaatsvindt in volgorde van rangschikking of evenredige verdeling, binnen 13 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

2.

De termijn, genoemd in het eerste lid, bedraagt 22 weken indien:

a. a. over de aanvraag advies wordt ingewonnen, b. b. een nader onderzoek naar de aanvraag wordt ingesteld, of c. c. sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en die Raad gezamenlijk of de Europese Commissie goedgekeurd programma.

3. Indien over de aanvraag een niet bij wettelijk voorschrift voorgeschreven advies wordt ingewonnen of een nader onderzoek naar de aanvraag wordt ingesteld, deelt de minister dit aan de aanvrager mee.

4. Indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peer reviews, bedraagt de termijn, genoemd in het eerste lid, 40 weken.

Paragraaf 2. Verantwoording en vaststelling

Artikel 16

Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, vindt een aanvraag tot subsidievaststelling plaats binnen 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend dan wel na afloop van het boekjaar, of binnen een bij ministeriële regeling of bij beschikking op te nemen termijn.

Artikel 17

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven:

a. a. indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt en direct wordt vastgesteld: binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie, b. b. indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt en niet direct wordt vastgesteld: binnen 22 weken na de in de ministeriële regeling of de beschikking opgenomen datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, moeten zijn verricht, en c. c. indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt: binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.

Artikel 18

Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. Bij ministeriële regeling of bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.

Artikel 19

1. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, toont de subsidieontvanger aan de hand van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2. Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten.

3. De inrichting van het verslag komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan.

4. Het verslag bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie.

5. Bij ministeriële regeling of bij beschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger op een andere wijze aantoont dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 20

1. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, kan bij ministeriële regeling of bij beschikking worden bepaald dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aantoont dat de activiteiten zijn verricht. In dat geval is artikel 19 niet van toepassing en, indien de subsidie minder dan € 125.000 bedraagt, is artikel 8 van overeenkomstige toepassing.

2.

In de verklaring geeft de subsidieontvanger aan:

a. a. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, b. b. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, c. c. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is, d. d. wat, in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve is, e. e. wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, is, en f. f. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

Artikel 21

Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger, onverminderd artikel 19, rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

1. Het financieel verslag, bedoeld in artikel 21, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant.

2. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het Controleprotocol subsidies aan niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, tenzij bij de verlening anders is bepaald.

3. In de verklaring, bedoeld in het eerste lid, geeft de accountant tevens een oordeel over de naleving door de subsidieontvanger van de in het controleprotocol genoemde voorschriften.

Paragraaf 3. Bevoorschotting

Artikel 23

1. Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt en niet direct wordt vastgesteld, verleent de minister de subsidieontvanger een voorschot van 100 procent van het subsidiebedrag.

2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, geschiedt de verlening van het voorschot gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening en bedraagt het voorschot 100 procent van het subsidiebedrag, tenzij bij ministeriële regeling of bij beschikking is bepaald dat het voorschot 80 procent van het subsidiebedrag bedraagt.

3. De minister betaalt als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag dat aan de subsidieontvanger is verleend.

4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de hoogte en de spreiding van de voorschotten bij ministeriële regeling of bij beschikking per tijdvak worden bepaald aan de hand van de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger. De liquiditeitsbehoefte volgt uit gegevens van de aanvrager of wordt ambtshalve vastgesteld door de minister.

Paragraaf 4. Jaarverslaggeving niet-onderwijsinstellingen

Artikel 24

1. Indien dat bij de subsidieverlening, in afwijking van artikel 21, is bepaald, geschiedt de financiële verantwoording in de jaarverslaggeving, overeenkomstig de Voorschriften voor de jaarverslaggeving niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling. In dat geval geschiedt de verantwoording van projectsubsidies van € 125.000 of meer tevens overeenkomstig het model Verantwoording van projectsubsidies, zoals opgenomen in die bijlage.

2. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het Controleprotocol subsidies aan niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling.

Hoofdstuk 5. Voorschriften uitsluitend bedoeld voor instellingen zoals bedoeld in de

Artikel 25

Dit hoofdstuk is uitsluitend en in aanvulling op de hoofdstukken 2 en 4 van toepassing op instellingen zoals bedoeld in de Wet SLOA 2013.

Artikel 26

Artikel 10 van deze regeling is niet van toepassing.

Artikel 27

1. De minister doet de instellingen jaarlijks voor 1 maart een startbrief toekomen.

2. De startbrief heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de startbrief aan de instellingen wordt bekendgemaakt.

3.

