40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
30 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000 | BWBR0011338 | ministeriele-regeling | geldend | 2000-05-10 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0011338 | Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000 |
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
1.
Als stoffen met een geringe schadelijkheid voor de kwaliteit van bodem, daaronder begrepen grondwater, water of lucht worden aangemerkt:
a. a. alle organische stoffen, die uit een gewasbeschermingsmiddel zijn ontstaan, met een alifatische structuur, niet zijnde aldehyden of epoxiden, met een ketenlengte niet langer dan 4 en waarvan de samenstellende atomen slechts C, H, N of O zijn; b. b. andere stoffen, waarvan de geringe schadelijkheid door de aanvrager van de toelating wordt aangetoond door gegevens uit internationaal of nationaal aanvaarde experimenten en berekeningswijzen, dan wel alreeds is aangetoond door middel van gegevens die zijn aanvaard in het kader van vergelijkbare beoordelingsprocedures voor stoffen en preparaten bij de toepassing van daarop betrekking hebbende wettelijke maatregelen.
2. Aan de voorwaarde dat een omzettingsproduct van een gewasbeschermingsmiddel niet ontstaat in een hoeveelheid van 10% of meer van de gebruikte hoeveelheid van het gewasbeschermingsmiddel, is voldaan indien niet op enig tijdstip in een aëroob omzettingsexperiment met de werkzame stof, uitgevoerd volgens de standaardrichtlijn gegeven in het aanvraagformulier, in het onderdeel betreffende bodem of in het onderdeel betreffende oppervlaktewater, het omzettingsproduct ontstaat in een stoffractie van 10% of meer.
3. Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, is voorts voldaan, indien de dosering van het gewasbeschermingsmiddel lager is dan 5 gram werkzame stof per hectare per jaar.
4. De concentratie van het omzettingsproduct wordt bepaald aan de hand van de kolomstudie verouderd residu, uitgevoerd volgens de richtlijnen gegeven in het aanvraagformulier, met toepassing van Bijlage I.
5. Het ontstaan van een concentratie van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten wordt beoordeeld door expert judgement op basis van structuurgegevens van de werkzame stof en het omzettingsproduct en van aanwijzingen uit andere onderzoeksgegevens betreffende de werkzame stof of zijn omzettingsproducten, zoals humane toxiciteitsgegevens.
Paragraaf 2. Persistentie in de bodem
Artikel 3
1. De DT50 van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingssnelheid, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Als DT50 wordt beschouwd de gemiddelde waarde van de naar standaardomstandigheden omgerekende uitkomsten van geschikt bevonden onderzoek; het beoordelen van de geschiktheid van het onderzoek geschiedt met toepassing van Bijlage I. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies een DT50 van 90 dagen of meer wordt vastgesteld, kan, met toepassing van Bijlage II, alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat de DT50 minder dan 90 dagen bedraagt.
2.
Het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingsroute, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Bij de experimenten wordt Bijlage I toegepast.
a. a. Het percentage grondgebonden residu is dat percentage dat gemeten of geïntrapoleerd is na 100 dagen incubatie of het percentage aan het eind van de studie in die gevallen waarbij ten minste 90% van de onderzochte stof is omgezet binnen 100 dagen. b. b. De mineralisatiesnelheid wordt vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid gelabeld CO_2 gemeten na 100 dagen of aan het eind van het experiment bij een kortere incubatieduur. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsproducten bij laboratoriumproeven geen grondgebonden residuen vormen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en geen mineralisatiesnelheid hebben lager dan 5% binnen 100 dagen, kan alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat aan deze voorwaarden is voldaan.
3. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk zijn omzettingsproducten in de bodem ontstaan, twee jaar na de laatste toepassing binnen het perceel, worden berekend met toepassing van Bijlage II.
4. Het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.
5. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten ontstaan, bedoeld in het derde lid, binnen het perceel in de bovenste 20 cm van de bodem is binnen twee jaar na de laatste toepassing kleiner dan het MTR, bedoeld in het vierde lid.
6.
Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:
a. a. de DT50 gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, of b. b. de DT50 tussen 90 en 180 dagen ligt en niet is voldaan aan het vijfde lid.
