rijk/ministeriele-regeling/regeling-regionale-aanpak-voortijdig-schoolverlaten-en-prestatiesubsidie-voor-he/BWBR0031387/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

37 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs BWBR0031387 ministeriele-regeling geldend 2015-08-08 https://wetten.overheid.nl/BWBR0031387 Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs

Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. b.

    *RMC-contactgemeente:* contactgemeente als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de wet en artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

c. c.

    *RMC-regio:* regio als bedoeld in artikel 37;

d. d.

    *basisregister:* basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

e. e.

    *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, subonderdeel 2, van de wet en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

f. f.

    *onderwijsinstelling:* regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de wet, agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet, alsmede school voor voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

g. g.

    *convenant:* per RMC-regio tussen de minister, de RMC-contactgemeente en het bevoegd gezag van onderwijsinstellingen gesloten convenant inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de studiejaren 20122013 tot en met 20142015;

h. h.

    *beheers- en coördinatiekosten:* kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het optreden als contactschool, bedoeld in artikel 9;

i. i.

    *studiejaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;

j. j.

    *deelnemer:* deelnemer als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en leerling als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;

k. k.

    *contactschool:* een contactschool als bedoeld in artikel 8;

l. l.

    *regionaal programma:* het regionaal programma voortijdig schoolverlaten als bedoeld in artikel 6;

m. m.

    *wet:* de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2

1.

Onder een nieuwe voortijdig schoolverlater in deze regeling wordt verstaan de jongere die op 1 oktober:

a. a. niet is ingeschreven bij een onderwijsinstelling terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande jaar wel was ingeschreven bij een onderwijsinstelling en op die datum jonger was dan 22 jaar; b. b. niet in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de wet; en c. c. niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs.

2. Onder een nieuwe voortijdig schoolverlater, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan, degene die is opgenomen in bijlage A van de Regeling prestatiebox mbo.

Artikel 3

1. Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a van de wet, de artikelen 4, eerste lid, onderdelen e en f, en 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling gebruik gegevens bron en artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

2. Artikel 7 van de Regeling prestatiebox mbo is van overeenkomstige toepassing op de berekeningswijze van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters.

Artikel 4

Het doel van deze regeling is:

a. a. het verstrekken van subsidie welke ten doel heeft het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 25.000 in het kalenderjaar 2017, zoals bedoeld in hoofdstuk 2; b. b. het verstrekken van aanvullende middelen voor het voortgezet onderwijs voor het realiseren van de in onderdeel a genoemde beleidsdoelstelling, zoals bedoeld in hoofdstuk 3; en c. c. het geven van uitvoeringsvoorschriften ter zake van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten, waaronder het vaststellen van de daarvoor beschikbare budgetten, zoals bedoeld in hoofdstuk 4.

Artikel 5

De Regeling OCW-subsidies is van toepassing op de hoofdstukken 2, 2A en 3 van deze regeling.

Hoofdstuk 2. Het regionaal programma voortijdig schoolverlaten

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 6

1. Het regionaal programma dat in een RMC-regio wordt uitgevoerd met als doel het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, bevat maatregelen die, blijkens een regionale analyse door de contactschool over de RMC-regio, zijn gericht op structurele borging van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten in het onderwijsproces van de onderwijsinstellingen en het bevorderen van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen onderling en gemeenten in de RMC-regio.

2. Van het regionaal programma maakt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 in ieder geval deel uit een maatregel gericht op het voorkomen van uitval van deelnemers die één van de beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met e, van de wet, volgen. Deze verplichting geldt niet voor het kalenderjaar 2016.

3. Het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste één plusvoorziening, bedoeld in artikel 19, onderdeel a.

4. Het bedrag per maatregel van het regionaal programma dient in redelijke verhouding te staan tot het aantal deelnemers en de doelgroep waarvoor de maatregel is bedoeld.

5. Het bevoegd gezag van de contactschool motiveert de keuze van de maatregelen in het regionaal programma op het formulier in bijlage A van deze regeling, als bedoeld in artikel 10.

6. Indien de contactgemeenten van de RMC-regios Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond een bijdrage ontvangen op grond van de Decentralisatie-uitkering VSV, kan het regionaal programma van deze RMC-regios tevens de afspraken over de maatregelen die met deze decentralisatie-uitkering worden verzorgd, omvatten.

