40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
15 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling substantieel bezwarende functies | BWBR0036442 | ministeriele-regeling | geldend | 2016-05-27 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0036442 | Regeling substantieel bezwarende functies |
Regeling substantieel bezwarende functies
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*pensioengerechtigde leeftijd:* de leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
b. b.
*betrokkene:* de ambtenaar, bedoeld in artikel 94b en artikel 94c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, aan wie ontslag is verleend;
c. c.
*FLO-functie:* een functie als bedoeld in artikel 3 van het Besluit overgangsrecht FLO-functies, zoals dat luidde op 31 maart 2015;
d. d.
*ontslag:* een ontslag als bedoeld in artikel 94b en in artikel 94c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 2
1. In deze regeling wordt verstaan onder berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en de salarisgarantie en salarissuppletie, bedoeld in artikel 49gg van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, berekend over een kalendermaand, waarop betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had of bij uitoefening van zijn functie zou hebben gehad.
2. Als betrokkene direct voorafgaand aan zijn ontslag buitengewoon verlof heeft genoten als bedoeld in artikel 49tt, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, geldt als berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over een kalendermaand, waarop betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn buitengewoon verlof aanspraak had of bij uitoefening van zijn functie zou hebben gehad.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, worden de toelagen, bedoeld in de artikel 14, eerste lid, artikel 18, eerste lid, en artikel 18b van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de over die toelagen berekende vakantie-uitkering niet tot de berekeningsgrondslag gerekend.
4. In zoverre de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt voor dat deel van de bezoldiging gerekend met het bedrag dat betrokkene over de laatste twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag of aan het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, gemiddeld per maand is toegekend.
5. Bij ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur als bedoeld in artikel 94b, vierde lid, en artikel 94c, zesde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt de berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller overeenkomt met het aantal uren waarvoor ontslag is verleend en de noemer met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur op de dag voorafgaand aan het deeltijdontslag.
6. De berekeningsgrondslag wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering of de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
Artikel 3
1. Betrokkene heeft recht op een uitkering als bedoeld in artikel 94b, achtste lid, en artikel 94c, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, vanaf de dag van ingang van zijn ontslag, tenzij hij in verband met dit ontslag een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt.
2. De Minister besluit over de toekenning van de uitkering op aanvraag van betrokkene.
Artikel 4
1.
De duur van de uitkering, bedoeld in artikel 94b, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is afhankelijk van het geboortejaar van betrokkene:
| Geboortejaar | Uitkeringsduur |
|---|---|
| 1950, 1951, 1952 | 2 jaar en 10 maanden |
| 1953, 1954 | 2 jaar en 9 maanden |
| 1955, 1956 | 2 jaar en 8 maanden |
| 1957, 1958 | 2 jaar en 7 maanden |
| 1959, 1960 | 2 jaar en 6 maanden |
| 1961, 1962 | 2 jaar en 5 maanden |
| 1963 | 2 jaar en 4 maanden |
| 1964 | 2 jaar en 3 maanden |
| 1965 en verder | 2 jaar en 2 maanden |
2. Indien aan betrokkene voor een percentage van de voor hem geldende arbeidsduur ontslag is verleend als bedoeld in artikel 94b, vierde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement, wordt de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, nader vastgesteld door die uitkeringsduur te delen door het voornoemde percentage.
3. Bij ontslag voor de resterende arbeidsduur, bedoeld in artikel 94b, zesde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement, wordt de duur van de uitkering nader vastgesteld door de alsdan resterende uitkeringsduur te vermenigvuldigen met het in het tweede lid genoemde percentage.
4. De substantieel bezwarende functies, bedoeld in artikel 94b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
Artikel 5
1. De duur van de uitkering voor de ambtenaar als bedoeld in artikel 94c, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt berekend door het aantal jaren dat de ambtenaar aaneengesloten heeft doorgebracht in een FLO-functie of substantieel bezwarende functie te vermenigvuldigen met een maand. De uitkeringsduur bedraagt maximaal de uitkeringsduur genoemd in het eerste lid van artikel 4.
2. Indien aan betrokkene voor een percentage van de voor hem geldende arbeidsduur ontslag is verleend als bedoeld in artikel 94c, zesde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement zijn artikel 4, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De functies, bedoeld in artikel 94c, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.
Artikel 6
De hoogte van de uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag.
Artikel 7
De functies, bedoeld in artikel 130c, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.