7. Het zesde lid, onder a, geldt niet indien het toepassingsgebied of de aard van de toepassing er toe zullen leiden dat de stof in geringe mate in de bodem komt en derhalve niet accumuleert.
8. Indien aan het vijfde lid is voldaan, is voldaan aan het vereiste dat de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten.
Paragraaf 3. Uitspoeling naar het grondwater
Artikel 4
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
2. De concentratie van een stof in de bovenste meter van het grondwater wordt berekend met toepassing van Bijlage III.
3. De concentratie van een stof in het grondwater wordt gemeten met toepassing van Bijlage IV.
4. De somconcentratie van een gewasbeschermingsmiddel dat tezamen met andere gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt, wordt berekend door voor elk van de in een gewasbeschermingsmiddel voorkomende werkzame stoffen en hun omzettingsproducten de te verwachten maximale concentratie in het bovenste grondwater te berekenen overeenkomstig het tweede lid. De som van deze maximale concentraties mag 0,5 microgram per liter niet overschrijden.
5. De somconcentratie van een gewasbeschermingsmiddel dat tezamen met andere gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt, wordt gemeten door voor elk van de in een gewasbeschermingsmiddel voorkomende werkzame stoffen en hun omzettingsproducten de concentratie te meten overeenkomstig het derde lid. De som van deze concentraties mag 0,5 microgram per liter niet overschrijden.
6. Met toepassing van Bijlage V kan door studies worden aangetoond dat hydrolyse of biologische omzettingsprocessen plaats vinden onder oxische, suboxische of anoxische omstandigheden in de verzadigde fase. Bij de berekening wordt uitgegaan van een eerste orde kinetiek.
Paragraaf 4. Risico voor waterorganismen
Artikel 5
1. De concentratie van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten in het oppervlaktewater worden berekend overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.
2. De toxiciteit voor vis, Daphnia en algen wordt bepaald overeenkomstig de richtlijnen, genoemd in het aanvraagformulier.
3. De bioconcentratiefactor van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsprodukten worden bepaald volgens de berekeningsmethode voor de bioconcentratie water/vis op basis van de octanol/water verdelingscoëfficiënt, opgenomen in het UBS. Daarbij wordt de biologische afbreekbaarheid van werkzame stoffen bepaald volgens de richtlijn genoemd in het aanvraagformulier.
4. Overschrijding van het MTR van waterorganismen en daarvan afhankelijke organismen, vastgesteld met toepassing van het daaromtrent gestelde door het College, wordt aangemerkt als onaanvaardbaar direct of indirect effect voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien door een adequate risico-evaluatie met toepassing van Bijlage VI aanvullende gegevens worden verstrekt, die aanleiding geven tot het bijstellen van de berekende concentratie, bedoeld in het eerste lid, of tot het bijstellen van de effectconcentratie onder veldomstandigheden.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 6
Het College kan toestaan dat andere rekenmodellen worden gebruikt dan die welke bij of krachtens het Besluit zijn voorgeschreven.
Artikel 7
De Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen wordt ingetrokken.
Artikel 8
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit tot wijziging van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (aanvullende milieucriteria) is geplaatst, met uitzondering van bijlage VI, die terugwerkt tot 1 januari 2000.
2. Op volledige aanvragen om toelating van een gewasbeschermingsmiddel, die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit omtrent zodanige aanvraag, zijn de bepalingen inzake de toelatingseisen voor gewasbeschermingsmiddelen van toepassing, zoals die golden voor de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000.
Bijlage I. behorende bij de regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
In deze bijlage zijn criteria opgenomen t.a.v. laboratoriumstudies naar de omzettingssnelheid en mobiliteit in de bodem (Brouwer, Boesten, Linders en van der Linden, Pesticide Outlook, oktober 1994).
Bijlage II. behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Het te verwachten gehalte van een bestrijdingsmiddel in de bodem wordt berekend in twee, opeenvolgende stappen; de eerste stap wordt altijd uitgevoerd, de tweede is optioneel en afhankelijk van de uitkomst van de voorgaande stap en van de beschikbare gegevens. Na elke stap kan een beslissing worden genomen.