7. Voor het kalenderjaar 2016 kan het regionaal programma voortijdig schoolverlaten bijzondere maatregelen bevatten ten aanzien van de aansluiting van leerlingen in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs op het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 7

1. In een RMC-regio werken de onderwijsinstellingen en de betreffende RMC-contactgemeente waarvoor door het bevoegd gezag van die onderwijsinstellingen het convenant voor die RMC-regio is ondertekend, samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma voor de desbetreffende RMC-regio.

2. Van de samenwerking, bedoeld in het eerste lid, maakt tevens deel uit een onderwijsinstelling die niet is gevestigd in de betreffende RMC-regio maar waarvan een substantieel aantal deelnemers woonachtig is in deze RMC-regio en waarbij de onderwijsinstelling het convenant voor die RMC-regio heeft ondertekend.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, is in elk geval geregeld:

a. a. de onderwijsinstellingen die aan het regionaal programma deelnemen; b. b. de onderwijsinstelling die optreedt als contactschool; c. c. welk deel van de subsidie is bestemd voor de beheers- en coördinatiekosten van de contactschool; en d. d. de afspraken over het besteden van de subsidie die wordt verstrekt op grond van dit hoofdstuk.

4. Onderwijsinstellingen die het in het eerste lid bedoelde convenant hebben ondertekend, komen voor het kalenderjaar 2016 voor subsidie in aanmerking indien zij voor dit kalenderjaar opnieuw een samenwerkingsovereenkomst afsluiten. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

1. De onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, wijzen uit hun midden een onderwijsinstelling aan die optreedt als contactschool in de betreffende RMC-regio.

2.

Het bevoegd gezag van de contactschool, bedoeld in het eerste lid, heeft in ieder geval tot taak:

a. a. het informeren van de RMC-contactgemeente en de onderwijsinstellingen waarvan het bevoegd gezag het convenant voor die onderwijsinstellingen voor de desbetreffende RMC-regio heeft ondertekend over deelname aan het regionaal programma dat in die RMC-regio wordt uitgevoerd, en voor het kalenderjaar 2016 het informeren van de RMC-contactgemeente en de onderwijsinstellingen waarvan het bevoegd gezag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 dit convenant had ondertekend; b. b. het mede namens de overige onderwijsinstellingen, bedoeld in het eerste lid, optreden als aanvrager en ontvanger van de subsidie die wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 2; en c. c. het uitvoering geven aan de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst inzake de besteding van de subsidie die wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 2.

Artikel 9

Het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool voor de uitvoering van het regionaal programma bedragen jaarlijks niet meer dan 10% van de toegekende subsidie met een maximumbedrag van € 150.000,.

Artikel 10

1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dat als bijlage A bij deze regeling is opgenomen.

2. De aanvraag voor subsidie, bedoeld in het eerste lid, omvat, onverminderd artikel 15, het regionaal programma, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, en de plusvoorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3.

3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt mede ondertekend door de RMC-contactgemeente.

4. Een aanvraag voor subsidie voor het kalenderjaar 2016 wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, dat als bijlage E bij deze regeling is opgenomen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

1. Het bevoegd gezag van de contactschool dient de subsidieaanvraag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 uiterlijk op 15 augustus 2012 in bij de minister. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

2. De minister beslist uiterlijk op 15 oktober 2012 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

3. De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, vindt plaats in de maand januari van het betreffende kalenderjaar.

4. De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3, vindt plaats in de maand oktober voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 11a

1. Voor het kalenderjaar 2016 dient het bevoegd gezag van de contactschool de subsidieaanvraag uiterlijk op 15 september 2015 in bij de minister. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

2. De minister beslist uiterlijk in december 2015 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

3. De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, vindt voor het kalenderjaar 2016 plaats in de maand januari van het jaar 2016.

4. De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3, vindt voor het kalenderjaar 2016 plaats in de maand december van het jaar 2015.

Artikel 12

1. De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventuele niet-bestede middelen of overschotten kunnen na afloop van de looptijd van de subsidie worden teruggevorderd.

