rijk/ministeriele-regeling/regeling-subsidie-plattelandsontwikkelingsprogramma-provincies/BWBR0013683/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

18 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies BWBR0013683 ministeriele-regeling geldend 2002-05-18 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013683 Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies

Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies

Paragraaf 1. : begripsbepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. : verstrekken van subsidie

Artikel 2

De minister kan ter uitvoering van het provinciaal programma overeenkomstig verordening (EG) nr. 1257/1999, verordening (EG) nr. 445/2002 en deze regeling, na advies van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie, tot het beschikbaar bedrag subsidies verstrekken aan natuurlijke personen en rechtspersonen.

Paragraaf 3. : aanvraagperioden, communautaire bijdrage, beoordelingscriteria

Artikel 3

1. De minister kan op voordracht van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie per jaar voor iedere provincie één of meer aanvraagperioden vaststellen voor subsidieaanvragen op grond van deze regeling.

2. De minister stelt voor de aanvraagperiode of aanvraagperiodes per maatregel en per provincie op voordracht van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie de communautaire bijdrage vast.

3. De minister stelt op voordracht van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie, gelijktijdig met het besluit, bedoeld in het tweede lid, de voorwaarden vast die worden gesteld aan de periode waarin de te subsidiëren projecten of activiteiten worden uitgevoerd en de bijbehorende uitgaven worden gedaan.

4.

De minister stelt op voordracht van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie, gelijktijdig met het besluit, bedoeld in het tweede lid, de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag vast door

a. a. beoordelingscriteria voor de mate waarin de subsidieaanvraag bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen van verordening (EG) nr. 1257/1999, verordening (EG) nr. 445/2002, en deze regeling, en b. b. de verhouding tussen deze beoordelingscriteria vast te stellen.

5. De minister maakt de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, bekend in de Staatscourant.

Paragraaf 4. : beoordeling van subsidieaanvragen, provinciaal advies

Artikel 4

1.

Gedeputeerde Staten beoordelen de subsidieaanvragen ten behoeve van het advies, bedoeld in artikel 2, aan de hand van de volgende criteria:

a. a. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met verordening (EG) nr. 1257/1999 en verordening (EG) nr. 445/2002; b. b. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma, deze regeling en het in artikel 3, derde lid, bedoelde besluit; c. c. de mate waarin het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, bijdraagt aan de verwezenlijking van het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma en voldoet aan de in artikel 3, vierde lid, genoemde beoordelingscriteria.

2. Gedeputeerde Staten kunnen de minister adviseren een aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

3. Gedeputeerde Staten brengen, na beoordeling van de subsidieaanvragen, een advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen tot subsidieverlening waarover Gedeputeerde Staten ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseren, waarbij aanvragen tot subsidieverlening hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de Gedeputeerde Staten meer voldoen aan de beoordelingscriteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 5

De minister beoordeelt de subsidieaanvragen ten behoeve van het besluit, bedoeld in artikel 2, aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met c.

Artikel 6

1.

Geen subsidie wordt verleend:

a. a. indien de subsidieverlening in strijd is met verordening (EG) nr. 1257/1999, verordening (EG) nr. 445/2002, of het plattelandsontwikkelingsprogramma; b. b. indien de subsidieverlening een, op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 of Verordening (EG) nr. 445/2002, ongeoorloofde samenloop van verschillende subsidies met zich meebrengt; c. c. voorzover enig bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor het project of de projecten, of de activiteit of activiteiten reeds een subsidie heeft verleend of zal verlenen, waardoor het totaal van de te ontvangen subsidie voor het project of de projecten, of de activiteit of activiteiten meer bedraagt dan

        i.
         het voor de desbetreffende projecten of activiteiten bij de desbetreffende maatregel bij steunintensiteit of toegepaste bedragen voor de desbetreffende categorie rechtspersonen of natuurlijke personen vermelde percentage van de subsidiabele kosten,
      
      
        ii.
         het percentage van de subsidiabele kosten waarnaar voor de desbetreffende categorie rechtspersonen of natuurlijke personen in de desbetreffende maatregel bij steunintensiteit of toegepaste bedragen wordt verwezen, of
      
      
        iii.
         indien van toepassing en het een lager bedrag is, het op de desbetreffende maatregel van toepassing zijnde maximale subsidiebedrag;

i. i. het voor de desbetreffende projecten of activiteiten bij de desbetreffende maatregel bij steunintensiteit of toegepaste bedragen voor de desbetreffende categorie rechtspersonen of natuurlijke personen vermelde percentage van de subsidiabele kosten, ii. ii. het percentage van de subsidiabele kosten waarnaar voor de desbetreffende categorie rechtspersonen of natuurlijke personen in de desbetreffende maatregel bij steunintensiteit of toegepaste bedragen wordt verwezen, of iii. iii. indien van toepassing en het een lager bedrag is, het op de desbetreffende maatregel van toepassing zijnde maximale subsidiebedrag; d. d. indien de subsidieverlening betrekking heeft op projecten of activiteiten die worden verricht ter voldoening aan enige wettelijke verplichting.

