rijk/ministeriele-regeling/regeling-regionaal-investeringsfonds-mbo-20242027/BWBR0048883/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

32 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20242027 BWBR0048883 ministeriele-regeling geldend 2023-11-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048883 Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20242027

Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20242027

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • arbeidsorganisatie: eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

  • beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 18;

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB, artikel 1.1.1 van de WEB BES of artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;

  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

  • georganiseerd bedrijfsleven: representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst; a. onderwijsinstelling:

        a.
        instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of artikel 1.1.1 van de WEB BES, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; of
    
    
        b.
        school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, voor zover het bekostigd CVQ-onderwijs betreft als bedoeld in artikel 10 van dat besluit;
    

a. a. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of artikel 1.1.1 van de WEB BES, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; of b. b. school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, voor zover het bekostigd CVQ-onderwijs betreft als bedoeld in artikel 10 van dat besluit;

  • publiek-private samenwerking: samenwerking tussen in ieder geval een onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie;
  • regionale overheid: provincie, gemeente of waterschap;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10;
  • voortgangsrapportage: voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 24;
  • website van DUS-I: www.dus-i.nl;
  • WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • WEB BES: Wet educatie en beroepsonderwijs BES.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3

Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van geld ten behoeve van samenwerkingsverbanden die bestaan uit publieke en private partijen en die ten doel hebben de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.

Artikel 4

Partijen die willen samenwerken in een samenwerkingsverband, kunnen zich laten registreren bij DUS-I. De belangstelling voor deelname wordt kenbaar gemaakt met gebruikmaking van een formulier op de website van DUS-I.

Artikel 5

1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 in totaal € 66.000.000, beschikbaar.

2. De hoogte van het subsidieplafond per kalenderjaar wordt jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant.

3. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond maakt de minister de verdeling van het subsidiebedrag over de aanvraagperiodes per kalenderjaar bekend. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode binnen het betreffende kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt dit bedrag toegevoegd aan het subsidiebedrag voor de tweede aanvraagperiode van het kalenderjaar.

Paragraaf 2. Subsidie voor duurzame publiek-private samenwerking

Artikel 6

1. De minister kan op aanvraag aan een bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.

2. De subsidie bedraagt ten minste € 250.000, en ten hoogste € 2.500.000, per subsidieaanvraag.

3. Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 250.000, of meer dan € 2.500.000, wordt afgewezen.

4. In afwijking van het tweede en derde lid geldt de minimale ondergrens van € 250.000, niet voor een subsidieaanvraag van een bevoegd gezag van een school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, voor zover zij bekostigd CVQ-onderwijs verzorgt als bedoeld in artikel 10 van dat besluit.

5. De subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier of vijf kalenderjaren, gerekend vanaf de start van het project.

6. Voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland wordt het subsidiebedrag omgerekend in US-dollars tegen de jaarlijks vastgestelde wisselkoers.

7. Onverminderd het eerste lid, kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 11.

Artikel 7

1.

De subsidieaanvraag heeft betrekking op:

a. a. een publiek-private samenwerking waarvoor niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling; of b. b. het door verbreding of verdieping aanzienlijk uitbreiden van een bestaande publiek-private samenwerking.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt eenmalig toegekend en kan enkel worden toegewezen, indien:

a. a. voor het samenwerkingsverband eerder subsidie is verstrekt op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20142018 of van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20192022 en de betreffende subsidieperiode succesvol is afgerond; b. b. aan het samenwerkingsverband nog ten minste 50 procent van de partijen deelnemen die aan het einde van de subsidieperiode, bedoeld in onderdeel a, deelnamen aan de samenwerking; en c. c. de aanvraag in ieder geval betrekking heeft op onderzoekende vaardigheden of praktijkgericht onderzoek.

3.

De subsidieperiode van een project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is succesvol afgerond indien uit de evaluatie van het project in ieder geval blijkt dat:

a. a. het project in termen van ontwikkeling en doelrealisatie succesvol is geweest; en b. b. het project ook na afronding van de betreffende subsidieperiode duurzaam wordt voortgezet.

Artikel 8

1.