2. In afwijking van het eerste lid kan subsidie die niet wordt aangewend voor de maatregelen als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, worden besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma, bedoeld in artikel 6, eerste lid. Voorts kan subsidie die niet wordt aangewend voor de maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, worden besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma als bedoeld in artikel 6, derde lid.

3. In afwijking van het eerste lid wordt subsidie voor de RMC-regios Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond die niet wordt aangewend voor de plusvoorzieningen bedoeld in artikel 6, derde lid, besteed aan de maatregel bedoeld in artikel 6, tweede lid. Het niet aangewende deel van de subsidie voor de maatregelen bedoeld in artikel 6, derde en tweede lid wordt besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

4. De contactschool motiveert de keuze van de maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, in het formulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid.

5. De subsidie wordt uiterlijk in 2016 besteed.

Artikel 13

1. De effecten van het regionaal programma worden uiterlijk in 2015 geëvalueerd.

2. De contactschool verleent medewerking aan het onderzoek naar de effecten van het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid.

3. De contactschool draagt er zorg voor dat de onderwijsinstellingen en de RMC-contactgemeente in de RMC-regio meewerken aan het onderzoek naar de effecten van het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Uitvoeringsvoorschriften inzake projectsubsidie ten behoeve van de uitvoering van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten

Artikel 14

In deze paragraaf wordt onder RMC-regio niet begrepen de RMC-regios Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond.

Artikel 15

1. De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een driejaarlijkse subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma, voor de activiteiten bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio waarvoor door het bevoegd gezag van die onderwijsinstellingen het convenant voor die RMC-regio is ondertekend.

2. De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een subsidie voor het kalenderjaar 2016, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en zevende lid, door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio.

Artikel 16

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf zijn de volgende bedragen beschikbaar:

a. a. voor het kalenderjaar 2013 € 19.700.000,. b. b. voor het kalenderjaar 2014 € 19.450.000,. c. c. voor het kalenderjaar 2015 € 19.150.000,. d. d. voor het kalenderjaar 2016 € 19.150.000,.

Artikel 17

1. Het bedrag van de subsidie voor een contactschool bestemd voor de RMC-regio wordt bepaald op grond van het aantal deelnemers tot 22 jaar die op 1 oktober 2010 als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij onderwijsinstellingen en die voor de bekostiging worden meegeteld en woonachtig zijn in de betreffende RMC-regio.

2.

Het bedrag wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

Aantal deelnemers tot 22 jaar op de onderwijsinstellingen woonachtig in een RMC-regio Bedrag per RMC-regio
≤ 12500 € 175.000,
1250118000 € 300.000,
1800124000 € 400.000,
2400130000 € 500.000,
3000136000 € 700.000,
3600142000 € 800.000,
4200160000 € 1.000.000,

Artikel 18

1.

In aanvulling op artikel 17, tweede lid, zijn voor de RMC-regios Noord-Kennemerland, Oosterschelde, West-Brabant, Flevoland en Gewest Zuid-Limburg voor het kalenderjaar 2013 tevens de volgende bedragen beschikbaar:

a. a. RMC-regio Noord-Kennemerland: € 214.017,; b. b. RMC-regio Oosterschelde: € 67.870,; c. c. RMC-regio West-Brabant: € 112.081,; d. d. RMC-regio Flevoland: € 65.309,; en e. e. RMC-regio Gewest Zuid-Limburg: € 67.933,.

2.

In aanvulling op artikel 17, tweede lid, zijn voor de RMC-regios Noord-Kennemerland, Oosterschelde, West-Brabant, Flevoland en Gewest Zuid-Limburg voor het kalenderjaar 2014 tevens de volgende bedragen beschikbaar:

a. a. RMC-regio Noord-Kennemerland: € 124.843,; b. b. RMC-regio Oosterschelde: € 39.591,; c. c. RMC-regio West-Brabant: € 65.380,; d. d. RMC-regio Flevoland: € 38.097,; en e. e. RMC-regio Gewest Zuid-Limburg: € 39.628,.

Paragraaf 3. Plusvoorzieningen

Artikel 19

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a.

