40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
22 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009 | BWBR0025890 | ministeriele-regeling | geldend | 2020-03-22 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0025890 | Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009 |
Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit: Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009;
- certificaat rijinstructeur: certificaat als bedoeld in artikel 7 van de wet;
- certificaat scholing: certificaat als bedoeld in artikel 16 van de wet;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- wet: Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.
Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut
Artikel 2
Als instituut bedoeld in artikel 2 van de wet wordt aangewezen de Stichting VAM (IBKI) te Nieuwegein.
Hoofdstuk 3. Geschiktheidstest
Artikel 3
Degene die de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan deze test opnieuw afleggen. Het is niet mogelijk alleen delen van de test af te leggen.
Hoofdstuk 4. Examen
Artikel 4
1. Het examen voor het certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie B bestaat uit drie fasen. De kandidaat is vrij in de volgorde waarin hij de onderdelen van de fasen 1 en 2, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het besluit, aflegt.
2. Fase 1 (Bekwaam in verkeersdeelname) bestaat uit een theorietoets en een praktijkrit. Fase 2 (Didactische voorwaarden) bestaat uit een theorietoets Lesvoorbereiding en een theorietoets Lesuitvoering en beoordelen.
3. De kandidaat sluit elk onderdeel van fase 1 en fase 2 met het oordeel ‘voldoende’ af. Elk oordeel ‘voldoende’ is twaalf aaneengesloten maanden geldig. Binnen de periode dat een oordeel ‘voldoende’ geldig is, kan de kandidaat de onderdelen die niet met het oordeel ‘voldoende’ zijn afgesloten opnieuw afleggen. Overeenkomstig artikel 12a, eerste lid, van de wet, mag de kandidaat die elk onderdeel van fase 1 en fase 2 met een voldoende heeft afgesloten, deelnemen aan de stage, ook wel aangeduid als fase 3.
4. Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets in fase 1 de in bijlage 1, onderdeel I, genoemde onderdelen.
5. Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de praktijkrit in fase 1 naast de onderdelen, bedoeld in het vierde lid, de in bijlage 1, onderdeel II, genoemde onderdelen.
6. Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets Lesvoorbereiding in fase 2 de in bijlage 1, onderdeel III, genoemde onderdelen.
7. Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets Lesuitvoering en beoordelen in fase 2 de in bijlage 1, onderdeel IV, genoemde onderdelen.
8.
Het examen bestaat, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, tweede zin, en derde lid, voor het certificaat rijinstructeur voor:
a. a. de motorrijtuigcategorieën A, C en D uit fase 1 en fase 3; b. b. de motorrijtuigcategorieën E bij B, E bij C en E bij D uit fase 1.
Artikel 4a
1. Artikel 4, eerste tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op het examen voor het certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie T voor een kandidaat die niet in het bezit is van een geldig certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie B.
2.
Het examen bestaat voor het certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie T voor een kandidaat die in het bezit is van:
a. a. een geldig certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie B, maar niet voor de motorrijtuigcategorie E bij C uit fase 1 en fase 3; b. b. een geldig certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie B en de motorrijtuigcategorie E bij C uit fase 1.
3. Artikel 4, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Stage
Artikel 5
1. De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de motorrijtuigcategorie B rijdt in de stageperiode minimaal vijf klokuren mee tijdens de rijlessen van zijn stagebegeleider, waaronder één maal met een praktijkexamen of tussentijdse toets voor het besturen van motorrijtuigen van een leerling van de stagebegeleider, en geeft daarna zelf minimaal vijfendertig klokuren volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie B. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
2. De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de motorrijtuigcategorieën A, C of D geeft zelf minimaal twintig klokuren volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de stagebegeleider het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet, heeft. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
3. Tijdens de stage wordt de stagiair begeleid door een stagebegeleider. De begeleider is ten minste vijf jaar in het bezit van een certificaat als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet van dezelfde motorrijtuigcategorie als waarvoor de kandidaat aan de stage deelneemt en heeft een theoretische bijscholing Stagementor gevolgd. De door de stagiair gegeven praktische rijlessen staan steeds onder direct toezicht van de stagebegeleider.
4. De kandidaat deelt het instituut tijdig schriftelijk mee in welke periode en waar hij de stagelessen meerijdt en geeft. De kandidaat kan overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut ter invulling van de klokuren die worden meegereden met de stagebegeleider, bedoeld in het eerste lid, meerijden tijdens de rijlessen van een stagebegeleider voordat hij deelneemt aan de stage. De tweede zin geldt niet voor het meerijden met een praktijkexamen of tussentijdse toets.