Artikel 8
De uitkering van betrokkene die na zijn ontslag nog rechten heeft of krijgt uit hoofde van ziekte of arbeidsongeschiktheid in verband met de functie waaruit hij is ontslagen, wordt tot het einde van de periode waarover die rechten bestaan verminderd met het bedrag daarvan.
Artikel 9
1. De uitkering wordt verminderd met de inkomsten die betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, voor zover de uitkering vermeerderd met de inkomsten de berekeningsgrondslag overschrijdt. De inkomsten worden met de uitkering verrekend over het jaar waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit of verlof, in het jaar voorafgaand aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
3. Wanneer betrokkene enige arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en geen verband houden met het ontslag.
Artikel 10
1. Betrokkene is verplicht van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan de door de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen instantie onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal genieten.
2. Zijn de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf niet vooraf op te geven, dan doet betrokkene tijdig vóór het verstrijken van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.
3. Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mee, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de bedoelde termijn.
4. Betrokkene wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen die daarvoor naar het oordeel van de Minister voor Wonen en Rijksdienst in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.
5. Indien betrokkene de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt, kan de uitkering zolang dit het geval is, niet of slechts gedeeltelijk worden uitbetaald.
Artikel 11
Het recht op uitkering eindigt in ieder geval:
-
- met ingang van de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
-
- met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.
Artikel 12
1. Na het overlijden van betrokkene aan wie een uitkering is toegekend, wordt aan de nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering uitgekeerd gelijk aan de berekeningsgrondslag over een tijdvak van drie maanden.
2. Indien op de uitkering een vermindering werd toegepast krachtens de artikelen 8 of 9 is de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die betrokkene ontving over de periode van drie maanden voorafgaand aan de dag van het overlijden.
3. Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen wordt in dit artikel mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de uitkering van betrokkene.
4. Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en derde lid na, dan kan de overlijdensuitkering geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 13
1. Betrokkene aan wie op grond van artikel 130d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op 31 maart 2015, voor 1 januari 2013 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, heeft recht op een compensatie.
2. De compensatie wordt berekend door het aantal maanden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor betrokkene later ligt dan de leeftijd van 65 jaar te vermenigvuldigen met 70% van het bedrag van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
3. Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering na 30 september 2014 wordt beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, uitbetaald bij ontslag.
4. Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering voor 1 oktober 2014 is beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 oktober 2015 is ingediend.
Artikel 13a
1. De betrokkene aan wie op grond van artikel 130d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op 31 maart 2015, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, heeft recht op een compensatie.
2. De compensatie wordt berekend door het aantal maanden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor betrokkene ligt na de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat luidde op 31 mei 2015, te vermenigvuldigen met 70% van het bedrag van het minimumloon,bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
3. Aan de betrokkene van wie de uitkering na 31 maart 2016 wordt beëindigd, wordt de compensatie uitbetaald bij ontslag.
4. Aan de betrokkene van wie de uitkering voor 1 april 2016 is beëindigd, wordt de compensatie op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 januari 2017 is ingediend.
Artikel 13b
1. De betrokkene aan wie op grond van artikel 94b, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 juni 2015 ontslag is verleend, heeft recht op een compensatie.
2. De compensatie wordt berekend door het aantal maanden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor betrokkene ligt na de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat luidde op 31 mei 2015, te vermenigvuldigen met 70% van het bedrag van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
3. Het aantal maanden, bedoeld in het tweede lid, bedraagt niet meer dan het aantal maanden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor betrokkene later ligt dan de dag waarop het recht op uitkering eindigt.
4. De betrokkene aan wie op grond van artikel 94b, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur ontslag is verleend, heeft recht op compensatie naar rato van het gedeelte van de arbeidsduur waarvoor hem ontslag is verleend.
5. Aan de betrokkene van wie de uitkering na 1 juni 2016 wordt beëindigd, wordt de compensatie uitbetaald bij de uitbetaling van de laatste uitkering.
6. Aan de betrokkene van wie de uitkering voor 1 juni 2016 is beëindigd, wordt de compensatie op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 januari 2017 is ingediend.
Artikel 14
De Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 en de Regeling aanmerking substantieel bezwarende functies worden ingetrokken.
Artikel 15
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2015.
2. De artikelen 1 tot en met 13 werken terug tot en met 1 oktober 2014, met uitzondering van artikel 7.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling substantieel bezwarende functies.
Bijlage 1. behorende bij
Als substantieel bezwarende functies als bedoeld in artikel 94b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn de volgende functie aangemerkt:
Bijlage 2. behorende bij
Bijlage 3. behorende bij
Als substantieel bezwarende functies volgens categorie B, bedoeld in artikel 130c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn de volgende functies aangemerkt: