40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
39 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling plantgezondheid | BWBR0044863 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-03-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0044863 | Regeling plantgezondheid |
Regeling plantgezondheid
Hoofdstuk 1. Algemeen
Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1
– –
*aardappel:* een plant of plantaardig product van het geslacht *Solanum tuberosum* L.;
– –
*aardappelopslag:* aardappelplanten gegroeid uit op een terrein of perceel achtergebleven aardappelknollen of zaad;
– –
*bacterievuur:* de ziekte veroorzaakt door de bacterie *Erwinia amylovora* (Burrill) Winslow et al;
– –
*bedrijfsmatige teelt:* de teelt van planten in de uitoefening van een bedrijf;
– –
*besluit:*
Besluit plantgezondheid;
boomkwekerijgewassen en vaste planten: winterharde en half-winterharde houtgewassen, vaste planten en vaste planten en wortelstokken, uitgezonderd de gewassen die gerekend worden tot de bloembollensector, en als zodanig worden genoemd in bijlage II van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007;
– –
*bietenopslag:* bladvorming aan of bietenplanten gegroeid uit resten of zaad van een voorgaande suiker-, voeder- of rode bietenteelt die op een productielocatie zijn achtergebleven;
– –
*een door een schadelijk organisme aangetaste partij:* een partij waarop of waarin op enigerlei wijze een schadelijk organisme voorkomt;
– –
*dezelfde onderneming:*
1°.
het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van zetmeelaardappelen dat de ondernemer in het in bijlage 11 aangewezen gebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert,
2°.
het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van consumptieaardappelen dat de ondernemer op Nederlands grondgebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert;
1°. 1°. het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van zetmeelaardappelen dat de ondernemer in het in bijlage 11 aangewezen gebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert, 2°. 2°. het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van consumptieaardappelen dat de ondernemer op Nederlands grondgebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert; – –
*goedgekeurde pootaardappelen:* pootaardappelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van de Regeling verhandeling teeltmateriaal;
– –
*in het verkeer brengen:* voor het vrije verkeer ter beschikking of in voorraad houden, verkopen, te koop aanbieden of afleveren alsmede in- en uitvoeren van en naar lidstaten;
– –
*knolcyperus:* planten behorende tot de soort *Cyperus esculentus* L.;
– –
*koprot:* de schimmelziekte veroorzaakt door *Botrytis alii*;
– –
*minister:* de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
– –
*NAK:* de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
– –
*opplant:* iedere handeling betreffende het plaatsen van planten ten einde hun verdere groei of vermeerdering te bewerkstelligen;
– –
*partij:* hoeveelheid planten of plantaardige producten, al dan niet met aanhangende grond of andere cultuurmedia, of resten daarvan of afval van deze planten of plantaardige producten;
– –
*plantuien:* uien, kennelijk bestemd voor wederuitplant;
– –
*pootaardappelen:* aardappelen die kennelijk bestemd zijn of gebruikt worden voor wederuitplant;
– –
*pootaardappelen voor eigen gebruik:* pootaardappelen, afkomstig van en bestemd voor de teelt binnen de eigen onderneming;
– –
*pootgoedhandelingen:* het telen, oogsten, opslaan, bewaren, sorteren en het transport van pootaardappelen;
– –
*productielocatie:* terrein, perceel of deel hiervan, waarop wordt geteeld of fytosanitaire maatregelen, voorschriften of beperkingen van toepassing zijn;
– –
*uien:*
*Allium cepa* en *Allium ascalonicum*;
– –
*uitvoeringsverordening 2019/2072:*
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het EuropeesParlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking vanVerordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PbEU 2019, L 319);
– –
*valse meeldauw:* de schimmelziekte veroorzaakt door *Peronospora destructor*;
– –
*werktuigen:* machines, installaties, transportmiddelen, gereedschappen materialen of apparatuur die met grond in aanraking komen;
– –
*wet:*
Plantgezondheidswet;
– –
*zetmeelaardappelen:* aardappelen bestemd om te worden verwerkt tot zetmeel met GN-code 11081300.
Paragraaf 1.2. Maatregelen
Artikel 2
Verkrijgen de in artikel 22, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren of personen de wetenschap of het vermoeden van de aanwezigheid van schadelijke organismen dan kan de minister, in afwachting van bij of krachtens de wet voor te schrijven maatregelen, in individuele gevallen maximaal twee werkdagen of zoveel langer als naar het oordeel van de minister nodig is het vervoeren of verplaatsen van de schadelijke organismen, van planten, plantaardige producten of ander materiaal, verbieden of daaromtrent voorschriften geven of deze planten, plantaardige producten of ander materiaal kenmerken of onder verzegeling brengen waarbij het anderen dan de in artikel 22, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren of personen verboden is de kenmerken en zegels te verwijderen, behoudens met toestemming van de minister.
Artikel 3
1.
De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen in een situatie als bedoeld in artikel 10, derde alinea, van verordening 2016/2031 met inachtneming van bijlage II van verordening 2016/2031 ten aanzien van:
a. a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt; b. b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme mogelijk aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt; c. c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of d. d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
2. De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen indien een partij planten, plantaardige producten of andere materialen verdacht wordt door een schadelijk organisme te zijn aangetast maar dat niet officieel bevestigd is, met inachtneming van bijlage II, van verordening 2016/2031.
3.
De minister kan fytosanitaire maatregelen treffen als bedoeld in bijlage II van verordening 2016/2031 in een situatie als bedoeld in artikel 17 van verordening 2016/2031 ten aanzien van:
a. a. een EU-quarantaineorganisme indien dat organisme aanwezig is in Nederland of een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt; b. b. een schadelijk organisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, eerste lid, van verordening 2016/2031 vastgestelde maatregelen indien dat organisme aanwezig is in een deel van Nederland waarvan al bekend is dat het organisme er voorkomt; c. c. een EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 36 van verordening 2016/2031, of d. d. een ZP-quarantaineorganisme als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2016/2031.
4. De fytosanitaire maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, indien zij een besluit zijn, voor één of meer afzonderlijke gevallen worden genomen.
5. Aan deze besluiten kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Hoofdstuk 2. Uitvoeringsbepalingen
Artikel 4
De kennisgeving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van verordening 2016/2031 is niet vereist voor de volgende schadelijke organismen:
a. a.
*Globodera pallida* (Stone) Behrens
b. b.
*Globodera rostochiensis* (Wollenweber) Behrens
c. c.
*Meloidogyne chitwoodi* Golden *et al*
d. d.
*Meloidogyne fallax* Karssen.
Artikel 5
Er is sprake van de situatie, bedoeld in artikel 82, eerste alinea, van verordening 2016/2031 indien de bedrijfsruimten van een geregistreerde marktdeelnemer en de locatie van de door hem gebruikte percelen zich in Nederland bevinden.
Artikel 6
Bij de minister kan, met een door de minister ter beschikking gesteld middel, worden ingediend een aanvraag tot erkenning als:
a. a. inspectiecentrum als bedoeld in artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1014 van de Commissie van 12 juni 2019 tot vaststelling van nadere regels betreffende minimumvoorschriften voor grenscontroleposten, met inbegrip van inspectiecentra, en voor de vorm, de categorieën en afkortingen voor het opstellen van lijsten van grenscontroleposten en controlepunten (PbEU 2019, L 165); of b. b. controlepunt als bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a, van verordening 2017/625.
Artikel 7
1. Een professionele marktdeelnemer kan een aanvraag tot erkenning voor de export naar derde landen waar bilaterale afspraken mee zijn gemaakt op grond waarvan fytosanitaire voorwaarden van toepassing zijn, bij de minister indienen met een door de minister ter beschikking gesteld middel.
2. De minister kan professionele marktdeelnemers erkennen voor deelname aan exportinspectie-vervangend systeemtoezicht ten behoeve van de afgifte van fytosanitaire certificaten.
3. Een bedrijfslaboratorium kan bij de minister een aanvraag tot erkenning indienen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van tests als bedoeld in artikel 100, tweede lid, onderdeel a, van verordening 2016/2031 met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
4. Aan een door de minister te verlenen erkenning als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Hoofdstuk 3. Preventie
Paragraaf 3.1. Bruinrot en ringrot
Artikel 8
1.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
– –
*besmet of waarschijnlijk besmet oppervlaktewater:* oppervlaktewater waarin de bruinrotbacterie op grond van door de NVWA verrichte onderzoeken is aangetoond of waarvan wordt vermoed dat de bruinrot bacterie zich daarin bevindt;
– –
*bronwater:* water dat met gebruikmaking van een pomp aan de bodem wordt onttrokken;
– –
*bruinrot:* de ziekte veroorzaakt door de bacterie *Ralstonia solanacearum* (Smith 1896) Yabuuchi *et al.*, 1996 emend. Safni *et al.*, 2014 of *Ralstonia pseudosolanacearum *Safni *et al.,* 2014;
– –
*bruinrot veilige afwateringssloot:* een met bronwater of kwelwater gevulde kavelsloot die vrij is van bruinrotwaardplanten alsmede van de afvalresten hiervan en die door zijn ligging het gehele jaar is gevrijwaard van de instroom van oppervlaktewater;
– –
*bruinrot veilige infiltratiesloot:* een met bronwater gevulde kavelsloot, die vrij is van bruinrotwaardplanten en afvalresten hiervan en die op het moment van vullen met bronwater vrij was van oppervlaktewater en vanaf dat moment waterdicht afgesloten is geweest van in andere watergangen aanwezig oppervlaktewater;
– –
*bruinrotwaardplanten:* nader omschreven planten en tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten als bedoeld in artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1193;
– –
*kwelwater:* water dat op natuurlijke wijze onder druk door de ondergrond wordt geperst en op bepaalde plaatsen uit de bodem treedt;
– –
*oppervlaktewater:* een watermassa die in direct contact staat met het aardoppervlak en met de open lucht alsmede een watermassa die bij een eerdere opslag geheel of gedeeltelijk in direct contact heeft gestaan met het aardoppervlak;
– –
*productieplaats:* een gedeelte van een bedrijf waar pootgoedhandelingen plaats hebben;
– –
*ringrot:* de ziekte veroorzaakt door de bacterie *Clavibacter sepedonicus* (Spieckermann & Kotthoff 1914) Li *et al.,* 2018;
– –
*snijden:* het verdelen van een knol van een pootaardappel in meerdere delen;
-
- uitvoeringsverordening 2022/1193: * Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1193 van de Commissie van 11 juli 2022 tot vaststelling van maatregelen om Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al. 1996 emend. Safni et al. 2014 uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen (Pb EU 2022, L 185);
-
- uitvoeringsverordening 2022/1194: * Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1194 van de Commissie van 11 juli 2022 tot vaststelling van maatregelen om Clavibacter sepedonicus (Spieckermann & Kotthoff 1914) Nouioui et al. 2018 uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen (Pb EU 2022, L 185).
2. De minister wijst op kaarten met topografische achtergrond de gebieden aan waar besmet of vermoedelijk besmet oppervlaktewater voorkomt.
3. De gebieden, bedoeld in het tweede lid, zijn opgenomen in bijlage 1.
Artikel 9
1. Het is verboden om oppervlaktewater op zodanige wijze te gebruiken dat dit oppervlaktewater in contact kan komen met pootaardappelen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in de in bijlage 1 bedoelde gebieden eveneens van toepassing ten aanzien van andere bruinrotwaardplanten dan pootaardappelen.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing voor gebruik van water dat is opgeslagen in een bruinrot veilige infiltratiesloot die is gelegen buiten de in bijlage 1 bedoelde gebieden.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet van toepassing voor gebruik van water dat is opgeslagen in een bruinrot veilige afwateringssloot.
Artikel 10
1. Het is verboden in Nederland geteelde aardappelen als pootaardappelen in het verkeer te brengen of als pootaardappelen te gebruiken.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien uit het in artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1193 respectievelijk artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1194 bedoelde onderzoek blijkt dat de partij waartoe de aardappelen behoren vrij is bevonden van:
a. a. de bacterie Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al., 1996 emend. Safni et al., 2014; b. b. de bacterie Clavibacter sepedonicus (Spieckermann & Kotthoff 1914) Li et al., 2018; en c. c. de bacterie* Ralstonia pseudosolanacearum* Safni et al., 2014.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien het een partij prebasispootgoed betreft van de 1^e of 2^e generatie (PB1 en PB2) die niet in het handelsverkeer gebracht wordt of een partij aardappelen betreft als bedoeld in artikel 40, tweede of derde lid.
Artikel 11
1. Op een productieplaats van goedgekeurde pootaardappelen worden geen aardappelen gesneden.
2. Werktuigen en voorzieningen gebruikt op of gevestigd op de productieplaats van goedgekeurde pootaardappelen worden niet ter beschikking gesteld voor het snijden van pootaardappelen of voor pootgoedhandelingen met betrekking tot gesneden pootaardappelen.
3. Werktuigen en voorzieningen die zijn gebruikt voor het snijden van pootaardappelen of voor pootgoedhandelingen met betrekking tot gesneden pootaardappelen, worden niet gebruikt op de productieplaats of als productieplaats van goedgekeurde pootaardappelen.
Artikel 12
1. Aardappelen worden niet geteeld met gebruikmaking van pootaardappelen die zijn gesneden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien pootaardappelen zijn bestemd voor de teelt van consumptieaardappelen of zetmeelaardappelen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien op een productieplaats goedgekeurde pootaardappelen worden geteeld.
Paragraaf 3.2. Bacterievuur
Artikel 13
1.
In de in bijlage 2 aangewezen beschermde gebieden is het opplanten, bewaren en vervoeren verboden van planten van:
a. a.
*Cotoneaster floccosus*, *Cotoneaster salicifolius* en *Cotoneaster watereri* en de daartoe behorende cultivars en van het geslacht *Photinia davidiana* (Stranvaesia Hort.);
b. b.
*Crataegus calycina*, *Crataegus laevigata* en *Crataegus monogyna* met uitzondering van de daartoe behorende cultivars.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de in onderdeel b genoemde planten:
a. a. voor zover de bedoelde handelingen plaatsvinden in het kader van de bedrijfsmatige teelt van boomkwekerijgewassen; b. b. voor zover de bedoelde handelingen plaatsvinden in de in bijlage 2 apart aangewezen gebieden waarin de meidoorn een landschappelijk bepalende rol speelt.
Artikel 14
De minister kan gebruiksgerechtigden van terreinen gelegen in de in bijlage 2 bedoelde gebieden, verplichten onderhoudsmaatregelen ter voorkoming en bestrijding van bacterievuur te treffen ten aanzien van zich daarop bevindende planten van door hem aangewezen geslachten en soorten op de voorgeschreven wijze.
Paragraaf 3.3. Wratziekte
Artikel 15
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
– –
*aardappel:* de gehele aardappelplant of delen daarvan;
– –
*schimmel:* de schimmel Synchytrium endobioticum (Schilb.) Percival;
– –
*uitvoeringsverordening 2022/1195: *
Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1195 van de Commissie van 11 juli 2022 tot vaststelling van maatregelen om *Synchytrium endobioticum* (Schilbersky) Percival uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen;
– –
*wratziekte:* de aantasting van aardappelen door de schimmel Synchytrium endobioticum (Schilb.) Percival.
Artikel 16
1. Het is verboden op terreinen, waar wratziekte dreigt op te treden en die door de minister op basis van artikel 8 van de wet als zodanig zijn aangewezen, aardappelen te telen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor aardappelen behorende tot resistente rassen, voor zover de minister die rassen voor de bedoelde terreinen heeft aangewezen.
3. De minister wijst voor de in het eerste lid bedoelde terreinen overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid, van uitvoeringsverordening 2022/1195 resistente aardappelrassen aan.
4. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 17
1. De teelt van aardappelen in tuinen kan door de minister worden beperkt tot resistente aardappelrassen die bij besluit door de minister worden aangewezen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder tuin: een stuk grond in gebruik, anders dan ter uitoefening van de land- of tuinbouw als bedrijf, bij één persoon of bij meer personen die de teelt gezamenlijk uitoefenen.
3. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 18
1. Op een productielocatie, in een in bijlage 3a aangewezen gebied, worden geen aardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, als genoemd in bijlage 3b.
2. Op een productielocatie, in een in bijlage 4a aangewezen gebied, worden geen aardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, als genoemd in bijlage 4c1. Voor de teelt van pootaardappelen is het telen van de in bijlage 4c2 vermelde rassen toegestaan.
3. Op een productielocatie, in een in bijlage 4b aangewezen gebied, worden geen zetmeelaardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, als genoemd in bijlage 4c1.
4. Op een productielocatie, in een in bijlage 5a aangewezen gebied, worden geen aardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, als genoemd in bijlage 5.
Paragraaf 3.4. Phytophthora infestans
Artikel 19
Na 1 april van een jaar worden niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen, tenzij bestemd om te worden uitgeplant, zodanig afgedekt dat reeds zichtbare of nog te vormen stengels met blad niet boven deze afdekking kunnen voorkomen.
Artikel 20
Van niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen mag men zich niet ontdoen, tenzij zodanige maatregelen zijn getroffen dat zich aan deze niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen geen stengels met blad kunnen ontwikkelen.
Artikel 21
1.
Het is degene die een productielocatie in gebruik heeft, verboden een aantasting van Phytophthora infestans te hebben, die als volgt omschreven is:
a. a. een groep min of meer aaneengesloten, zichtbaar door P. infestans aangetaste aardappelplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 20m^2, minimaal 1.000 (enkelvoudige) blaadjes zijn aangetast door vitale P. infestans, of b. b. verspreid aangetaste aardappelplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 100m^2, minimaal 2.000 (enkelvoudige) blaadjes zijn aangetast door vitale P. infestans.
2. Ingeval van stengelphytophthora telt elke stengel met vitale P. infestans voor 5 blaadjes.
3. Degene die een productielocatie in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid bedoelde aantasting.
Artikel 22
1.
Het is na 15 juni van een kalenderjaar aan degene die een productielocatie in gebruik heeft verboden om aardappelopslag te hebben, indien:
a. a. op dat perceel of terrein of een deel daarvan zich gemiddeld meer dan 1 aardappelplant per m^2 bevindt, en b. b. de opslag voorkomt op minimaal 0,3 hectare.
2. Degene die een productielocatie in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid bedoelde opslag.
Paragraaf 3.5. Vergelingsziekte bij bieten
Artikel 23
1. Het is na 15 april van een kalenderjaar aan degene die een productielocatie in gebruik heeft verboden om bietenopslag te hebben.
2. Degene die een productielocatie in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid bedoelde bietenopslag.
Artikel 24
Een eigenaar of houder van planten van suikerbieten, voederbieten of rode bieten, geteeld voor zaadwinning, waarop zich bladluizen bevinden, bestrijdt deze bladluizen op zodanige wijze dat dit geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de suikerbieten, voederbieten en rode bieten in de omgeving.
Artikel 25
1. Suikerbieten, voederbieten, rode bieten en afval van suikerbieten, voederbieten of rode bieten, voor zover daaraan bladvorming voorkomt, zijn niet voorhanden of in voorraad na 15 maart van een kalenderjaar.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op suikerbieten, voederbieten en rode bieten, die kennelijk bestemd zijn voor zaadwinning.
Paragraaf 3.6. Valse meeldauw en koprot
Artikel 26
Het is verboden na 15 april van enig jaar niet-uitgeplante uien of afval van uien aanwezig te hebben, tenzij op deze uien een afdekking is aangebracht of zodanige maatregelen zijn getroffen zonder welke niet-uitgeplante uien of afval van uien een bron kunnen zijn voor het verspreiden van valse meeldauw en koprot.
Artikel 27
Het is verboden zich te ontdoen van niet-uitgeplante uien of afval van uien, tenzij zodanige maatregelen zijn getroffen zonder welke zich aan deze niet-uitgeplante uien of afval van uien groene delen kunnen ontwikkelen en zonder welke deze niet-uitgeplante uien of afval van uien een bron kunnen zijn voor het verspreiden van koprot.
Artikel 28
1.
Het is degene die een productielocatie in gebruik heeft verboden een aantasting van valse meeldauw te hebben, die als volgt omschreven is:
a. a. een groep min of meer aaneengesloten, zichtbaar door valse meeldauw aangetaste uienplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 20 m^2, minimaal 1.000 blaadjes zijn aangetast door vitale valse meeldauw of b. b. verspreid aangetaste uienplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 100 m^2, minimaal 2.000 blaadjes zijn aangetast door vitale valse meeldauw.
2. Degene die een productielocatie in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde aantasting.
Artikel 29
1. Het is degene die een productielocatie in gebruik heeft verboden uien vanuit plantuien te telen indien hij niet beschikt over een beoordelingsrapport over het te gebruiken dan wel gebruikte uitgangsmateriaal, afgegeven door een keuringsinstelling die op basis van artikel 19 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 is aangewezen, waaruit blijkt dat bij visuele keuring van het uitgangsmateriaal te velde, vlak voor de oogst, geen valse meeldauw is geconstateerd of waaruit bij nacontrole van het uitgangsmateriaal blijkt dat het uitgangsmateriaal vrij is van valse meeldauw.
2. Het beoordelingsrapport wordt bewaard gedurende twee jaar na afgifte.
Paragraaf 3.7. Knolcyperus
Artikel 30
1. Het is degene die een productielocatie in gebruik heeft verboden akker- en tuinbouwgewassen te telen op de productielocatie of het gedeelte daarvan waar de aanwezigheid van knolcyperus door de minister is vastgesteld.
2. De minister maakt het teeltverbod, bedoeld in het eerste lid, met ingangsdatum, productielocatie of gedeelte daarvan, en termijn bekend.
3. In aanvulling op het teeltverbod kunnen door de minister maatregelen worden opgelegd met betrekking tot teelt, oogst, transport, opslag, schonen en bewaring van het geoogste product, het vernietigen en het ongeschikt maken voor gebruik als uitgangsmateriaal, alsmede opslag, bewaring, transport en vernietiging van afvalstromen, zoals grond- en gewasresten.
4. In een spoedeisende situatie kan de bekendmaking van het teeltverbod en de maatregelen aan de ondernemer mondeling geschieden. Een mondelinge bekendmaking wordt binnen een redelijke termijn bevestigd door een schriftelijke bekendmaking.
5. In afwijking van het eerste lid is het teeltverbod niet van toepassing gedurende de teelt van planten die is aangevangen voor vaststelling van de aanwezigheid van knolcyperus totdat deze teelt is beëindigd.
Artikel 31
1. Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd is verplicht de knolcyperus te verwijderen en te vernietigen voordat aan de knolcyperus vier of meer bladeren zichtbaar zijn of zich ondergrondse knollen hebben ontwikkeld.
2. Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd en degene die werktuigen heeft gebruikt op de productielocatie of het gedeelte daarvan waar het teeltverbod betrekking op heeft, is verplicht direct na dit gebruik de werktuigen zodanig vrij te maken van aanhangende grond en van planten, dat geen verspreiding van knolcyperus kan plaatsvinden.
Artikel 32
Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd, is verplicht bij wijzigingen met betrekking tot de eigendom of het gebruik van de productielocatie of het gedeelte daarvan waar het verbod betrekking op heeft:
a. a. het teeltverbod en de maatregelen onverwijld aan de nieuwe eigenaar of gebruiker te melden en b. b. de wijziging onverwijld aan de minister te melden.
Artikel 33
Het teeltverbod wordt door de minister opgeheven nadat is vastgesteld dat gedurende drie opeenvolgende jaren de productielocatie of het gedeelte daarvan waar het verbod betrekking op heeft, vrij is bevonden van knolcyperus dan wel is omgezet of afgegraven en fytosanitair verantwoord is afgevoerd.
Paragraaf 3.8. Aardappelmoeheid (AM)
Artikel 34
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
– –
*aardappelcysteaaltje:*
*Globodera pallida* (Stone) Behrens (Europese populaties) of *Globodera rostochiensis* (Wollenweber) Behrens (Europese populaties);
– –
*uitvoeringsverordening 2022/1192: *
Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192 van de Commissie van 11 juli 2022 tot vaststelling van maatregelen om *Globodera pallida* (Stone) Behrens en *Globodera rostochiensis* (Wollenweber) Behrens uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen (PbEU 2022, L 185).
Artikel 35
1. Het is verboden de planten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1192, te telen, op te slaan of te bewaren, indien uit een officieel detectieonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1192 niet is gebleken dat de productielocatie vrij is bevonden van het aardappelcysteaaltje.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een productielocatie als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, en 4, derde lid, van uitvoeringsverordening 2022/1192.
Artikel 36
1. Ten behoeve van het opleggen van fytosanitaire maatregelen met betrekking tot telen, opslaan of bewaren als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van uitvoeringsverordening 2022/1192 stelt de minister ieder jaar op basis van overeenkomstig bijlage V, punt 2, van uitvoeringsverordening 2022/1192 uitgevoerd onderzoek een lijst aardappelrassen met het bijbehorende resistentieniveau als bedoeld in bijlage V, punt 1, van uitvoeringsverordening 2022/1192, vast.
2. De lijst aardappelrassen met bijbehorend resistentieniveau wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
3. Verzoeken tot opname in de lijst worden ingediend bij de minister.
Artikel 37
Aardappelen worden niet geteeld in de volle grond op een productielocatie, gelegen in een in bijlage 8 aangewezen gebied.
Artikel 38
1. Aardappelen worden niet geteeld op een productielocatie, waarop in een van de twee voorafgaande kalenderjaren aardappelen zijn geteeld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de teelt van aardappelen op een productielocatie die is gelegen in een in bijlage 9 aangewezen gebied, mits voldaan wordt aan de in die bijlage gestelde regels.
3. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer twee aaneengesloten jaren aardappelen worden geteeld op een productielocatie waar in de voorafgaande acht kalenderjaren geen aardappelen of in bijlage I, onderdeel 1, van uitvoeringsverordening 2022/1192 vermelde planten, zijn geteeld.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op goedgekeurde pootaardappelen.
Artikel 39
1.
Het is de producent van teeltmateriaal van boomkwekerijgewassen en vaste planten verboden deze gewassen in de volle grond te telen en de geteelde gewassen in het verkeer te brengen, tenzij voor de teelt teeltmateriaal wordt gebruikt dat vrij is van besmetting met het aardappelcysteaaltje en er geteeld wordt op een productielocatie:
a. a. waarvoor uit een officieel detectieonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1192 blijkt dat de productielocatie vrij is bevonden van het aardappelcysteaaltje; b. b. waarop de laatste twaalf jaar geen aardappelen of andere, in bijlage I van uitvoeringsverordening 2022/1192 vermelde planten, zijn geteeld; of c. c. dat gelegen is in een in bijlage 8 aangewezen gebied.
2. Gedurende twaalf maanden nadat de boomkwekerijgewassen en vaste planten op de productielocatie zijn geoogst moet aantoonbaar zijn, dat is voldaan aan de eisen gesteld in het eerste lid.
Paragraaf 3.9. Fytosanitaire voorwaarden inzake teelt eigen pootgoed op basis van
Artikel 40
1. Aardappelen worden uitsluitend geteeld met gebruikmaking van goedgekeurde pootaardappelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het pootaardappelen voor eigen gebruik betreft die:
a. a. worden gebruikt ten behoeve van de teelt van zetmeelaardappelen en zijn voorzien van een schriftelijke verklaring van Stichting TBM; b. b. behoren tot in bijlage 10 genoemde aardappelrassen, en c. c. afkomstig zijn van en geteeld worden op een productielocatie dat is gelegen in een in bijlage 11 aangewezen gebied.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien binnen dezelfde onderneming in het voorgaande jaar geen goedgekeurde pootaardappelen zijn geteeld en het pootaardappelen voor eigen gebruik betreft die:
a. a. zijn voorzien van een schriftelijke verklaring van de NAK; b. b. worden gebruikt ten behoeve van de teelt van consumptieaardappelen; c. c. voldoen aan de eisen als bedoeld in artikel 61 van de Regeling verhandeling teeltmateriaal met uitzondering van de eis van een officieel detectieonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1192 voor de productielocatie waarop ze zijn geteeld en met uitzondering van het verbod tot vermeerderen met gebruikmaking van klasse B pootgoed, en d. d. afkomstig zijn van een productielocatie, gelegen binnen een straal van 25 kilometer vanaf het vestigingsadres van de teler en die geteeld worden op een productielocatie, gelegen binnen een straal van 50 kilometer vanaf het vestigingsadres van de teler.
4. Het certificaat of de schriftelijke verklaring voor de pootaardappelen wordt bewaard tot de maand mei, volgend op het jaar waarin de pootaardappelen voor de teelt van aardappelen zijn gebruikt.
Paragraaf 3.10. Slotbepaling
Artikel 41
1. De minister kan van het in hoofdstuk 3 bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen, die geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken.
2. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Hoofdstuk 4. Overtredingen
Artikel 42
1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 5, eerste lid, 9, derde lid, 14, eerste, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste lid, 15, derde lid, 17, 28, artikel 30, eerste lid, tweede alinea, 32, tweede lid, 33, eerste lid, 33, tweede lid, 37, eerste lid, 40, eerste lid, 41, eerste lid, 42, tweede lid, 43, eerste lid, 47, eerste lid, 49, 53, eerste lid, 54, eerste lid, 55, 57, 59, 61, eerste lid, 62, 63, tweede lid, 64, eerste en tweede lid, 66, eerste en vijfde lid, 69, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid, 70, 74, eerste lid, 79, eerste lid, 80, eerste lid, 83, eerste, tweede en vijfde lid, 84, eerste lid, 84, derde lid, 85, 87, eerste lid, 88, 90, 93, eerste, derde en vijfde lid, 95, eerste, derde en vierde lid, 96, eerste lid, en 97, eerste lid, 102, vierde lid van verordening 2016/2031 en de artikelen 15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 47, vijfde lid, 50, eerste en derde lid, 56, eerste en vierde lid, 57, eerste lid en 69, eerste lid, van verordening 2017/625, artikel 11, derde lid, van verordening 2019/2072, alsmede de artikelen 8, eerste en tweede lid, 9, eerste lid, en 10, eerste lid van uitvoeringsverordening 2022/1192, de artikelen 4, tweede lid, onder a, 6, eerste, tweede, derde en vierde lid van uitvoeringsverordening 2022/1193, de artikelen 4, tweede lid, onder a, 6 eerste, tweede, derde en vierde lid, en 8, eerste lid, van uitvoeringsverordening 2022/1194 en de artikelen 6, eerste, tweede, derde en vierde lid en 8, eerste lid van uitvoeringsverordening 2022/1195 zijn overtredingen.
2. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 8, derde lid, 9, 13, tweede lid, 15, vierde lid, 20, tweede lid, 24, derde lid, en 25 van de wet, en de voorschriften genoemd in het eerste lid, kunnen worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie.
Artikel 43
1. De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 8 van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in bijlage 12 voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
2. De rechtspersoon of vennootschap die binnen vijf jaren nadat een eerste overtreding is geconstateerd voor de tweede of derde keer een overtreding van hetzelfde artikel of hetzelfde artikellid begaat, kan een bestuurlijke boete opgelegd krijgen overeenkomstig de bedragen die horen bij één respectievelijk twee boetecategorieën hoger dan die in bijlage 12 voor de desbetreffende overtreding is vastgelegd.
3. De natuurlijke persoon die binnen vijf jaren nadat een eerste overtreding is geconstateerd voor de tweede of derde keer een overtreding van het zelfde artikel of hetzelfde artikellid begaat, kan een bestuurlijke boete opgelegd krijgen overeenkomstig de bedragen die horen bij één respectievelijk twee boetecategorieën hoger dan die in bijlage 12 voor de desbetreffende overtreding is vastgelegd, met een maximum van een boete van de derde categorie.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 44
Voor besluiten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Plantgezondheidswet zijn genomen op basis van de Regeling bestrijding schadelijke organismen, blijft het recht gelden zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Plantgezondheidswet.
Artikel 45
De volgende regelingen en het volgende besluit worden ingetrokken:
a. a.
Regeling aanwijzing schadelijke organismen;
b. b.
Regeling bestrijding schadelijke organismen;
c. c.
Regeling bruin- en ringrot 2000;
d. d.
Besluit aanwijzing Bloembollenkeuringsdienst.
Artikel 46
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2021.
Bijlage 1. Verbodsgebieden gebruik oppervlaktewater als bedoeld in de
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 2. Bacterievuur
Artikelen 13 en 14
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 3a. Als gebieden, als bedoeld in
Bijlage 3b. Toegelaten aardappelrassen als bedoeld in
Bijlage 4a. Als gebieden als bedoeld in
[afbeelding]
Bijlage 4b. Als gebieden als bedoeld in
[afbeelding]
Bijlage 4 c1. Toegelaten aardappelrassen als bedoeld in
Bijlage 4 c2. Toegelaten aardappelrassen als bedoeld in
Bijlage 5a. Als gebieden als bedoeld in
[afbeelding]
Bijlage 5b. Toegelaten aardappelrassen als bedoeld in
Bijlage 6. Vaststellen perceel AM
Vervallen
Bijlage 7. Verboden planten
Vervallen
Bijlage 8. Aangewezen gebied als bedoeld in de
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 9. Als gebieden, bedoeld in
Bijlage 10. Aardappelrassen als bedoeld in
De volgende zetmeelaardappelrassen mogen onder het TBM-regime vermeerderd worden:
Achilles *
Actaro *
Adelinde *
Allure *
Altus *
Amarock *
Amyla
Ardeche
Aurora *
Avamond*
Avarna *
Avatar *
Aveka
Aveline *
Avenger*
Aventra *
Avici *
Avito *
Axion *
Belita *
Benno Vrizo
BMC *
Dartiest *
Dirigent
Euroflora
Euroviva *
Festien *
Kuba *
Merenco *
Nomade
Novano *
Plasandes
Plasent *
Plasettie *
Plasinka *
Plasstärke *
Plasuno *
Plasure *
San Francisco *
Saprodi *
Sarion *
Sassy
Scala *
Scarlet
Scoop
Senata *
Seresta *
Serum Star *
Siebo
Signum *
Simphony *
Skarlos *
Smaragd *
Sofista *
Solution *
Spark *
Speculos *
Sprinter
Starga *
Stratos
Supporter *
Triton *
Vermont *
Let op: In de wratziektekerngebieden (bijlage 3a) Barger-Compascuum, Borger, Foxel, Mantinge, Ter Apel, Veendam en Veendam Oost mogen uitsluitend rassen worden geteeld die ook voldoende resistent zijn tegen fysio 18. Deze rassen zijn vermeld in bijlage 3b en hier aangeduid met een *.
Bijlage 11. Aangewezen zetmeelaardappeltelend gebied als bedoeld in
[afbeelding]
Bijlage 12. Boetecategorieën
Artikel 43