5. Als de kandidaat is meegereden met een praktijkexamen of tussentijdse toets voor het besturen van motorrijtuigen van een leerling van de stagebegeleider geeft de examinator van het CBR die het praktijkexamen of de tussentijdse toets heeft beoordeeld daarvan een verklaring af.
6. Met inachtneming van artikel 8 van het besluit omvat de stage de in bijlage 1, onderdeel V, genoemde onderdelen.
7. De beoordeling van de stage vindt plaats overeenkomstig de in bijlage 1, onderdeel VI, genoemde eisen.
8. Bij een beoordeling met een resultaat ‘onvoldoende’ kan de stagiair tijdens de termijn dat zijn certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a, van de wet, geldig is maximaal twee keer een nieuwe beoordeling vragen. Bij een resultaat ‘onvoldoende’ voor de tweede herbeoordeling legt de kandidaat het examen vanaf fase 1 opnieuw af, met dien verstande dat niet alle uren als bedoeld in het eerste en tweede lid opnieuw gevolgd hoeven te worden. Op de rijlessen van zijn stagebegeleider waarbij de kandidaat in die periode van de stage meerijdt en de volledige praktische rijlessen die de kandidaat zelf geeft aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de betrokken motorrijtuigcategorie zijn het derde en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
9. Het instituut voert onaangekondigd steekproefsgewijs inspecties uit bij de in het eerste en tweede lid bedoelde stagelessen ten aanzien van de authenticiteit van de door de stagiair en diens begeleider geleverde prestatie en de uitvoering van de stage. Als de inspectie leidt tot een oordeel ‘onvoldoende’, vindt een onaangekondigde nieuwe inspectie plaats. Leidt ook de nieuwe inspectie tot het oordeel ‘onvoldoende’, dan komen de tot dan toe door de stagiair en zijn begeleider geleverde prestaties niet meer in aanmerking voor de in het zevende lid bedoelde beoordeling en is de begeleider gedurende één jaar na het tijdstip van de tweede inspectie die heeft geleid tot het oordeel ‘onvoldoende’ niet bevoegd tot begeleiding van stagiairs.
10. Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a, van de wet, geldig is en de maximale duur van de stage éénmalig verlengen. Aan de verlenging van de maximale duur van de stage kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging kan alleen worden verleend indien de stagiair wegens verschoonbare redenen de stage niet heeft kunnen afmaken. De verlenging is beperkt tot maximaal vier aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met betrekking tot de gronden. Het eerste tot en met negende lid zijn van overeenkomstige toepassing. Het instituut houdt de verleende verlengingen bij in het register.
Artikel 5a
1. De kandidaat die deelneemt aan de stage voor motorrijtuigcategorie T geeft in de stageperiode minimaal 15 klokuren volledige praktische rijlessen op een oefenterrein aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie T en minimaal 10 klokuren praktische rijlessen op de openbare weg aan de stagebegeleider als pseudoleerling. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
2. De begeleider is ten minste vijf jaar in het bezit van een certificaat als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet voor de motorrijtuigcategorie T en heeft een theoretische bijscholing Stagementor gevolgd.
3. Artikel 5, vierde en zesde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Bijscholing
Artikel 6
Degene die theoretische bijscholing geeft als bedoeld in artikel 12b van de wet, meldt de cursusnaam, de locatie, de datum en de cursisten die zich hebben opgegeven ten minste twee weken voor de aanvang daarvan aan bij het instituut. Uiterlijk twee weken na afloop van de bijscholing meldt hij de namen van degenen die aan de bijscholing hebben deelgenomen aan het instituut. Het instituut houdt deze gegevens bij in het register.
Artikel 6a
1. Een theoretische bijscholing kan uit één of meer dagdelen bestaan.
2. Elke theoretische bijscholing is uniek van inhoud.
3. Er wordt ten minste één theoretische bijscholing gevolgd over de voor het geven van rijonderricht relevante wet- en regelgeving.
Artikel 7
1.
Het instituut toetst de aanvragen voor certificering van de theoretische bijscholing aan de volgende criteria:
a. a. de doelstelling van de theoretische bijscholing; b. b. het lesplan; c. c. de leerstof of het lesmateriaal; d. d. bewijzen van professionaliteit van docenten; e. e. informatie met betrekking tot het voldoen aan bedrijfsmatige criteria.
Het instituut stelt een formulier op voor de aanvraag.
2. De aanvraag om te worden gecertificeerd gaat vergezeld van alle gegevens en bescheiden met betrekking tot de in het eerste lid genoemde criteria die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn, overeenkomstig het in het eerste lid genoemde formulier.
3. De cursus wordt uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut gestelde eisen.
4. Het toezicht door het instituut wordt steekproefsgewijs verricht.
5. Het instituut kan de certificering van de theoretische bijscholing schorsen of intrekken indien niet wordt voldaan aan het derde lid.
