rijk/ministeriele-regeling/regeling-praktijkleren-en-versterking-primaire-opleidingen-groen-onderwijs/BWBR0024981/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

23 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs BWBR0024981 ministeriele-regeling geldend 2009-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024981 Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs

Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. b.

    *afdeling:* afdeling Landbouw en natuurlijke omgeving als bedoeld in artikel 10c van de Wet op het voortgezet onderwijs, verbonden aan een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs;

c. c.

    *agrarisch opleidingscentrum:* instelling als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. d.

    *hogeschool:* instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die onderwijs verzorgt op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, met uitzondering van Wageningen Universiteit;

e. e.

    *praktijkleren:* onderwijsleeractiviteiten en toetsen in het kader van examens binnen door de minister bekostigde opleidingen, die plaatsvinden binnen daartoe specifiek ingerichte situaties buiten de instelling waar de praktijk van het beroep wordt gesimuleerd en waar gerichte instructie in, oefening van en beoordeling van praktijkvaardigheden plaatsvinden;

f. f.

    *instelling:* school in de zin van artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, instelling in de zin van artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of instelling in de zin van artikel 1.1, onderdeel f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

g. g.

    *voorziening voor praktijkleren:* situatie die specifiek buiten een instelling is ingericht voor praktijkleren;

h. h.

    *primaire opleidingen:* opleidingen voor beroepen en ondernemerschap in de landbouw, tuinbouw en veeteelt en voor beroepen die dienstverlenend zijn aan de uitoefening van de landbouw, tuinbouw en veeteelt, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

i. i.

    *Dienst Regelingen:* Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Paragraaf 2. Aanvullende bijdragen voor praktijkleren

Artikel 2

De minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van praktijkleren.

Artikel 3

1.

De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, bedragen:

a. a. voor de afdelingen voor het jaar 2009 € 210.000,, voor het jaar 2010 € 290.000,, voor het jaar 2011 € 420.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 600.000,; b. b. voor de agrarische opleidingscentra jaarlijks € 8.500.000,; c. c. voor de hogescholen voor het jaar 2009 € 1.980.000,, voor het jaar 2010 € 2.180.000,, voor het jaar 2011 € 2.340.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 2.500.000,; d. d. voor Wageningen Universiteit voor het jaar 2009 € 140.000,, voor het jaar 2010 € 200.000,, voor het jaar 2011 € 280.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 460.000,; e. e. voor de Universiteit Utrecht, voor wat betreft de faculteit diergeneeskunde, voor het jaar 2010 € 22.500,, voor het jaar 2011 € 45.000,, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 75.000,.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.

Artikel 4

De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als aanvullende bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten specifiek ten behoeve van deze afdeling. De aanvullende bijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen in het derde en het vierde leerjaar van de afdeling op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waarbij de leerlingen worden meegeteld die ingeschreven waren in een aan de afdeling verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 als bedoeld in de Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang VMBO-MBO2 20082013, voor zover het bevoegd gezag van deze afdeling de aanvrager is in de zin van artikel 4, onderdeel a, van deze Tijdelijke regeling.

Artikel 5

De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, waarbij leerlingen die op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waren ingeschreven aan een aan het agrarisch opleidingscentrum verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2, worden meegeteld als deelnemer van dit agrarisch opleidingscentrum, voor zover het bevoegd gezag van dit agrarisch opleidingscentrum de aanvrager is in de zin van artikel 4, onderdeel c, van deze Tijdelijke regeling.

Artikel 6

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag, bedoeld in artikel 4.19, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit.

Artikel 7

Wageningen Universiteit ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.10, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 7a

De Universiteit Utrecht ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.10, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e.

Paragraaf 3. Aanvullende bijdragen voor de primaire opleidingen

Artikel 8

De minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de agrarische opleidingscentra en aan de hogescholen aanvullende bijdragen ter beschikking voor de exploitatie van primaire opleidingen en voor praktijkleren in het kader van deze opleidingen.

Artikel 9

1.