2. Geen subsidie wordt verleend voor projecten en activiteiten waarvan met de uitvoering een aanvang is gemaakt alvorens de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd. Onder het maken van een aanvang met de uitvoering van een investering wordt in ieder geval verstaan het aangaan van verplichtingen.

Paragraaf 5. : indienen subsidieaanvragen

Artikel 7

Subsidieaanvragen worden ingediend bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie.

Paragraaf 6. : termijn beslissing subsidieverlening

Artikel 8

De minister stelt de beslissing tot het verlenen van subsidie vast binnen 26 weken na ontvangst van de subsidieaanvraag door Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie. De minister kan deze termijn eenmalig met 13 weken verlengen.

Paragraaf 7. : voorschot

Artikel 9

De minister kan aan de subsidieontvanger een voorschot verlenen tot ten hoogste 80% van de verleende subsidie.

Paragraaf 8. : investeringen in landbouwbedrijven

Artikel 10

1.

Subsidie voor investeringen in landbouwbedrijven wordt slechts verleend voor investeringen in landbouwbedrijven die gericht zijn op:

a. a. verlaging van productiekosten, b. b. verbetering en omschakeling van de productie, c. c. verhoging van de kwaliteit, d. d. instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen op het gebied van dierenwelzijn, of e. e. bevordering van de diversificatie van landbouwactiviteiten.

2.

Subsidie voor investeringen in landbouwbedrijven wordt slechts verleend indien:

a. a. de aanvrager voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf exploiteert, b. b. op het tijdstip van de indiening van de aanvraag de economische levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf aantoonbaar is, c. c. het landbouwbedrijf voldoet aan de minimumeisen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn, hetgeen omvat de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, hetgeen omvat de geldende normen bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektewet, en d. d. de aanvrager beschikt over voldoende agrarische vakbekwaamheid.

3. Geen subsidie wordt verleend voor investeringen die gericht zijn op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden.

Paragraaf 9. : beroepsopleiding

Artikel 11

Subsidie voor beroepsopleiding van landbouwers en andere personen die betrokken zijn bij landbouw- en bosbouwactiviteiten wordt slechts verleend indien de opleiding gericht is:

a. a. op voorbereiding van de landbouwers op een kwalitatieve heroriëntering van de productie en op de toepassing van productiemethoden die verenigbaar zijn met het landschapsbehoud en landschapsverbetering, milieubescherming, hygiënische normen en dierenwelzijn, en op verwerving van vaardigheden die noodzakelijk zijn om landbouwers in staat te stellen economisch levensvatbare bedrijven te beheren, of b. b. op het bekwamen van boseigenaren en andere personen die bij bosbouwactiviteiten zijn betrokken, in de toepassing van bosbeheerpraktijken ter verbetering van de economische, de ecologische of de maatschappelijke functies van bossen.

  1. Geen subsidie wordt verleend voor een beroepsopleiding die onderdeel is van een normaal opleidingsprogramma of van leergangen voor middelbaar of hoger land- en bosbouwonderwijs.

Paragraaf 10. : verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten

Artikel 12

1.

Subsidie voor investeringen in bedrijven voor de verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten wordt slechts verleend, indien:

a. a. op het tijdstip van de indiening van de aanvraag de economische levensvatbaarheid van het bedrijf van de aanvrager aantoonbaar is, b. b. het bedrijf voldoet aan de minimumeisen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn, hetgeen omvat de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, hetgeen omvat de geldende normen bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektewet, en c. c. de investeringen betrekking hebben op de verwerking en afzet van producten opgenomen in bijlage I bij het Verdrag, met uitzondering van visserijproducten.

2.

Geen subsidie wordt verleend voor:

a. a. investeringen die gericht zijn op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden, b. b. investeringen op het niveau van de detailhandel, en c. c. investeringen in de verwerking of afzet van producten uit derde landen.

Paragraaf 11. : bosbouw

Artikel 13

1.

Subsidie voor maatregelen in de bosbouw wordt slechts verleend voor maatregelen die betrekking hebben op:

a. a. bebossing van gronden; b. b. investeringen in bossen die gericht zijn op de verhoging van de economische, ecologische of maatschappelijke waarde; c. c. investeringen om de oogst, verwerking en afzet van bosbouwproducten te verbeteren en te rationaliseren; d. d. bevordering van nieuwe afzet- en gebruiksmogelijkheden voor bosbouwproducten; e. e. de instelling van verenigingen van boseigenaren, of f. f. herstel van het productiepotentieel van bossen die door een natuurramp of brand zijn beschadigd, en het treffen van preventieve voorzieningen.

2. Artikelen 10 en 12 zijn, in geval van investeringssteun, van overeenkomstige toepassing.

3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, wordt slechts verleend voor bossen en gronden die eigendom zijn van particuliere personen, verenigingen van particuliere personen, gemeenten of verenigingen van gemeenten.