Artikel 8
1. De rijinstructeur die praktische bijscholing wil volgen als bedoeld in artikel 12b van de wet, dient bij het instituut een aanvraag in om voor de betrokken praktijkbegeleiding te worden ingepland.
2. Tijdens de praktijkbegeleiding geeft degene die de bijscholing volgt een volledige praktische rijles aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de bijscholing wordt gevolgd, tenzij degene die de bijscholing volgt werkzaam is binnen een dienstverband bij het CBR of het instituut.
3. Het instituut houdt de resultaten van de praktijkbegeleiding bij in het register.
4. Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet geldig is éénmalig verlengen in het geval dat de rijinstructeur wegens verschoonbare redenen niet aan zijn verplichting tot praktische bijscholing, bedoeld in artikel 12b van de wet, heeft kunnen voldoen. Aan de verlenging kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging is beperkt tot maximaal twaalf aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met betrekking tot de gronden.
5. Het instituut houdt de verleende verlengingen, bedoeld in het derde lid, alsmede de verlengingen, bedoeld in artikel 13, onderdeel b, derde en vierde zin, van de wet bij in het register.
Artikel 8a
1. Degene die bijlessen geeft als bedoeld in artikel 10a van het besluit, meldt de cursusnaam, de locatie, de datum en de cursisten die zich hebben opgegeven ten minste twee weken voor de aanvang daarvan aan bij het instituut.
2. Een geheel van bijlessen bevat in ieder geval een individueel intakegesprek en een evaluatief eindgesprek. Van die gesprekken wordt door degene die de bijles geeft een verslag gemaakt, dat de inbreng bevat van degene die de bijles geeft en degene die de bijles volgt. Het verslag wordt ondertekend door degene die de bijles geeft en degene die de bijles volgt.
3. Uiterlijk twee weken na afloop van de bijlessen meldt degene die de bijles geeft de namen van degenen die de bijles hebben gevolgd en stuurt het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan het instituut.
4. Het instituut houdt de gegevens, bedoeld in het derde lid, bij in het register.
Artikel 8b
1.
Het instituut toetst de aanvragen voor certificering van bijlessen aan de volgende criteria:
a. a. de doelstelling van de bijles; b. b. het lesplan; c. c. de leerstof of het lesmateriaal; d. d. bewijzen van professionaliteit van docenten; e. e. informatie met betrekking tot het voldoen aan bedrijfsmatige criteria.
Het instituut stelt een formulier op voor de aanvraag.
2.
Het lesplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt afgestemd op de behoefte van cursisten en bestaat ten minste uit:
a. a. een individueel intakegesprek als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, eerste zin; b. b. het door degene die de bijles volgt verzorgen van twee praktijklessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de bijles wordt gevolgd; c. c. een evaluatief eindgesprek als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, eerste zin, na de laatste gegeven praktijkles.
3. De aanvraag om te worden gecertificeerd gaat vergezeld van alle gegevens en bescheiden met betrekking tot de in het eerste en tweede lid genoemde criteria die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn, overeenkomstig het in het eerste lid genoemde formulier.
4. De cursus wordt uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut gestelde eisen.
5. Het toezicht door het instituut wordt steekproefsgewijs verricht.
6. Het instituut kan de certificering van de bijles schorsen of intrekken indien niet wordt voldaan aan het vierde lid.
Hoofdstuk 7. Herintreding
Artikel 9
1. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing in het geval de rijinstructeur de fasen 1 of 2 uit het examen, of de praktijkrit uit het examen in het kader van het herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c van de wet, doet.
2.
Fase 3 uit het examen in het kader van het herintrederstraject als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van het besluit bestaat uit het geven van volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in dezelfde motorrijtuigcategorie als waarvoor de herintreder aan de stage deelneemt voor de duur van:
a. a. minimaal twintig klokuren voor de motorrijtuigcategorie B; b. b. minimaal tien klokuren voor de motorrijtuigcategorie A.
Artikel 5, eerste lid, tweede zin, tweede lid, tweede zin, derde, vierde en zesde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9a
1. Artikel 4, eerste tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing in het geval een rijinstructeur ten behoeve van het certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie T de fasen 1 en 2 uit het examen in het kader van het herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c van de wet, doet.
2. Fase 3 uit het examen in het kader van het herintrederstraject als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van het besluit bestaat voor de motorrijtuigcategorie T uit het geven van minimaal acht klokuren volledige praktische rijlessen op een oefenterrein aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie T en minimaal vijf klokuren praktische rijlessen op de openbare weg aan de stagebegeleider als pseudoleerling. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut. Artikel 5, vierde, zesde en zevende lid, achtste lid, derde zin, en negende lid, en artikel 5a, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 8. Toezicht door rijksgecommitteerden
Artikel 10
Het toezicht, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet, zal in het algemeen steekproefsgewijs worden verricht.