Artikel
Voor alle werkzame stoffen en omzettingsprodukten, die in de bodem in een stoffractie van groter dan of gelijk aan 10% kunnen ontstaan. Wordt op basis van de experimenten naar de omzettingssnelheid en de mobiliteit de DT_50 en de K_om bepaald, evenals hun standaardafwijkingen (zie Bijlage 1 van deze regeling). De gemiddelde DT_50- en K_om-waarden worden gebruikt als invoergegevens voor het model PEARL zoals opgenomen in UBS, dan wel een model met dezelfde aannames ten aanzien van sorptie en omzetting, vergelijkbaar Nederlands scenario en gevalideerd in het relevante uitspoelingstraject. Van belang voor de beoordeling zijn de bodem en klimaatomstandigheden zoals in genoemde publikaties zijn omschreven. Voor de beoordeling worden alle invoergegevens, behalve DT_50 en K_om, constant gehouden, zodat een uniforme beoordeling mogelijk is. De berekening met PEARL geeft het verwachte percentage van de dosering dat 1 jaar na toepassing nog aanwezig is in de bovenste 20 cm van de bodem (op de plaats van toepassing) bij een effectieve belasting van de bodem met 1 kg/ha (1 kg/ha bereikt het bodemoppervlak).
In de hiervoor genoemde publikaties is uitgegaan van een toepassing van het bestrijdingsmiddel in het voorjaar (in het scenario vastgesteld op 25 mei). Voor stoffen die uitsluitend of tevens ook in het najaar worden toegepast, worden berekeningen uitgevoerd met het najaarsscenario. (Het najaarsscenario is gelijk aan het standaardscenario; het toepassingstijdstip van het middel is echter 1 november.) Stoffen met een voorgeschreven toepassing in de periode 1 maart - 31 augustus worden beoordeeld overeenkomstig het voorjaarsscenario (= standaardscenario); stoffen met een voorgeschreven toepassing in de periode 1 september - 28 (29) februari worden beoordeeld overeenkomstig het najaarsscenario. Bij de berekening van de belasting van de bodem wordt gecorrigeerd voor de interceptie door het gewas zoals beschreven in UBS.
De effectieve belasting van de bodem (binnen één seizoen) wordt bepaald volgens formule 1:
waarin:
B_e,ai de effectieve belasting van de bodem (kg ha^-1) met de werkzame stof
F de in de gebruiksvoorschriften aangegeven maximale toepassingsfrequentie (zonder eenheid) (binnen één groeiseizoen) dan wel een in de milieuevaluatie gegeven maximale frequentie.
V het percentage (%) van een enkelvoudige dosering dat als spuit verlies kan worden aangemerkt (bij gebrek aan een gegeven wordt standaard 10% aangehouden)
I de interceptie (%) door het gewas (als percentage van de enkelvoudige dosering); hiervoor wordt de tabel gebruikt die ook in UBS is opgenomen
D_m,ai de maximale enkelvoudige dosering (kg ha -^1) zoals aangegeven in het wettelijk gebruiksvoorschrift.
Het te verwachten gehalte van de werkzame stof in de bovenste 20 cm van de bodem één jaar na de toepassing wordt nu berekend met formule 2:
waarin:
G_p,ai,1 het gehalte (mg kg-1) van de werkzame stof in de bouwvoor (binnen het perceel) één jaar na de toepassing
R%_ai het percentage van de stof aanwezig in de bouwvoor één jaar na de toepassing, zoals berekend met PEARL
L de dikte (m) van de beschouwde laag (standaard: L = 0,2 m)
ρ de droge bulkdichtheid (kg m^-3) van de bodem (standaard ρ= 1400 kg m^-3).
In het geval van een berekening voor omzettingsprodukten (alle omzettingsprodukten die voor 10% (stoffractie) of meer ontstaan) moet ook nog gecorrigeerd worden voor de maximale fractie (vormingspercentage/100) waarin een omzettingsprodukt wordt aangetroffen en de relatieve moleculemassa van het omzettingsprodukt ten opzichte van de actieve stof:
waarin:
B_e,op de belasting van de bodem (kg/ha) met het omzettingsprodukt
f_op de fractie waarin het omzettingsprodukt is aangetoond
M de molaire massa, op = omzettingsprodukt, ai = actief ingrediënt (werkzame stof).
Het te verwachten gehalte van een omzettingsprodukt in de bovenste 20 cm van de bodem één jaar na de toepassing wordt nu berekend met formule 4:
waarin:
G_p,op,1 het gehalte (mg kg-1) van het omzettingsprodukt in de bouwvoor (binnen het perceel) één jaar na de toepassing
R%_op het percentage van het omzettingsprodukt aanwezig in de bouwvoor één jaar na de toepassing, zoals berekend met PEARL.
Bestrijdingsmiddelen en/of hun metabolieten kunnen mogelijk in de bodem accumuleren als er sprake is van herhaalde toepassing van een middel. Onder ‘herhaald’ moet hier worden verstaan dat het middel in verschillende groeiseizoenen op hetzelfde perceel wordt gebruikt; met bespuitingen binnen één groeiseizoen wordt al rekening gehouden middels de frequentie (formule l). De hoeveelheid van een stof in de bouwvoor één jaar na de laatste toepassing wordt benaderd door:
waarin:
X_n de fractie van de jaarlijkse belasting van de bodem die één jaar na de laatste toepassing nog aanwezig is in de bouwvoor
f_r de fractie die één jaar na de eerste (jaarlijkse) belasting van de bodem aanwezig zou zijn (= R% / 100)
n het aantal toepassingen.
Voor de berekening van het (totale) gehalte in de bouwvoor is onder andere het gehalte aan extraheerbare residuen van belang dat zich twee jaar na de laatste toepassing in de bouwvoor bevindt. Hierbij wordt rekening gehouden met 10 jaarlijkse toepassingen. Het gehalte in de bouwvoor voor een afzonderlijke stof wordt berekend met:
waarin:
G_p,10 het gehalte van een enkele stof (werkzame stof dan wel omzettingsprodukt) in de bouwvoor twee jaar na de laatste (tiende) toepassing binnen het behandelde perceel
B_e de effectieve jaarlijkse belasting van de bodem met een stof (zie formules 1 en 3)
X_10 de fractie van de jaarlijkse effectieve belasting resterend in de bouwvoor één jaar na de laatste (tiende) toepassing.
Bij de berekening van het totale gehalte aan bestrijdingsmiddelresiduen twee jaar na de tiende toepassing wordt over de G_p,10 van de werkzame stof en alle omzettingsprodukten gesommeerd.
Bij de toetsing aan het MTR kan tevens rekening worden gehouden met het jaarlijks vrijkomen van 5% van het totaal aanwezige grondgebonden residu. Een eenduidige standaard berekening is hiervoor vooralsnog niet beschikbaar. Derhalve zal voor individuele bestrijdingsmiddelen, indien mogelijk, bij de berekening van de concentratie die wordt getoetst aan het MTR rekening worden gehouden met het jaarlijks vrijkomen van 5% van het totaal aanwezige grondgebonden residu.
Op grond van specifieke gegevens met betrekking tot de toepassing van het bestrijdingsmiddel kunnen aanvullende berekeningen worden uitgevoerd die een nader inzicht geven met betrekking tot de risico-evaluatie.
Artikel
In stap 1 is het te verwachten gehalte in de bodem berekend op basis van een standaardscenario en laboratoriumgegevens over omzetting en sorptie, eventueel aangevuld met berekeningen op grond van specifieke gegevens. Het is mogelijk dat in de praktijksituatie meer processen bijdragen aan de verdwijning van stoffen of dat de kinetiek van processen anders is (andere constanten) dan in het standaardscenario wordt aangenomen. Om een nadere beoordeling mogelijk te maken is het nodig dat veldexperimenten of (veld)lysimeterexperimenten worden uitgevoerd. Deze experimenten dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen zoals genoemd in de toelichting bij het aanvraagformulier.
Essentieel is hier dat alle locatie-specifieke omstandigheden worden gemeten en dat de DT_50 en de K_om voor de te onderzoeken stoffen voor de te onderzoeken grondsoorten in het laboratorium worden bepaald. De interpretatie van veldexperimenten dient een vertaling naar de standaardbeoordelingssituatie te omvatten.
Op grond van bovenstaande wordt getoetst of onder relevante veldomstandigheden voldaan is aan het vereiste zoals gesteld in artikel 5 lid 3.b van het besluit.
Bijlage III. behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Artikel
De te verwachten concentratie van een bestrijdingsmiddel in het bovenste grondwater wordt berekend in twee, opeenvolgende stappen; de eerste stap wordt altijd uitgevoerd, de tweede is optioneel en afhankelijk van de uitkomst in de voorgaande stap en van de beschikbare gegevens. Na elke stap kan een beslissing worden genomen.
Artikel
Zoals uit de toelichting bij het aanvraagformulier blijkt, zijn voor een werkzame stof tenminste 3 betrouwbare gegevens nodig over de omzettingssnelheid van de stof onder standaard condities (zie bijlage I van de regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen) en tenminste 3 betrouwbare gegevens over sorptie van de stof aan de vaste fase van de bodem (indien mogelijk genormaliseerd op organische stof). Daarnaast dient in tenminste één grond de vorming van omzettingsprodukten, gebonden residu en CO_2 te worden vastgesteld. In het navolgende wordt met DT_50 gerefereerd aan de omzettingssnelheid en met K_om aan de genormaliseerde sorptieconstante. De geleverde gegevens worden gecheckt op betrouwbaarheid voor de Nederlandse situatie (zie bijlage I van de regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen). Uit de betrouwbare gegevens worden gemiddelde waarden en standaardafwijkingen berekend. Voor omzettingsprodukten, die in een stoffractie van 10% of meer ontstaan, zijn dezelfde gegevens noodzakelijk.
Voor stoffen waarvoor het niet mogelijk is de sorptie te normaliseren op basis van organische stof, wordt de gemiddelde vastvloeistof-verdelings-constante K_S/L geconverteerd naar een schijnbare K_om, zodanig dat de berekende sorptie gelijk is aan de gemeten sorptie. Voor geladen stoffen en ioniseerbare stoffen (stoffen met een pKa (zuurconstante) tussen 2 en 6 worden 3 K_om-waarden verlangd, gemeten aan gronden met een pH tussen 7 en 8.
De gemiddelde DT_50 en K_om worden gebruikt als invoergegevens voor het model PEARL zoals opgenomen in UBS, dan wel een model met dezelfde aannames t.a.v. sorptie en omzetting, vergelijkbaar Nederlands scenario en gevalideerd in het relevante uitspoelingstraject. Van belang voor de beoordeling zijn de bodem en klimaatomstandigheden zoals in genoemde publicaties zijn omschreven. Voor de beoordeling worden alle invoergegevens, behalve DT_50 en K_om, constant gehouden, zodat een uniforme beoordeling mogelijk is. In de genoemde publikaties wordt voor bestrijdingsmiddelen met een DT_50 tussen 0 en 200 dagen en een K_om tussen 0 en 200 dm^3/kg de verwachte concentratie in het bovenste grondwater gegeven bij een effectieve belasting van de bodem met 1 kg/ha (1 kg/ha bereikt het bodemoppervlak).
In de hiervoor genoemde publikaties is uitgegaan van een toepassing van het bestrijdingsmiddel in het voorjaar (in het scenario vastgesteld op 25 mei). Voor stoffen die uitsluitend of tevens ook in het najaar worden toegepast, zijn overeenkomstige resultaten beschikbaar (scenario met startdatum 1 november). Stoffen met een voorgeschreven toepassing in de periode 1 maart - 31 augustus worden beoordeeld overeenkomstig het voorjaarsscenario; stoffen met een voorgeschreven toepassing in de periode 1 september - 28 (29) februari worden beoordeeld overeenkomstig het najaarsscenario. Bij de berekening van de belasting van de bodem wordt gecorrigeerd voor de interceptie door het gewas zoals beschreven in UBS.