De startbrief bevat in ieder geval:

a. a. een nadere invulling en uitsplitsing van de taken, naar activiteiten, zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van de Wet SLOA 2013, b. b. een financieel kader met daarin opgenomen het subsidieplafond voor de instellingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet SLOA 2013 en wanneer van toepassing een subsidieplafond voor de instellingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet SLOA 2013, c. c. een planning van de subsidiecyclus.

4. In aanvulling op artikel 6 van de Wet SLOA 2013 kan subsidieverlening worden geweigerd indien de minister van oordeel is dat de aanvraag niet past binnen de startbrief.

Artikel 28

Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 29

1. De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Voorschriften voor de jaarverslaggeving niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling.

2. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het Controleprotocol subsidies aan niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 30

1. De instellingen dienen hun subsidieaanvraag in voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

2. De subsidieaanvraag, bedoeld in het eerste lid, betreft de taken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet SLOA 2013.

3. Subsidieaanvragen voor de taak, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet SLOA 2013 worden voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, of voor 1 maart of voor 1 september van het lopende jaar ingediend.

4. De minister beslist binnen 13 weken na 1 oktober onderscheidenlijk 1 maart of 1 september.

Artikel 31

1. De instellingen leveren jaarlijks voor 15 september een voortgangsrapportage.

2. De voortgangsrapportage heeft betrekking op het lopende jaar. Het bevat een verslag van de periode van 1 januari tot en met 31 augustus en een vooruitblik naar de periode van 1 september tot en met 31 december.

3. De voortgangsrapportage bevat per activiteit zoals omschreven in de beschikking tot subsidieverlening, de voortgang van de activiteiten, de besteding tot dan toe, alsmede een vooruitblik ten aanzien van de activiteiten en besteding in de resterende periode in het kalenderjaar.

Artikel 32

1. De instellingen vormen een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10 procent van het totaal van de over het laatste kalenderjaar verleende subsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

3. De egalisatiereserve bedraagt ten laagste € 0.

4. De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed aan de taken, bedoeld in artikel 2 onderscheidenlijk 3, van de Wet SLOA 2013.

5. De egalisatiereserve wordt gevormd door een toevoeging bij een positief eindresultaat en een onttrekking bij een negatief eindresultaat. Het eindresultaat is de verleende subsidie verminderd met de werkelijke kosten.

6. Voor zover het voor de toevoeging beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, wordt dat bedrag bij de vaststelling in mindering gebracht op de subsidie.

Artikel 33

Artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, wordt gelezen als:

e. e. het aangaan van langlopende kredietovereenkomsten en van langlopende overeenkomsten van geldlening.

Hoofdstuk 6. Voorschriften uitsluitend bedoeld voor SBB

Artikel 33a

Dit hoofdstuk is uitsluitend en in aanvulling op de hoofdstukken 2 en 4 van toepassing op SBB.

Artikel 33b

Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 33c

1. De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Voorschriften voor de jaarverslaggeving niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling.

2. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het Controleprotocol subsidies aan niet-onderwijsinstellingen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 33d

1. SBB dient haar subsidieaanvraag voor de taken, genoemd in artikel 1.5.1, eerste lid, onderdelen a tot en met f, van de Web in voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

2. De subsidieaanvraag omvat mede de stand van de voorziening, bedoeld in artikel 33e.

Artikel 33e

1. SBB treft een voorziening voor de verplichtingen met betrekking tot gewezen personeel alsmede het beheer daarvan en al hetgeen daaruit voortvloeit.

2. De hoogte van de voorziening op het moment van de aanvraag, bedoeld in artikel 33d, staat in een redelijke relatie tot het specifieke doel waarvoor deze is ingesteld en heeft een directe relatie met het risico of met de toekomstige verplichting.

3. Indien in enig jaar uit de subsidieaanvraag blijkt dat de stand van de voorziening hoger is dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor het doel, wordt bij het verlenen van de subsidie waarop die subsidieaanvraag betrekking heeft, het meerdere in mindering gebracht.

4. De minister kan aanvullende gegevens opvragen die nodig zijn om zich over het vorenstaande een juist oordeel te kunnen vormen.

Artikel 33f

1. SBB vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De egalisatiereserve bedraagt ten minste € 0 en ten hoogste € 5 mln. dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

3. De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed aan de taken, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Web.

4. De egalisatiereserve wordt gevormd door een toevoeging bij een positief exploitatieresultaat en een onttrekking bij een negatief exploitatieresultaat.

5. Voor zover het voor de toevoeging beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, wordt het meerdere bij de vaststelling in mindering gebracht op de subsidie.