    *plusvoorziening:* een voorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen en scholen in een RMC-regio, die bestaat uit een gecombineerd programma van onderwijs leidend naar het behalen van een startkwalificatie, zorg, hulpverlening en waar nodig arbeidstoeleiding, dat wordt aangeboden aan jongeren tot 23 jaar, die zodanig ernstige problemen ondervinden op het gebied van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren dat zij de onderwijsinstelling zonder diploma dreigen te verlaten;

b. b.

    *leerling:* de leerling aan een school voor het voortgezet onderwijs die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB of artikel 7 van het Bekostigingsbesluit W.V.O., met uitzondering van een leerling die praktijkonderwijs volgt, of de deelnemer aan een opleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de wet die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB;

c. c.

    *armoedeprobleemcumulatiegebied:* gebied als bedoeld in de armoedemonitor 2008 van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek;

d. d.

    *apc-leerling:* de leerling die woonachtig is in een postcodegebied dat valt in een armoedeprobleemcumulatiegebied in de RMC-regio.

Artikel 20

1. De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een driejaarlijkse subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool voor het in stand houden en ontwikkelen van één of meer plusvoorzieningen in de RMC-regio.

2. De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool, aan wie op grond van het eerste lid subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 is verstrekt, aan het bevoegd gezag van de contactschool een subsidie voor het kalenderjaar 2016 voor het in stand houden en ontwikkelen van één of meer plusvoorzieningen in de RMC-regio.

Artikel 21

Het subsidieplafond op grond van deze paragraaf bedraagt € 30.400.000, per kalenderjaar.

Artikel 22

1. Het bedrag van de subsidie voor een RMC-regio wordt bepaald op grond van het aantal apc-leerlingen tot 22 jaar die op 1 oktober 2010 als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij onderwijsinstellingen en voor de bekostiging worden meegeteld bij die onderwijsinstellingen in één RMC-regio.

2. Bij de berekening van het aantal leerlingen maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdeel e, en 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling gebruik gegevens bron.

3.

Het bedrag wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

Aantal apc-leerlingen tot 22 jaar op de onderwijsinstellingen in één RMC-regio Bedrag per RMC-regio
≤ 100 € 25.000,
101500 € 75.000,
5011500 € 200.000,
15012000 € 300.000,
20013000 € 450.000,
30015000 € 700.000,
50018000 € 1.000.000,
800115.000 € 1.400.000,
15.00125.000 € 2.800.000,
Meer dan 25.000 € 5.500.000,

Artikel 23

1. De plusvoorziening wordt zodanig ingericht dat de leerlingen voor wie de plusvoorziening is bedoeld, hiervan optimaal kunnen profiteren.

2. De inrichting van de plusvoorziening is gericht op continuïteit en structurele borging van de voorziening na afloop van het studiejaar 20152016.

Hoofdstuk 2a. Experimenteel onderzoek vsv

Artikel 23a

In dit hoofdstuk wordt onder een onderwijsinstelling niet verstaan een school voor voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 23b

1. De minister kan aan ten hoogste vijf onderwijsinstellingen een subsidie verstrekken ter uitvoering van experimenteel onderzoek in het kader van het voortijdig schoolverlatersbeleid.

2.

Voorwaarden voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid zijn in ieder geval:

a. a. het experiment betreft een maatregel op het gebied van één van de volgende themas: intake, verzuimbeleid, loopbaanoriëntatie en -begeleiding, geïntegreerde overgang vmbo-mbo of plusvoorziening; b. b. het experiment betreft een nieuw in te richten variant op één van de themas, bedoeld in onderdeel a, die niet eerder is uitgevoerd op de betrokken onderwijsinstelling(en) of in de betrokken RMC-regio; c. c. het experiment omvat een experimentele groep en een controlegroep waarbij de toedeling van deelnemers plaatsvindt door middel van loting; d. d. de experimentele groep en de controlegroep dienen van voldoende omvang te zijn om statistisch significante effecten te kunnen waarnemen; e. e. de variant, bedoeld in onderdeel b, wordt zodanig ingericht dat de uitkomsten overdraagbaar zijn aan andere onderwijsinstellingen; f. f. de inrichting en uitvoering van het experiment wordt begeleid door het Centraal Planbureau.

Artikel 23c

1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, dat als bijlage D bij deze regeling is opgenomen.