De te verwachten concentratie in het bovenste grondwater wordt nu berekend door de door het model PEARL (na extra- of interpolatie) gegeven concentratie te corrigeren voor de effectieve belasting van de bodem. De effectieve belasting wordt gegeven door:
B_e,ai = f * ((100 - V - I) / 100) * D_m,ai
waarin:
B_e,ai = de effectieve belasting van de bodem (kg/ha) met de werkzame stof; dit is tevens de te gebruiken vermenigvuldigheidsfactor voor de werkzame stof
f = de in de gebruiksvoorschriften aangegeven maximale toepassingsfrekwentie (waarbij f = 15 als absoluut maximum wordt gebruikt)
V = het percentage van een enkelvoudige dosering die als spuitverlies kan worden aangemerkt (bij gebrek aan een gegeven wordt standaard 10% aangehouden)
I = de interceptie door het gewas (als percentage van de enkelvoudige dosering); hiervoor wordt de tabel gebruikt die in UBS is opgenomen.
D_m,ai = de maximale enkelvoudige dosering zoals aangegeven in het wettelijk gebruiksvoorschrift.
De berekende effectieve belasting is tevens de te gebruiken vermenigvuldigingsfactor voor de omrekening van de PEARL berekeningsresultaten voor een effectieve belasting met 1 kg/ha.
In het geval van een berekening voor omzettingsprodukten (alle omzettingsprodukten die voor 10% (stoffractie) of meer ontstaan) moet ook nog gecorrigeerd worden voor de maximale fractie (vormingspercentage/100) waarin een omzettingsprodukt wordt aangetroffen en de relatieve molecuulmassa van het omzettingsprodukt ten opzichte van de werkzame stof:
B_e,op = f_op * (M_op / M_ai) * B_e,ai
waarin:
B_e,op = de belasting van de bodem (kg/ha) met het omzettingsprodukt; dit is tevens de te gebruiken vermenigvuldigingsfactor voor het omzettingsprodukt
f_op = de fractie waarin het omzettingsprodukt is aangetoond
M = de molaire massa; op = omzettingsprodukt, ai = actief ingrediënt (werkzame stof).
Als de verwachte concentratie voor elke te beoordelen stof kleiner is dan 0,001 mg/m^3 is het risico voor uitspoeling naar het grondwater gering en is verder onderzoek hiernaar niet noodzakelijk. Als de verwachte concentratie groter is dan of gelijk aan 0,001 mg/m^3 kunnen op grond van specifieke gegevens nadere berekeningen worden uitgevoerd die kunnen resulteren in concentraties die lager zijn dan deze waarde. Indien de verwachte concentratie alsnog groter is dan of gelijk aan 0,001 mg/m^3 is verder onderzoek noodzakelijk (0,001 tot 1 mg/m^3) dan wel leverbaar (> 1 mg/m^3) zoals) weergegeven in stap 2.
Artikel
In stap 1 is de te verwachten concentratie in het bovenste grondwater berekend op basis van een standaardscenario en laboratoriumgegevens over omzetting en sorptie, eventueel aangevuld met berekeningen o.g.v. specifieke gegevens. Het is mogelijk dat in de praktijksituatie meer processen bijdragen aan de verdwijning van stoffen of dat de kinetiek van processen anders is (andere constanten) dan in het standaardscenario wordt aangenomen. Om een nadere beoordeling mogelijk te maken is het nodig dat veld- of lysimeterexperimenten worden uitgevoerd. Deze experimenten dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen zoals genoemd in de toelichting bij het aanvraagformulier onder G. Essentieel is hier dat alle locatie-specifieke omstandigheden worden gemeten en dat de DT_50 en K_om voor de te onderzoeken stoffen voor de te onderzoeken grondsoorten in het laboratorium worden bepaald. De interpretatie van veld- of lysimeterexperimenten dient een vertaling naar de standaardbeoordelingssituatie te omvatten.
Als de verwachte concentratie op grond van bovenstaande groter is dan of gelijk aan 0,1 mg/m³ voor elke te beoordelen stof dan wordt niet voldaan aan het vereiste zoals gesteld in artikel 6 lid 1.a van het besluit.
Bijlage IV. behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Artikel
In het onderstaande worden eerst de criteria gegeven waaraan studies naar het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in het grondwater (monitoring studies) dienen te voldoen. Vervolgens wordt aangegeven hoe de concentratie wordt gemeten en vastgesteld. Tenslotte volgt een richtlijn voor de interpretatie van de metingen. Monitoring van grondwater op grotere diepte (meer dan 5 meter beneden het aardoppervlak) is niet eenvoudig. Hier wordt bij de beoordeling rekening mee gehouden.