De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 8, bedragen

a. a. voor de agrarische opleidingscentra jaarlijks € 4.000.000,; b. b. voor de hogescholen voor het jaar 2009 € 310.000, voor het jaar 2010 € 450.000,, voor het jaar 2011 € 590.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 1.000.000,.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met de helft van het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en artikel 11, verstrekt de Minister aan STOAS Hogeschool in 2009 eenmalig een aanvullende bijdrage, op basis van artikel 8.

Artikel 10

De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 8, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van de maatstaf ingeschreven deelnemers, bedoeld in artikel 2.2.3 van dit besluit, waarbij alleen deelnemers aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.

Artikel 11

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 8, jaarlijks als onderwijsopslag. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van de maatstaf onderwijsvraag, als bedoeld in artikel 4.12 van dit besluit, waarbij alleen studenten aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.

Paragraaf 4. Verplichtingen voor de ontvanger van aanvullende bijdragen

Artikel 12

De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht die de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 8, ontvangt, besteedt die bijdragen uitsluitend ten behoeve van het doel, genoemd in die artikelen.

Artikel 13

1. De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht verantwoorden de bestemming en besteding van de aanvullende bijdragen, gespecificeerd naar het doel, bedoeld in de artikelen 2 en 8, in en bij de jaarrekening. De minister kan nadere aanwijzingen geven voor deze verantwoording.

2. Indien een deel van de ontvangen aanvullende bijdrage in enig jaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in de artikel 2 dan wel artikel 8, mag dit deel binnen dat doel worden besteed in navolgende jaren.

Paragraaf 5. Subsidie voor regionale arrangementen voor praktijkleren

Artikel 14

1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool of aan Wageningen Universiteit voor het, in samenwerking met ten minste één bedrijf, tot stand brengen van een voorziening voor praktijkleren.

2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor investering in een voorziening die aanvullend is ten opzichte van reeds bestaande voorzieningen.

3. Een voorziening die met inzet van subsidie uit deze regeling tot stand komt biedt diensten voor praktijkleren aan tegen marktconforme tarieven aan alle afdelingen, agrarische opleidingscentra, hogescholen en Wageningen Universiteit.

Artikel 15

Het subsidieplafond bedraagt:

1. in het jaar 2009 € 3.690.000,;

2. in het jaar 2010 € 4.130.000,;

3. in het jaar 2011 € 4.430.000,;

4. in het jaar 2012 en de daaropvolgende jaren € 4.440.000,.

Artikel 16

Aanvragen tot subsidieverlening kunnen jaarlijks tot 1 mei van elk jaar worden gedaan.

Artikel 17

1. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt ingediend bij Dienst Regelingen, in de vorm van een investeringsplan volgens een daartoe door deze Dienst vastgesteld formulier.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool of Wageningen Universiteit.

3. Bij de aanvraag wordt een samenwerkingsovereenkomst gevoegd die mede is ondertekend door ten minste één bedrijf. Onder bedrijf kan mede worden verstaan een praktijkbedrijf voor landbouwkundig onderzoek. De samenwerkingsovereenkomst omvat tenminste de informatie overeenkomstig een daartoe door Dienst Regelingen vastgesteld model.

4. De samenwerkingsovereenkomst kan zijn ondertekend door meer dan één agrarisch opleidingscentrum of hogeschool, of door een combinatie van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool en, onderscheidenlijk of, Wageningen Universiteit. In dat geval treedt de aanvrager, bedoeld in het tweede lid, op als penvoerder en ontvanger van de subsidie.

5.

Het investeringsplan, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste de volgende onderdelen:

a. a. gegevens waaruit blijkt dat de voorziening aanvullend is op bestaande voorzieningen voor praktijkleren, gebaseerd op een analyse van het aanbod en de regionale spreiding van bestaande voorzieningen voor praktijkleren die overeenkomen met de aangevraagde voorziening en van het gebruik van die voorzieningen; b. b. gegevens waaruit de vraag naar de voorziening blijkt, gebaseerd op een analyse van de aantallen potentiële gebruikers, in relatie tot het mogelijk gebruik van bestaande voorzieningen; c. c. het doel van de voorziening, waaronder het soort opleiding waarvoor deze is bedoeld en de verbeteringen ten opzichte van de bestaande voorzieningen voor praktijkleren die door de aangevraagde voorziening worden gerealiseerd; d. d. de vorm waarin praktijkleren in deze voorziening wordt gerealiseerd en de overwegingen daartoe, ondermeer in relatie tot ontwikkelingen en vernieuwingen in de bedrijven waar het te oefenen beroep wordt uitgeoefend; e. e. de beoogde organisatie van de voorziening en de rol die de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in deze organisatie zullen hebben; f. f. een begroting voor het tot stand brengen van de voorziening en voor de exploitatie van de voorziening, waaruit het aangevraagde subsidiebedrag en het aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in de financiering van de investering en in de exploitatie blijken; het aandeel van het bedrijf of van de bedrijven in de begroting kan geheel of ten dele bestaan uit de kapitalisatie van inzet van bedrijfsmiddelen of inzet van arbeid; de begroting wordt opgesteld overeenkomstig een door Dienst Regelingen vastgesteld model; g. g. een analyse van de verhouding tussen kosten en baten van investering en exploitatie van de aangevraagde voorziening, in vergelijking met de kosten en baten van het gebruik van overeenkomstige bestaande voorzieningen; h. h. in voorkomende gevallen toont de aanvrager de meerwaarde van de voorziening, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aan voor een programma of project waarvoor op basis van de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs subsidie is ontvangen; i. i. een verklaring dat de voorziening beschikbaar zal zijn voor de afdelingen en voor agrarische opleidingscentra, hogescholen en Wageningen Universiteit, voor zover deze de samenwerkingsovereenkomst niet hebben ondertekend, en het gaat om opleidingen waarvoor de aangevraagde voorziening is bedoeld, en gegevens waaruit blijkt dat het gebruik van de voorziening door deze instellingen ook feitelijk mogelijk zal zijn.

6. In de begroting zijn geen kosten opgenomen die uit andere hoofde zijn of worden gefinancierd van overheidswege.

7. In de begroting is geen debetrente opgenomen.

8. In de begroting voor het tot stand brengen van de voorziening, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel f, is naast het gevraagde subsidiebedrag een aandeel in de financiering van iedere ondertekenaar van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, opgenomen. Dit aandeel kan voor iedere ondertekenaar verschillend zijn. De aanvraag wordt alleen goedgekeurd als de Minister het aangevraagde subsidiebedrag redelijk acht in verhouding tot het gezamenlijke aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 18

1.

De Minister rangschikt aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naarmate

a. a. de lacune in de mogelijkheden voor praktijkleren die de voorziening opvult, in relatie tot de aangetoonde vraag, ernstiger is, blijkend uit de analyses in het investeringsplan, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, onderdeel a en b; b. b. de voorziening meer een innovatief karakter heeft in relatie tot innovaties van bedrijven waar het te oefenen beroep wordt uitgeoefend, blijkend uit het onderdeel van het investeringsplan, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, onderdeel d; c. c. de verhouding tussen kosten en baten gunstiger is, blijkend uit de analyse in het investeringsplan, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, onderdeel g; d. d. de mate waarin de voorziening meerwaarde oplevert bij een goedgekeurd project in het kader van een programma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs, blijkend uit het onderdeel van het investeringsplan, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, onderdeel h; e. e. het aantal agrarische opleidingscentra, hogescholen en, onderscheidenlijk of, Wageningen Universiteit in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 17, derde lid, groter is; f. f. de samenwerkingsovereenkomst zowel is getekend door één of meer agrarische opleidingscentra als door één of meer hogescholen en, onderscheidenlijk of, Wageningen Universiteit; g. g. het aandeel cofinanciering door het bedrijf of de bedrijven die de samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben, in de begroting voor het tot stand brengen van de voorziening, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, onderdeel f, groter is.

2. Volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

3. Indien het totaal van de aanvragen, die naar het oordeel van de minister passen in het doel van de subsidie en voldoen aan de voorwaarden in artikel 14 en 17, in enig jaar het subsidieplafond, bedoeld in artikel 15, overschrijdt wijst de minister op basis van de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, één of meer aanvragen af.