2. Het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dient de subsidieaanvraag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 uiterlijk op 1 november 2012 in bij Dienst Uitvoering Onderwijs. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

3. De minister beslist uiterlijk op 18 december 2012 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

4. De betaling van het subsidiebedrag vindt jaarlijks plaats in de maand december.

Artikel 23d

1. Het totale subsidiebedrag voor de vijf experimenten bedraagt € 750.000,.

2. Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk is jaarlijks per experiment een bedrag van € 50.000, beschikbaar.

Artikel 23e

De subsidie kan ook worden besteed aan andere activiteiten dan waarvoor zij wordt verstrekt, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Regeling OCW-subsidies.

Artikel 23f

1. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in artikel 23b, tweede lid.

2. Indien meer dan vijf voorstellen worden ingediend die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in artikel 23b, tweede lid, dan zal de beoordelingscommissie de voorstellen rangschikken, op basis van een aantal criteria, zodanig het subsidieplafond niet wordt overschreden.

3.

De criteria, bedoeld in het tweede lid, luiden als volgt:

a. a. verdeling themas; b. b. verwachte effectiviteit; c. c. opschaalbaarheid en kennisdeling; d. d. risico-inventarisatie en haalbaarheid.

Hoofdstuk 3. Prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs

Artikel 24

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *de wet:* de Wet op het voortgezet onderwijs;

b. b.

    *bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de wet;

c. c.

    *leerling:* leerling als bedoeld in de wet;

d. d.

    *school:* een school voor voortgezet onderwijs, met inbegrip van het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum en met uitzondering van een school of afdeling voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de wet;

e. e.

    *schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;

f. f.

    *vmbo:* het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs tezamen, als bedoeld in artikel 5, onderdelen b en c, van de wet;

g. g.

    *havo:* het hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8 van de wet;

h. h.

    *vwo:* het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in artikel 7 van de wet;

i. i.

    *onderbouw:* het eerste en tweede leerjaar van het vmbo en het eerste, tweede en derde leerjaar van het havo en vwo;

j. j.

    *bovenbouw vmbo:* het derde en vierde leerjaar van het vmbo en het eerste en twee leerjaar van de leergang vmbo-mbo2, bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang vmbo-mbo2 20082013;

k. k.

    *bovenbouw havo/vwo:* het vierde en vijfde leerjaar van het havo en het vierde, vijfde en zesde leerjaar van het vwo.

Artikel 25

1. De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 ambtshalve aanvullende middelen aan het bevoegd gezag van een school dat voor die school ten minste één convenant heeft ondertekend.

2. De aanvullende middelen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, worden telkens voor één jaar verstrekt in de maand oktober voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

3. De aanvullende middelen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, worden telkens voor één jaar verstrekt in de maand november volgend op het desbetreffende kalenderjaar.

4. De minister verstrekt voor het kalenderjaar 2016 ambtshalve aanvullende middelen aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dat voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 in aanmerking is gekomen voor aanvullende middelen op grond van het eerste lid.

Artikel 26

1. Het subsidieplafond voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf bedraagt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 jaarlijks maximaal € 17.100.000,.

2. Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 12.100.000, bedoeld voor subsidieverstrekking van het vast bedrag, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a.

3. Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 5.000.000, bedoeld voor subsidieverstrekking van het variabel bedrag, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b.

4. Indien het deel van het subsidieplafond dat is bestemd voor het vast bedrag respectievelijk het variabel bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende middelen naar evenredigheid per school verlaagd.

Artikel 27

De aanvullende middelen kunnen ook worden aangewend voor andere activiteiten van de school dan waarvoor de aanvullende middelen worden verstrekt. Terugvordering van eventueel niet-bestede middelen of overschotten vindt niet plaats.

Artikel 28

1.

De aanvullende middelen voor een school in een kalenderjaar bestaan uit:

a. a. een vast bedrag dat per schooljaar kan verschillen, berekend op grond van artikel 29; en b. b. een variabel bedrag dat per schooljaar, per schoolsoort en leerjaren kan verschillen, berekend op grond van de artikelen 30 tot en met 32.

2.

Bij de berekening van het vast bedrag, bedoeld in de artikel 29, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

a. a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2011; b. b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2012; c. c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2013; en d. d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2014.