4.

Subsidie voor de bebossing van landbouwgrond, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt slechts verleend voor:

a. a. de aanplantkosten, of b. b. de door de bebossing jaarlijks gederfde inkomsten voor een periode van maximaal 20 jaar.

5.

Geen subsidie als bedoeld in het vierde lid wordt verleend:

a. a. aan landbouwers die een subsidie hebben ontvangen voor vervroegde uittreding, en b. b. voor de aanplant van kerstbomen.

6. De voorwaarden, genoemd in hoofdstuk VIII van titel II van verordening (EG) nr. 1257/1999 zijn van toepassing bij de subsidieverlening op grond van het eerste lid.

Paragraaf 12. : bevordering van de aanpassing en ontwikkeling van plattelandsgebieden

Artikel 14

1. Indien subsidie wordt verleend voor maatregelen ten behoeve van de bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van plattelandsgebieden, dienen de maatregelen gericht te zijn op de onderwerpen of activiteiten, als bedoeld in artikel 33 van verordening (EG) nr. 1257/1999.

2. Geen subsidie op grond van het eerste lid wordt verleend voor maatregelen waarvoor een subsidie kan worden verleend op grond van de artikelen 10 tot en met 13.

Paragraaf 13. : administratie en controles

Artikel 15

1.

De subsidieontvanger is verplicht, voor zover verordening (EEG) nr. 4045/89 van toepassing is:

a. a. de handelsdocumenten gedurende ten minste drie jaren te bewaren, ingaande na afloop van het jaar waarin zij zijn opgesteld, en b. b. in geval de met de controle belaste functionarissen of daartoe gemachtigde personen dit eisen, uittreksels of kopieën van de handelsdocumenten te verstrekken.

2. De subsidieontvanger is verplicht de fysieke en administratieve controles toe te staan van de door de minister aangewezen toezichthouders en van de bij of krachtens het Verdrag bevoegde Europese controleurs.

Paragraaf 14. : overige verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 16

1. De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten overeenkomstig de aanvraag uit te voeren en het bepaalde bij of krachtens verordening (EG) nr. 1257/1999, verordening (EG) nr. 445/2002 of deze regeling na te leven.

2. De subsidieverlening onderscheidenlijk -vaststelling wordt ingetrokken indien de subsidieontvanger zijn verplichtingen ingevolge onderhavige regeling of de subsidiebeschikking niet nakomt.

3. Onverminderd het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, besluit de minister in ieder geval tot weigering of intrekking van de subsidieverlening of de subsidievaststelling, indien de aanvrager door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling heeft ingediend.

4.

Artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht vindt geen toepassing ten aanzien van reeds uitbetaalde subsidies indien niet-nakoming van de uit deze verordening en de subsidiebeschikking voortvloeiende verplichtingen het gevolg is van:

a. a. overmacht als bedoeld in artikel 33 van verordening (EG) nr. 445/2002, of b. b. ruilverkaveling of een andere publiekrechtelijke landinrichtingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 van verordening (EG) nr. 445/2002.

Paragraaf 15. : weigering, intrekking subsidieverlening en subsidievaststelling

Artikel 17

1. De minister besluit tot weigering of intrekking van de subsidieverlening of de subsidievaststelling, indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling op grond van deze regeling, in hetzelfde jaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop dezelfde hoofdstukken van verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door ernstige nalatigheid of opzet onjuist.

2. De minister besluit tot weigering of intrekking van de subsidieverlening of de subsidievaststelling, indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling op grond van deze regeling, in het voorafgaande jaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of vaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop dezelfde hoofdstukken van verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door opzet onjuist.

Artikel 18

1. Een aanvraag kan worden afgewezen en een beschikking, inhoudende de verstrekking van een subsidie op grond van deze regeling, kan worden ingetrokken of gewijzigd voorzover subsidieverstrekking in strijd zou zijn met ingevolge het Verdrag voor de lidstaat Nederland geldende verplichtingen.

2. Bij de intrekking of wijziging kan worden bepaald dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Paragraaf 16. : slotbepalingen

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.

Artikel 19a

Voor aanvragen die vanaf 1 april 2002 zijn ingediend op grond van de

a. a. Verordening plattelandsontwikkeling Gelderland, b. b. Subsidieverordening plattelandsontwikkeling provincie Limburg, c. c. Verordening plattelandsontwikkeling Noord-Brabant, d. d. Verordening plattelandsontwikkeling provincie Noord-Holland 2002, e. e. Verordening Plattelandsontwikkeling Overijssel, f. f. Verordening Plattelandsontwikkelingsplan Samenwerkingsverband Noord-Nederland, g. g. Subsidieverordening Europees plattelandsontwikkelingsprogramma Utrecht 2002, h. h. Verordening plattelandsontwikkeling Zeeland, of i. i. de Informatiebrochure PlattelandsOnwikkelingsProgramma van de provincie Zuid-Holland van juli 2002,

is deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.