rijk/ministeriele-regeling/regeling-storingsklachten/BWBR0007511/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

7.2 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling storingsklachten BWBR0007511 ministeriele-regeling geldend 1995-08-25 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007511 Regeling storingsklachten

Regeling storingsklachten

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. Een klacht over een storing kan naar keuze van de klager telefonisch dan wel schriftelijk worden aangemeld bij het Agentschap Telecom.

2. De ontvangst van de klacht wordt op verzoek van de klager schriftelijk bevestigd.

Artikel 3

1.

Een klacht wordt niet in behandeling genomen indien:

a. a. het duidelijk is dat de klacht geen betrekking heeft op een storing; b. b. een ongestoorde ontvangst, in geval van klachten over de ontvangst van omroepzenders, naar het oordeel van de minister, mede gelet op de plaats van de betrokken ontvanginrichting en de betrokken omroepzenders, niet mag worden verwacht; c. c. de klacht betrekking heeft op omroepontvangst in niet vast opgestelde voer-en vaartuigen;

2. Indien een klacht niet in behandeling wordt genomen, wordt hiervan aan de klager onder opgave van redenen binnen vier weken na ontvangst van de klacht, schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 4

1.

Indien de klacht in behandeling wordt genomen, wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, een onderzoek aan het apparaat dat storing ondervindt of aan het apparaat dat storing veroorzaakt of aan beide apparaten, ingesteld. Bij dit onderzoek wordt nagegaan of:

a. a. het apparaat aan de beschermingseisen voldoet; b. b. het apparaat geen konstruktiefouten of andere gebreken vertoont, die problemen in de werking van het apparaat kunnen veroorzaken; c. c. het gebruik van het apparaat geschiedt in overeenstemming met de gebruiksaanwijzing en de bij of krachtens de Telecommunicatiewet gestelde regels; d. d. de eventuele antenne-inrichting, die bij het apparaat wordt gebruikt voldoet aan de bij of krachtens de Telecommunicatiewet gestelde eisen, danwel de criteria vermeld in bijlage 1 behorend bij deze regeling.

2. Het onderzoek als bedoeld in het vorige lid onder a, vindt voor wat betreft het storing ondervindende apparaat, plaats overeenkomstig het gestelde in bijlage 3, behorend bij deze regeling.

3. Naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt een inventarisatie opgemaakt van maatregelen welke tot opheffing van de storing kunnen leiden.

Artikel 5

1. Indien uit het onderzoek blijkt dat het apparaat dat storing ondervindt, niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c of d, zal geen verdere klachtbehandeling plaatsvinden.

2. Indien uit het onderzoek blijkt dat het apparaat dat storing ondervindt voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met d, wordt een onderzoek aan het storende apparaat ingesteld.

3. Indien het storende apparaat blijkens het onderzoek voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met c, zal geen verdere klachtbehandeling plaatsvinden. Alsdan kan aan de klager worden geadviseerd op eigen kosten bepaalde voorzieningen te treffen ten aanzien van het apparaat dat storing ondervindt.

4.

Indien het storende apparaat :

1° 1° blijkens het onderzoek niet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid onder a, b, of c voldoet; danwel 2° 2° een radiozendapparaat is waarvan de gemeten elektrische of magnetische veldsterkte ter plaatse van het storing ondervindende apparaat de voor laatstgenoemde apparaat geldende beschermingseisen overschrijdt, dan kan de houder van het apparaat dat storing veroorzaakt verplicht worden maatregelen te nemen om de klacht te verhelpen.

5.

Behalve door afdoening van de klacht overeenkomstig de voorgaande leden wordt de klachtbehandeling beëindigd indien:

a. a. de klager de klacht intrekt; b. b. de klager onvoldoende medewerking verleent; c. c. de storing zich niet meer voordoet; d. d. de stoorbron niet kan worden opgespoord; e. e. de kosten van de klachtbehandeling, naar het oordeel van de minister, niet in verhouding staan tot het belang dat de klager bij opheffing van de storing heeft; f. f. het een storing betreft als bedoeld in Hoofdstuk SI, artikel S1, sectie VII, onderdeel S1.167 en S1.168 van het Internationale Radio Reglement.

6. Van de beëindiging van de klachtbehandeling wordt door het Agentschap Telecom aan de klager en voor zover mogelijk aan de gebruiker van het storende apparaat onder opgave van redenen schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het Besluit elektromagnetische compatibiliteit in werking treedt.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling storingsklachten.

Bijlage 1. behorende bij de

Bijlage 2. behorende bij de Regeling storingsklachten (artikel 21 van het Besluit randapparaten en radioapparaten en artikel 16 van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2001)

Bijlage 3. behorende bij de Regeling storingsklachten

De wijze van meten met betrekking tot het bestand zijn van apparaten tegen elektromagnetische velden

Indien een apparaat storing ondervindt, tengevolge van het door een apparaat uitgezonden signaal is het volgende van toepassing.

Indien vastgesteld is welk apparaat de storing veroorzaakt, wordt het niveau van de veldsterkte welke veroorzaakt wordt door het storende apparaat ter plaatse van de apparaat dat storing ondervindt als volgt vastgesteld.

De veldsterkte (elektrische component) wordt gemeten als de effectieve waarde van één hoogfrequent-periode op het maximum van de omhullende modulatie. Tijdens de meting dient het apparaat dat storing ondervindt uitgeschakeld te zijn.

De veldsterkte wordt gemeten op de volgende plaatsen:

Indien een der bovenstaande punten door plaatselijke omstandigheden niet toegankelijk is, worden door de behandelende ambtenaar drie andere plaatsen gekozen die alle op een straal van 1 meter t.o.v. het beïnvloede apparaat liggen.

Ingeval van storingen veroorzaakt door zendinrichtingen worden de metingen uitgevoerd met het radiozendapparaat in bedrijf op maximaal vermogen en met gebruikmaking van de modulatiesoort(en) waarvoor het radiozendapparaat geschikt is. Als modulatiesignalen worden de signalen toegepast die in eventuele voorschriften en vergunningsvoorwaarden zijn vastgelegd voor de meting ter bepaling van het zendvermogen. In gevallen waarin dit niet mogelijk is wordt een modulatiesignaal toegepast dat overeenkomt met de praktische werksituatie van het radiozendapparaat.

Overeenkomstig de praktische werksituatie van het radiozendapparaat dient de keuze van de antenne, antennerichting, antennehoogte, opstraalhoek, antenneleiding, enz. zo te zijn dat er een maximaal te meten veldsterkte ontstaat.

De maximaal gemeten waarde in relatie met de geldende beschermingseisen is bepalend voor de afdoening van de klacht.

Ingeval van storingen veroorzaakt door andere apparaten dan zendinrichtingen wordt de bovenomschreven meetmethode aangehouden, met inachtneming van de praktische werksituatie ter plaatse.