Bijlage V. behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Als uit de evaluatie van het gedrag van een bestrijdingsmiddel (zie artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, van deze regeling) blijkt dat een daarin aanwezige werkzame stof of omzettingsprodukten in het bovenste grondwater terecht kan komen in concentraties boven de gestelde grenswaarde van 0,1 mg/m³ dan kan een middel worden toegelaten als uit onderzoek in de verzadigde ondergrond blijkt dat deze voldoende wordt omgezet in de bodemlaag tot op een diepte van 10 m beneden maaiveld. Hieronder is aangegeven hoe wordt bepaald of er voldoende omzetting heeft plaatsgevonden. Dit moet worden vastgesteld voor elke werkzame stof en elk van zijn omzettingsprodukten, tenzij deze is uitgezonderd overeenkomstig artikel 2 van deze regeling.
Bijlage VI. behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Artikel 1
De adequate risico-evaluatie kan aanvullende gegevens verschaffen over:
1). 1). de lotgevallen van een stof in het aquatisch milieu (inclusief waterbodem/sediment), die kunnen leiden tot een bijstelling van de berekende blootstellingsconcentratie, en 2). 2). de gevoeligheid van soorten al dan niet onder veldomstandigheden, die kunnen leiden tot een bijstelling van de effectconcentratie zowel voor de kortdurende als voor de langdurende blootstelling.
Artikel 2
Geschikte criteria voor een adequate risico-evaluatie zijn: beschikbare kennis over:
-
- eigenschappen van de werkzame stof en het formuleringsprodukt,
-
- temporele en ruimtelijke schaal van toepassing van het middel,
-
- beschikbare toxiciteitsgegevens voor verondersteld gevoelige aquatische soorten en
-
- samenstelling en eigenschappen van de blootgestelde ecosystemen.
Artikel 3
Richtlijnen voor de uitvoering van een adequate risico-evaluatie:
-
- Aanvullend onderzoek om de lotgevallen van de werkzame stof(fen) in representatieve aquatische (model)ecosystemen (inclusief waterbodem/sediment) vast te stellen, conform de voor het middel beschreven toepassing waarvoor de toelating wordt aangevraagd. Dit kan leiden tot een bijstelling van de berekende blootstellingsconcentratie.
-
- Aanvullend laboratoriumonderzoek naar dosis-effect relaties van voor de werkzame stof veronderstelde gevoelige aquatische soorten. Deze extra informatie kan leiden tot het bijstellen van het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR).
-
- Aanvullend onderzoek om de gevoeligheid van natuurlijke populaties van soorten in aquatische (model)ecosystemen te bepalen. De ervaring met insekticiden en herbiciden is dat de directe toxische effecten voor overeenkomstige soorten niet wezenlijk verschillen tussen laboratorium en veld. De standaard toetsorganismen voor toxiciteitsexperimenten in het laboratorium (alg, Daphnia, vis) zijn echter niet altijd representatief voor de gevoeligheid van andere taxa en indicatief voor het risico voor andere typen bestrijdingsmiddelen. Meer uitgebreide laboratoriumstudies of veldstudies kunnen gegevens opleveren over een breder scala aan soorten (ook voor soorten die moeilijk in het laboratorium te kweken zijn), en over de snelheid van herstel bij een gedeeltelijke reductie van dichtheden. Een tijdelijke overschrijding van het MTR in de orde van enkele uren of dagen behoeft bij een partieel effect voor de lange termijn geen ernstige gevolgen te hebben voor populaties van soorten zoals kreeftachtigen en algen.
-
- Aanvullend onderzoek naar de bioconcentratiefactor van de werkzame stof in vis en in vertebraten representatief voor predatoren die afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen.
Artikel 4
Randvoorwaarden voor de uitvoering van een adequate risico-evaluatie:
-
- De risicobeoordeling is afgestemd op de in Nederland geldende agro- en milieufactoren, en
-
- indien de (verminderde) biologische beschikbaarheid onderdeel uitmaakt van de risico-evaluatie, zijn de ‘paden en lotgevallen’ van het aan deze beschikbaarheid onttrokken gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten aangegeven.