6. De regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33g

Artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, wordt gelezen als:

e. e. het aangaan van langlopende kredietovereenkomsten en van langlopende overeenkomsten van geldlening.

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 34

1. Deze regeling is van toepassing op subsidieverstrekking door de minister op grond van de regelingen, genoemd in bijlage 3.

2. Bij strijd tussen deze regeling en een regeling, genoemd in bijlage 3, prevaleert deze regeling.

3.

Tenzij anders is bepaald, is deze regeling niet van toepassing op:

a. a. subsidies die zijn verleend vóór 12 oktober 2010, b. b. subsidies die zijn verleend op grond van een regeling die in werking is getreden vóór 12 oktober 2010 en niet is genoemd in bijlage 3, of c. c. subsidies die zijn verleend vóór 1 januari 2012 op grond van een regeling die is genoemd in bijlage 3.

Artikel 35

Artikel 29 treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 over het verslagjaar 2014, tenzij bij beschikking een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 35a

Op subsidies die voor 1 januari 2014 zijn verleend, is artikel 22, tweede lid, niet van toepassing, tenzij vaststelling van die subsidie betrekking heeft op een periode die is aangevangen na 1 januari 2014.

Artikel 35b

1. In afwijking van artikel 33d wordt de subsidie voor het subsidietijdvak van 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2015 aangevraagd voor 15 augustus 2015.

2. In afwijking van artikel 33c geschiedt de verantwoording over de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2015 overeenkomstig bij beschikking te stellen regels.

3.

De minister vermindert de subsidie voor het jaar 2016 naar evenredigheid, indien hij aan de hand van de financiële verslagen over het verkorte boekjaar 2015 van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, het jaarverslag over 2015 van SBB of andere door SBB overgelegde gegevens vaststelt dat het totaal van de middelen dat door kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven aan SBB wordt overgedragen op grond van de overeenkomsten, bedoeld in artikel V van de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, groter is dan:

a. a. de middelen noodzakelijk voor de voorziening bedoeld in artikel 33e, b. b. de egalisatiereserve bedoeld in het derde lid, en c. c. een bij beschikking door de minister vastgesteld bedrag, dat ten behoeve van investeringen die op korte termijn nodig zijn, bij wijze van bestemmingsreserve wordt aangehouden.

Artikel 36

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 37

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling OCW-subsidies.

Bijlage 1. Controleprotocol subsidies aan niet-onderwijsinstellingen

Bijlage 2. Voorschriften voor de jaarverslaggeving niet-onderwijsinstellingen

Deze bijlage bevat voorschriften voor het opstellen van de jaarverslaggeving van door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gesubsidieerde niet-onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 24 van de Regeling OCW-subsidies, verder te noemen: grote niet-onderwijsinstellingen.

Bijlage 3

Subsidieregeling verbeteren binnenmilieu voor scholen in het primair onderwijs

Tijdelijke regeling meerjarig verstrekken subsidie aan het Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers

Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland

Regeling stimulering Bèta/techniek

Regeling remedial teaching v.w.o.-a.v.o.-v.b.o.

Regeling subsidies voor voortgezet onderwijs

Regeling regionaal zorgbudget, subsidie regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs en reboundvoorzieningen

Regeling Veldleerplanontwikkeling in samenwerking met organisaties en instellingen

Regeling doorontwikkeling praktijkonderwijs

Regeling Leerplusarrangement VO, Nieuwkomers VO en eerste opvang Vreemdelingen 2009

Subsidieregeling schoolmaatschappelijk werk in het mbo

Subsidieregeling LAKS, JOB en Combo

Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo

Subsidieregeling Libertas Noodfonds

Regeling subsidie regionale expertisecentra in verband met de pakketmaatregel AWBZ 2009

Subsidieregeling passend onderwijs 20102012

Regeling InnovatieImpuls Onderwijs

Stimuleringsregeling Krachtig meesterschap

Regeling subsidiëring stagebegeleiding educatieve minoren in het voortgezet onderwijs 20092012

Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.

Regeling Bevordering Internationalisering PO/VO

Subsidieregeling BIOS PO en VO

Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap

Kaderregeling subsidiëring bilaterale wetenschappelijke en technologische onderzoeksamenwerking

Kaderregeling subsidiering projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap

Subsidieregeling Stichting AAP

Regeling experimenten prestatiebeloning onderwijs

Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 20092012

Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 20002006

Subsidieregeling Huygens Scholarship Programme

Tijdelijke regeling subsidie experimenten open bestel

Subsidieregeling postinitiële masteropleidingen hoger beroepsonderwijs