Indien een aanvraag in overwegende mate tot doel heeft de aansluiting van een entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de WEB, dan wel een assistentenopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de WEB BES op de arbeidsmarkt te verbeteren:

a. a. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 11, tweede lid, ten hoogste 50 procent van de meerjarenbegroting; b. b. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 11, derde lid, ten minste 25 procent en ten hoogste 50 procent van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar; c. c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 11, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25 procent van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar; en d. d. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.

2. Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.

Artikel 9

Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:

a. a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw die niet voldoen aan artikel 15, zesde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel; b. b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de WEB; c. c. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de WEB BES; d. d. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden; en e. e. activiteiten die gesubsidieerd worden op grond van een andere ministeriële regeling.

Artikel 10

1. Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om de duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.

2.

Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:

a. a. één of meer onderwijsinstellingen; b. b. één of meer arbeidsorganisaties; c. c. het georganiseerde bedrijfsleven; d. d. één of meer O&O-fondsen; e. e. één of meer regionale overheden; f. f. één of meer andere instellingen voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de WEB; g. g. één of meer scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in de artikelen 2.4 en 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; h. h. één of meer scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra; i. i. één of meer instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of j. j. andere partijen die bijdragen aan de verbetering van de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt.

3. In het samenwerkingsverband werken in ieder geval één onderwijsinstelling en in ieder geval één arbeidsorganisatie samen.

4. Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval in redelijkheid zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van deze regeling.

Artikel 11

1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.

3. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.

4. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen a en e tot en met j, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.

5. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie ten hoogste de helft van de meerjarenbegroting voor zover het een subsidie betreft die betrekking heeft op een samenwerkingsverband in Caribisch Nederland.

6.

Onder cofinanciering wordt niet begrepen:

a. a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming; b. b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB; en c. c. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de WEB BES dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB BES.

Artikel 12

De subsidieaanvraag wordt in ieder geval ingediend met:

a. a. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 13; b. b. een activiteitenplanning als bedoeld in artikel 14; c. c. een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 15; d. d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 16; en e. e. een publieksvriendelijke samenvatting van de aanvraag.

Artikel 13

1. Het plan van aanpak sluit logisch aan bij de door het bevoegd gezag vastgestelde en de door de minister goedgekeurde kwaliteitsagenda, bedoeld in artikel 6 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 20242027.

2. In het plan van aanpak wordt de visie beschreven hoe het samenwerkingsverband bijdraagt aan de aansluiting tussen de beroepsopleidingen en het aanbod van de arbeidsmarkt van de desbetreffende regio waarin de publieke-private samenwerking plaatsvindt. Tevens bevat het plan van aanpak de wijze hoe het samenwerkingsverband wordt ingericht.

3.

Het plan van aanpak wordt opgesteld conform het format dat op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval:

a. a. de doelstellingen en de concrete resultaten die het samenwerkingsverband nastreeft; b. b. de visie, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid; c. c. een overzicht van de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop het samenwerkingsverband betrekking heeft; d. d. een beschrijving van de regio waarvoor het samenwerkingsverband actief is; e. e. de regionale of sectorale vraagstukken, kwantitatief en kwalitatief, waar het samenwerkingsverband een bijdrage aan gaat leveren; f. f. een beschrijving van de samenstelling van het samenwerkingsverband, alsmede een onderbouwing van deze keuze; g. g. een omschrijving waaruit de verdeling van de taken tussen de partijen van het samenwerkingsverband blijkt en onderbouwing waaruit blijkt dat partijen in staat zijn om het voorstel binnen de subsidieperiode uit te voeren; h. h. een risicoanalyse en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risicos worden aangepakt; i. i. een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld; j. j. een beschrijving van het draagvlak voor het project onder docenten en studenten en de wijze waarop deze worden betrokken bij de vormgeving van het project; k. k. een omschrijving dat de aanvraag aansluit bij het uitgangspunt van een doelmatig aanbod van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen; en l. l. in geval van een project als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, tevens een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op het project waarvan de subsidieperiode is afgerond.

Artikel 14

1. De activiteitenplanning is een samenhangend omschreven geheel van de activiteiten die worden ondernomen om de doelstellingen en de concrete resultaten die het samenwerkingsverband nastreeft te behalen.

2.