Artikel 19

De minister beslist uiterlijk op 1 september van elk jaar op de aanvraag. De minister kan zijn besluit mede baseren op het oordeel van door hem aan te wijzen onafhankelijke deskundigen.

Artikel 19a

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

a. a. de kosten van het personeel van de instelling of van de instellingen in de samenwerkingsovereenkomst dat voor het realiseren van de voorziening is ingezet; b. b. de kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk zijn betaald voor het realiseren van de voorziening en die gemaakt zijn voor het bouwen en, onderscheidenlijk of, het inhuren van bedrijven voor ontwerp, bouwbegeleiding en controle van uitgevoerde werken; c. c. andere materiële kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk door de instelling of instellingen in de samenwerkingsovereenkomst zijn betaald voor het tot stand brengen van de voorziening voor praktijkleren.

Artikel 19b

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 20

1. Het verleende subsidiebedrag mag door de subsidieontvanger worden besteed gedurende een periode van één of meerdere jaren. Deze periode wordt in de beschikking bepaald op basis van het jaar of de jaren waarvoor in de begroting uitgaven zijn voorzien.

2. De minister verstrekt bij goedkeuring van de aanvraag een eerste voorschot op de subsidie van 20% van het te verstrekken subsidiebedrag. Volgende voorschotten worden verstrekt op basis van een aanvraag, vergezeld van een korte voortgangsrapportage en een overzicht van de liquiditeitsbehoefte. Aanvragen kunnen worden gedaan gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid. Indien aan het eind van deze periode de voorziening overeenkomstig de aanvraag nog niet is voltooid, kan de aanvrager een gemotiveerd en onderbouwd verzoek tot verlenging van de periode en verdere voorschotverstrekking indienen.

3. Het totaal aan voorschotten is ten hoogste 80% van het te verstrekken subsidiebedrag.

Artikel 21

1. De ontvanger van de subsidie brengt de voorziening voor praktijkleren tot stand overeenkomstig het investeringsplan, bedoeld in artikel 17. De Minister kan goedkeuring verlenen aan een tussentijdse, gemotiveerde en onderbouwde wijziging van het investeringsplan, tenzij de wijziging verhoging van het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld, tot gevolg heeft.

2. De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en in voorkomende gevallen artikel 17, vierde lid, dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een rapportage omtrent de bestemming en besteding van de subsidie, in bij Dienst Regelingen.

3.

De rapportage, bedoeld in het tweede lid, omvat ten minste:

a. a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering; b. b. de mate van realisatie van de voorziening waarvoor de subsidie is aangevraagd; c. c. de mate van realisatie van de beoogde samenwerking tussen de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 17, derde lid; d. d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het doel van de investering; e. e. de verwachtingen ten aanzien van de exploitatie van de voorziening.

4. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.

5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.

Paragraaf 6. Overige bepalingen

Artikel 22

1. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 4, 5, 6,7, 10 en 11 berekende aanvullende bijdragen naar rato van het aantal rechthebbenden op deze bijdragen verlaagd tot het bedrag dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat.

2. In het in het eerste lid bedoelde geval kan de minister tevens besluiten één of meer van de in artikel 14 bedoelde subsidies niet te verlenen.

Artikel 23

Uiterlijk op 1 juni 2013 evalueert de minister de werking van deze regeling.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 24

De Regeling aanvullende bijdrage primaire opleidingen groen onderwijs wordt ingetrokken.

Artikel 25

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs.

Bijlage . bij

De primaire opleidingen zijn voor wat betreft het hoger beroepsonderwijs de opleidingen die geheel of in overwegende mate opleiden voor de volgende beroepen:

Tevens worden als studenten in primaire opleidingen geteld de bij STOAS Hogeschool ingeschreven studenten op CROHO-nrs. 34899 (bachelor) en 80015 (associate degree) Educatie en kennismanagement groene sector, voor zover deze studenten worden opgeleid voor het lerarenberoep binnen een primaire opleiding. STOAS hogeschool verschaft jaarlijks een opgave van het aantal van deze studenten, gespecificeerd naar de studierichtingen