3.

Bij de berekening van het variabel bedrag, bedoeld in de artikelen 30 tot en met 32, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

a. a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2012; b. b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2013; c. c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2014; en d. d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2015.

Artikel 29

1. De hoogte van het vast bedrag per school wordt bepaald op grond van het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld.

2. Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, tweede lid.

3.

De hoogte van het vast bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

Aantal leerlingen tot 22 jaar per school Bedrag per school
101000 € 10.000,
10012000 € 20.000,
20016000 € 35.000,
meer dan 6000 € 75.000,

Artikel 30

1. De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de onderbouw voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar van die school.

2. Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

4. Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

5.

De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar, genoemd in tabel 5.

onderbouw bovenbouw vmbo bovenbouw havo/vwo
20122013 1,0% 4,0% 0,5%
20132014 1,0% 4,0% 0,5%
20142015 1,0% 4,0% 0,5%
20152016 1,0% 4,0% 0,5%
Aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar Bedrag per school
10500 € 2.000,
5011000 € 4.000,
meer dan 1000 € 6.000,

Artikel 31

1. De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de bovenbouw van het vmbo voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het vmbo tot 22 jaar van die school.

2. Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

4. Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

5.

De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het vmbo tot 22 jaar, genoemd in tabel 6.

Aantal leerlingen in de bovenbouw van vmbo tot 22 jaar Bedrag per school
10500 € 2.000,
5011000 € 4.000,
meer dan 1000 € 6.000,

Artikel 32

1. De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de bovenbouw van het havo en vwo voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo tot 22 jaar van die school.

2. Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

4. Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

5.

De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo tot 22 jaar, genoemd in tabel 7.

Aantal leerlingen in de bovenbouw havo/vwo tot 22 jaar Bedrag per school
10500 € 2.000,
5011000 € 4.000,
meer dan 1000 € 6.000,

Artikel 33

1. Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage A van de Regeling prestatiebox mbo, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 2, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit zal leiden tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende instelling, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, als bedoeld in tabel 4.

2. Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een school de toepassing van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende school, bedoeld in dit hoofdstuk, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Hoofdstuk 4. Uitvoeringsvoorschriften inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Artikel 34

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a.

    *besluit:*
    Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten;

b. b.

    *effectrapportage:* effectrapportage als bedoeld in artikel 118h, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2, zevende lid, van de wet en artikel 162b, zevende lid van de Wet op de expertisecentra;

c. c.

    *bevoegd gezag:* bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel e, alsmede het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

d. d.

    *voortijdig schoolverlater:* voortijdig schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1. van de wet, artikel 118g van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162a van de Wet op de expertisecentra.

Artikel 35

1. Het vaste bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het besluit bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2012 € 8.825.447, .

2. Het budget, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, dat over de RMC-regios wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2012 € 3.624.384, .

3. Het budget, bedoeld in artikel 4 eerste lid, onderdeel c, van het besluit, dat over de RMC-regios wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2012 € 5.675.776, .

4. Het budget, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van het besluit, dat over de RMC-regios wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2012 € 13.473.229, .

Artikel 36

1. De inrichting van de effectrapportage geschiedt conform bijlage B bij deze regeling.

2. Burgemeester en wethouders dienen de effectrapportage uiterlijk op 1 december van het jaar volgend op het studiejaar waarop deze betrekking heeft, in bij de minister.

Artikel 37

De vaststelling van de RMC-regios geschiedt conform bijlage C bij deze regeling.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 38

1. De Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten en de Tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren worden ingetrokken, met dien verstande dat bestaande aanspraken en verplichtingen, op grond of in het kader van de onderhavige regeling, in stand blijven.

2. De Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten zoals luidend op 31 juli 2012 blijft voorts van toepassing voor het toekennen, het betalen, het verantwoorden en het vaststellen van de subsidie voor het kalenderjaar 2013.

3. In afwijking van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs blijft bijlage G van de Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten zoals luidend op 31 juli 2012 voorts van toepassing voor het kalenderjaar 2013.

Artikel 39

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2012.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 40

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs.

Bijlage A. behorende bij

Bijlage B. behorende bij

Bijlage C. behorende bij

Bijlage D. behorende bij

Bijlage E. behorende bij