De activiteitenplanning wordt opgesteld conform het format dat op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval:

a. a. een uitgewerkt overzicht van te realiseren activiteiten voor de eerste helft van de subsidieperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen, de beoogde tussentijdse resultaten en een procesbeschrijving over de wijze hoe de publieke-private samenwerking de projectresultaten na de subsidieperiode gaat verankeren; b. b. een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de tweede helft van de subsidieperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen en de beoogde eindresultaten; c. c. een duidelijke relatie met de meerjarenbegroting; en d. d. in geval van een project als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, tevens een beschrijving van de activiteiten die worden gerealiseerd, waardoor het project aan het einde van de subsidieperiode aanzienlijk zal zijn verbreed of verdiept.

Artikel 15

1.

De meerjarenbegroting wordt opgesteld conform het format dat op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval:

a. a. een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren, waarin een uitsplitsing is gemaakt in de omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd; b. b. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd; c. c. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt, of waaruit in geval van een project als bedoeld in artikel 8 blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste de helft van de totale begroting bedraagt; d. d. de omvang van de kosten voor projectmanagement; en e. e. indien artikel 6, zevende lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma.

2.

Naast de in het eerste lid genoemde gegevens, bevat de meerjarenbegroting voor de eerste helft van de subsidieperiode:

a. a. een gedetailleerd overzicht van de financiering, in geld of in geld waardeerbaar, door partijen in het samenwerkingsverband; b. b. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen; en c. c. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners.

3. Naast de in het eerste lid genoemde gegevens bevat de meerjarenbegroting voor de tweede helft van de subsidieperiode tevens een globale beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in het tweede lid.

4. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 86, per uur. Kosten voor de inzet van vrijwilligers worden niet als personeelskosten aangemerkt.

5. Indien sprake is van afschrijving van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de afschrijvingstermijn zoals wordt gehanteerd in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 16

1. De samenwerking binnen het samenwerkingsverband wordt voor de duur van het project vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door alle partijen in het samenwerkingsverband.

2.

De samenwerkingsovereenkomst bevat in elk geval een omschrijving van:

a. a. het samenwerkingsverband dat met de subsidie en de cofinanciering duurzaam zal worden vormgegeven; b. b. de vorm van de samenwerking, waaronder in ieder geval de wijze waarop partijen betrokken zijn bij de organisatorische en bestuurlijke inrichting en de uitvoering van het samenwerkingsverband; c. c. een beschrijving van de faciliteiten die de partijen beschikbaar stellen voor de inrichting en de uitvoering van het samenwerkingsverband; d. d. de financiële en overige bijdragen van de partijen in het samenwerkingsverband; en e. e. de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop het samenwerkingsverband betrekking heeft.

3. In de samenwerkingsovereenkomst wordt opgenomen dat alle partijen in het samenwerkingsverband meewerken aan de voortgangsrapportage, de eindrapportage, de verantwoording en de evaluatie, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de subsidieontvanger worden verstrekt.

Paragraaf 3. Indiening en beoordeling aanvraag

Artikel 17

1. De subsidieaanvragen worden ingediend in de periode van 1 januari tot en met 31 januari danwel 1 juni tot en met 30 juni van de kalenderjaren 2024, 2025, 2026 en 2027.

2. De subsidieaanvraag wordt ingediend met behulp van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van DUS-I.

3. Als tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de minister heeft bereikt.

4. De minister kan op het aanvraagformulier een maximum aantal paginas vaststellen voor de documenten, bedoeld in artikel 12.

Artikel 18

1. De minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met het beoordelen van de aanvragen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 19, derde en vierde lid.

2. De beoordelingscommissie adviseert de minister over de ingediende subsidieaanvragen.

Artikel 19

1. De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen voor de publiek-private samenwerking die voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in paragraaf 2.

2. De beoordelingscommissie stelt de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag mondeling toe te lichten.

3.

De beoordelingscommissie beoordeelt een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, aan de hand van de volgende criteria:

a. a. verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt; b. b. samenwerking en draagvlak; c. c. uitvoerbaarheid en haalbaarheid; d. d. duurzaamheid; en e. e. financiering.

4.

De beoordelingscommissie beoordeelt een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, aan de hand van de volgende criteria:

a. a. verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt; b. b. verbreding of verdieping; c. c. onderzoekend vermogen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c; d. d. samenwerking en draagvlak; e. e. uitvoerbaarheid en haalbaarheid; f. f. duurzaamheid; en g. g. financiering.

5. De criteria, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

6. Indien een aanvraag naar het oordeel van de beoordelingscommissie op één van de criteria, bedoeld in het derde lid of vierde lid, bijna voldoende scoort, kan de beoordelingscommissie, mits het subsidieplafond voor de betreffende aanvraagperiode nog niet is bereikt, de minister adviseren de aanvrager in de gelegenheid te stellen de aanvraag ten aanzien van dit criterium aan te vullen. De periode waarin de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag aan te vullen, bedraagt ten hoogste tien werkdagen. De beoordelingscommissie beoordeelt of de aanvraag, na de aanvulling, alsnog tot een voldoende oordeel leidt voor het betreffende criterium.

7. Aanvragen dienen, zo nodig na toepassing van het zesde lid, voor elk van de criteria, bedoeld in het derde lid of vierde lid, minimaal voldoende te zijn beoordeeld om door de beoordelingscommissie van een positief advies te worden voorzien.

Paragraaf 4. Besluitvorming en verplichtingen

Artikel 20

1. De beoordelingscommissie rangschikt de aanvragen per aanvraagperiode, bedoeld in artikel 17, eerste lid, die voor elk van de criteria, bedoeld in artikel 19, derde of vierde lid, voldoende zijn beoordeeld, zodanig dat zij een aanvraag hoger rangschikt naarmate deze de in artikel 3 genoemde doelstelling beter realiseert. Daartoe worden de criteria, bedoeld in artikel 19, derde of vierde lid, gehanteerd. De commissie hanteert een rangschikkingslijst voor elk van de categorieën aanvragen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b.

2. Indien een aanvraag na toepassing van artikel 19, zesde lid, alsnog voldoende wordt beoordeeld voor elk van de criteria, bedoeld in artikel 19, derde of vierde lid, wordt deze aanvraag als laagste opgenomen in de rangschikking, bedoeld in het eerste lid. Indien ten aanzien van meerdere aanvragen toepassing wordt gegeven aan artikel 19, zesde lid, worden deze aanvragen als laagste opgenomen in de betreffende rangschikkingslijst, waarbij de aanvraag met een hoger puntenaantal voor de criteria, bedoeld in artikel 19, derde of vierde lid, hoger wordt geplaatst.

Artikel 21

1. De minister besluit uiterlijk binnen zestien weken na de sluitingsdatum van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 17, op de aanvragen. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 19, zesde lid, wordt de beslistermijn van de eerste volzin verlengd met ten hoogste vier weken.

2. Indien het subsidieplafond voor een aanvraagperiode wordt overschreden, wijst de minister op grond van de puntenaantallen op de rangschikkingslijsten, bedoeld in artikel 20, eerste lid, laatste volzin, een gelijk aantal van de aanvragen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, toe. Indien na de verdeling, bedoeld in de vorige volzin, nog meer aanvragen kunnen worden toegewezen, wijst de minister de aanvragen met het relatief hoogste puntenaantal op de onderscheiden rangschikkingslijsten toe.

3. Indien na toepassing van het tweede lid aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt en slechts één van de aanvragen kan worden gehonoreerd, beslist de minister op basis van loting.

4. Indien de minister niet tijdig besluit, deelt hij de aanvrager mede binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

5. Indien de minister een aanvraag afwijst, omdat deze niet voldoet aan artikel 19, zevende lid, kan de aanvrager de aanvraag nog éénmaal in een later tijdvak indienen. De eerste volzin is niet van toepassing op aanvragen die in het laatste tijdvak worden ingediend.

Artikel 22

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd, indien naar het oordeel van de minister:

a. a. de kosten van de activiteiten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen doelstellingen en de daarvan te verwachten resultaten; of b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat over de financiële haalbaarheid van de publiek-private samenwerking.

Artikel 23

1. De publiek-private samenwerking start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na het besluit tot subsidieverlening met de uitvoering van de activiteiten.

2. De niet op de persoon herleidbare publieksvriendelijke samenvatting, bedoeld in artikel 12, onderdeel e, wordt na verlening van de subsidie gepubliceerd op website van DUS-I.