Artikel 11
De rijksgecommitteerden zijn bevoegd alle gebeurtenissen en beraadslagingen met betrekking tot de uitvoering door het instituut van de taken, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet, bij te wonen en kennis te nemen van alle daarop betrekking hebbende stukken.
Artikel 12
De rijksgecommitteerden brengen telkenmale onverwijld van het door hen verrichte toezicht rapport uit aan de Minister.
Artikel 12a
Het instituut draagt de vergoeding van de kosten van de rijksgecommitteerden rechtstreeks aan hen af.
Hoofdstuk 9. Commissie van beroep
Artikel 13
Vervallen
Hoofdstuk 10. Militaire rijinstructeur en politierijinstructeur
Artikel 14
Als diploma van een militaire rijinstructeur als bedoeld in artikel 8 van de wet wordt aangewezen het Diploma militair rijinstructeur.
Artikel 15
Als diploma van een politierijinstructeur als bedoeld in artikel 8 van de wet wordt aangewezen:
– – het Diploma voor het examen Politie Rij-instructeur van het Politie Verkeersinstituut te Apeldoorn; – – het Diploma Hulpinstructeur Politierijopleidingen van het Politie Verkeersinstituut te Apeldoorn.
Hoofdstuk 11. Vaststelling van documenten
Artikel 16
Het certificaat rijinstructeur is overeenkomstig de modellen in bijlage 2 van deze regeling.
Artikel 16a
1. Voor het afdrukken van de pasfoto en handtekening op het certificaat rijinstructeur worden de pasfoto en handtekening uit het rijbewijzenregister gebruikt.
2. Indien de pasfoto en de handtekening uit het rijbewijzenregister niet gebruikt kunnen worden of indien het rijbewijzenregister niet kan worden geraadpleegd, wordt van de rijinstructeur voorafgaand aan het examen een pasfoto gemaakt en plaatst hij een handtekening op een daarvoor bestemd formulier.
Artikel 16b
Indien een duplicaat wordt afgegeven van een certificaat rijinstructeur wordt daarop een duplicaatcode vermeld.
Artikel 17
De certificaten scholing educatieve maatregel zijn overeenkomstig de modellen in bijlage 3 bij deze regeling.
Hoofdstuk 12. Migrerende beroepsbeoefenaars
Artikel 18
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- aanvraag: aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de wet;
- aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die de aanvraag indient;
- Aw: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Artikel 19
1. Een aanvraag wordt ingediend bij het instituut.
2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Aw.
Artikel 20
Indien het door toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel a of b, van de Aw, noodzakelijk is dat een aanpassingsstage wordt doorlopen of proeve van bekwaamheid wordt afgelegd, maakt de aanvrager zijn keuze tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid kenbaar, tenzij artikel 11, vijfde lid, van de Aw van toepassing is.
Artikel 21
Het instituut stelt vast op welk terrein en binnen welke termijn de aanvrager de aanpassingsstage doorloopt.
Artikel 22
Het instituut stelt vast binnen welke termijn en in welke examenonderdelen, genoemd in de artikelen 5 tot en met 7 van het besluit, de aanvrager de proeve van bekwaamheid aflegt.
Artikel 23
De aanvraag wordt afgewezen, indien de aanvrager de aanpassingsstage of de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg heeft volbracht.
Artikel 24
Het certificaat, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de wet kan alleen bevoegdheden verlenen die overeenkomen met die welke de aanvrager had in de betrokken staat van oorsprong of herkomst.
Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 25
1. In afwijking van artikel 5, derde lid, tweede zin, en artikel 5a, tweede lid, blijven degenen die stagebegeleiders waren voor de inwerkingtreding van de Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (wijzigingen naar aanleiding van evaluatie, nascholing beroepschauffeurs, bestuursrechtelijke handhaving en enkele verbeteringen) (Stb. 2019, 6) aangewezen als stagebegeleider.
2. Met ingang van 1 oktober 2022 wordt in artikel 5a, tweede lid, ‘ten minste drie jaar’ vervangen door ‘ten minste vijf jaar’.
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Vervallen
Artikel 28
Vervallen
Artikel 29
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009.
Artikel 30
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2009 met uitzondering van artikel 25, dat in werking treedt op 1 juni 2009 en terug werkt tot en met 3 februari 2009.
Bijlage 1
Bijlage 2. Modellen van certificaten als bedoeld in
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 3. Modellen van certificaten als bedoeld in
[afbeelding]
[afbeelding]