3. De subsidieontvanger deelt op verzoek de onderwijs gerelateerde uitkomsten van het project.

Paragraaf 5. Voortgangsrapportage en verantwoording

Artikel 24

1. De minister beoordeelt aan de hand van de voortgangsrapportage tussentijds de uitvoering van het project.

2. De voortgangsrapportage wordt door het bevoegd gezag uiterlijk zes weken vóór het einde van de eerste helft van de projectperiode ingediend.

3.

De voortgangsrapportage bevat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de voortgang ten aanzien van het realiseren van de mijlpalen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a; b. b. een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten voor de tweede helft van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; c. c. een concretisering van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode; d. d. een concretisering van de oorspronkelijk ingediende meerjarenbegroting voor de tweede helft van de subsidieperiode, met daarin een gedetailleerde beschrijving van de gegevens genoemd in artikel 15, derde lid, voor de tweede helft van de subsidieperiode teneinde de activiteiten als bedoeld in onderdeel b te kunnen realiseren; en e. e. het verslag van de evaluatie, bedoeld in het vierde lid.

4. Het samenwerkingsverband evalueert ten behoeve van de tussentijdse beoordeling de samenwerking tussen de partijen in het samenwerkingsverband.

5. De minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportage.

6. De minister kan besluiten het bedrag van de subsidieverlening te verlagen dan wel de subsidieverlening te beëindigen. De minister besluit in voorkomend geval uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de voortgangsrapportage.

7. Indien de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage niet uiterlijk op het indieningstijdstip, bedoeld in het tweede lid, indient, kan de subsidieverlening ten nadele van de onderwijsinstelling worden gewijzigd. Voorafgaand aan de wijziging van de subsidieverlening wordt de betaling van het in artikel 30, eerste lid, bedoelde voorschot geheel of gedeeltelijk opgeschort.

8. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, kan niet leiden tot verhoging van de subsidieverlening.

Artikel 25

1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verstrekt. Niet bestede middelen door het samenwerkingsverband worden na de subsidieperiode teruggevorderd.

2. De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 2.

3. In afwijking van het tweede lid geschiedt de financiële verantwoording voor een subsidieverstrekking aan een bevoegd gezag van een school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 1.

4. Naast de financiële verantwoording, bedoeld in het tweede en derde lid, toont de subsidieontvanger aan de hand van de eindrapportage aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

5. De eindrapportage voldoet aan de eisen die de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS stelt aan het activiteitenverslag.

6. De eindrapportage wordt binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode gezonden aan de minister.

7. De minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.

8. Indien het totaal van de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering voor een project als bedoeld in artikel 7, meer bedraagt dan twee derde deel van de meerjarenbegroting, wordt, indien in de eindrapportage wordt aangetoond dat het project succesvol is afgerond, de hoogte van het subsidiebedrag, voor zover dit bedrag is besteed aan de doelstellingen van het project, omschreven in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 13, vastgesteld op een derde deel van de meerjarenbegroting. De vaststelling kan niet leiden tot verhoging van de subsidieverlening.

9. Indien het totaal van de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering voor een project als bedoeld in artikel 8, meer bedraagt dan 50 procent van de meerjarenbegroting, wordt, indien in de eindrapportage wordt aangetoond dat het project succesvol is afgerond, de hoogte van het subsidiebedrag, voor zover dit bedrag is besteed aan de doelstellingen van het project, omschreven in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 13, vastgesteld op 50 procent van de meerjarenbegroting.

Artikel 26

1. De melding, bedoeld in artikel 5.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, geschiedt schriftelijk aan DUS-I via het e-mailadres ocwsubsidies@minvws.nl.

2. De melding wordt in afschrift verzonden aan het Ministerie van OCW, directie MBO (IPC: 2150), Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.

Artikel 27

1. De subsidieontvanger ontvangt elk kwartaal een voorschot.

2. Het eerste voorschot bedraagt 25 procent van de totale subsidie.

3. De overige voorschotten bedragen een evenredig deel van het resterende subsidiebedrag.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 28

1. De minister draagt uiterlijk in 2028 zorg voor de evaluatie van deze regeling.

2. De subsidieaanvrager werkt mee aan de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk door de minister.

Artikel 29

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2033, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 30

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionaal investeringsfonds mbo 20242027.

Bijlage 1. Behorende bij