rijk/ministeriele-regeling/regeling-vangstbeperking/BWBR0006379/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

19 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling vangstbeperking BWBR0006379 ministeriele-regeling geldend 2004-12-29 https://wetten.overheid.nl/BWBR0006379 Regeling vangstbeperking

Regeling vangstbeperking

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; b. b. deelgebied, sector of deelsector: zeegebied als omschreven in bijlage 1 bij deze regeling; c. c. boomkor: vistuig dat bestaat uit één net dat is bevestigd aan en in horizontale richting wordt opgehouden door een constructie bestaande uit een boom die ten minste aan elk der uiteinden voorzien is van een slede of een slof, dan wel een soortgelijke constructie waarmee een net in horizontale richting wordt opengehouden; d. d. motorvermogen: motorvermogen dat is vermeld op de visvergunning, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Regeling visvergunning; e. e. visserijzone: zone als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963; f. f.

      verordening nr. 850/98: Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van de Europese Unie van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (Pb EG L 125);

g. g. verordening inzake vangstmogelijkheden: Verordening van 19 december 2008 van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften.

2. Voor de toepassing van deze regeling vindt het aanlanden van vis plaats op het tijdstip waarop het vissersvaartuig direct of indirect verbinding met de wal heeft gekregen.

Artikel 2

1. Het is verboden met een vissersvaartuig de visserij uit te oefenen op de vissoorten genoemd in de bijlagen 2, 3 en 4 in de bij die vissoorten genoemde wateren.

2.

Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft de vangst door:

a. a. de gezamenlijke Nederlandse vissers van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 3; b. b. de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 4, en c. c. vissersvaartuigen die de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, in de gebieden vermeld in bijlage 2, 3 en 4, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 14 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.

3. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken dan wel de in bijlage 3 en 4 genoemde hoeveelheden wijzigen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.

4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid bedoelde hoeveelheden zijn opgevist. Dit tijdstip kan per vissoort verschillen.

5. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de naleving van reeds ingetrokken vrijstellingen als bedoeld in dit artikel en in artikel 3.

6. De minister kan ontheffing van het in het eerste lid en het in artikel 3, eerste lid, gestelde verbod verlenen voor zover het gaat om vangsten voor wetenschappelijk onderzoek op grond van artikel 43 van verordening nr. 850/98.

7. De minister kan de vrijstelling als bedoeld in het tweede lid voor een bepaalde periode intrekken voor de vangst van kabeljauw in de gebieden, bedoeld in de onderdelen 5a.1 en 5d.1 van bijlage III van de verordening inzake vangstmogelijkheden, voor de aldaar bedoelde vaartuigen, indien hij dat noodzakelijk acht ter nakoming van het bepaalde in de onderdelen 5a.3 en 5d.3 van die bijlage.

Artikel 2a

1. De door de gezamenlijke Nederlandse vissers aangevoerde hoeveelheden vis worden in mindering gebracht op het desbetreffende quotum, respectievelijk het desbetreffende Gemeenschapsaandeel, bedoeld in bijlage 3, respectievelijk bijlage 4, van deze regeling, met uitzondering van de vangsten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening inzake vangstmogelijkheden.

2.

Indien een Nederlandse visser op één dag meerdere malen een hoeveelheid van 50 kg of minder van dezelfde vissoort aanvoert, wordt de totale hoeveelheid die de visser op die dag van die vissoort aanvoert in mindering gebracht op:

a. a. het quotum voor de desbetreffende vissoort, bedoeld in bijlage 3, bij deze regeling, en in voorkomend geval op zijn contingent, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Regeling contingentering zeevis, of b. b. het desbetreffende Gemeenschapsaandeel, bedoeld bijlage 4, bij deze regeling, c. c. tenzij die totale hoeveelheid 50 kg of minder bedraagt.

Artikel 2b

1.

De minister kan een deel van de vangstmogelijkheden die voor een kalenderjaar ingevolge artikel 20, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (Pb EG L 358) op de vissoorten en de gebieden, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij de Regeling contingentering zeevis, aan Nederland zijn toegewezen, reserveren ten behoeve van:

a. a. het ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening; b. b. verlagingen van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening, in de artikelen 21, vierde lid, 23, eerste lid, en 32, tweede lid van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261) en in artikel 5 van verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TACs en quota PbEG L 115), en c. c. toewijzing aan een ondernemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling contingentering zeevis, respectievelijk aan een groep dan wel producentenorganisatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van die regeling, waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer of met de vissersvaartuigen van de ondernemers die bij de desbetreffende groep dan wel producentenorganisatie zijn aangesloten in een nader te bepalen periode de visserij is uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van de Regeling visvergunning, de artikelen 2 tot en met 4 en 10 tot met 10b van de Regeling technische maatregelen 2000 of met de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling contingentering zeevis.

2. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, na aftrek van de geruilde hoeveelheden en de verlagingen, uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend.

3. Het deel van de vangstmogelijkheden dat wordt gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 10% van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden op de vissoorten in de gebieden, bedoeld in bijlage 3 bij deze regeling.

4. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt aan ondernemers of groepen als bedoeld in dat onderdeel uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de verlening van die vrijstelling.

Artikel 3

1. Het is verboden met andere vaartuigen dan vissersvaartuigen de visserij met trawlnetten, staande netten, Deense zegennetten of soortgelijke netten uit te oefenen op de vissoorten genoemd in de bijlagen 2, 3 en 4 in de bij die vissoorten genoemde wateren alsmede dergelijke netten aan boord te hebben van een ander vaartuig dan een vissersvaartuig.

2. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan staande netten aan boord te hebben in het zeegebied en de kustwateren bedoeld in artikel 1, onderdelen b en c, van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren.

3. Het is verboden één of meer boomkorren aan boord te hebben van een vissersvaartuig waarmee ingevolge de Regeling contingentering zeevis geen tong of schol in het vangstgebied mag worden opgevist, aan boord gehouden dan wel aangeland.

4. Het derde lid is niet van toepassing op de visserij met een vissersvaartuig waarvoor een vergunning voor de garnalenvisserij als bedoeld in artikel 11 van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren is verleend en evenmin op de visserij met een vissersvaartuig waarmee de spieringvisserij bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling technische maatregelen 2000 wordt uitgeoefend.

5.

De minister kan aan een scheepswerf ontheffing van het in het eerste lid gestelde verbod verlenen, voor zover het betreft de uitoefening van de visserij door een vaartuig:

a. a. dat in aanbouw is op die scheepswerf en nog niet is afgeleverd en niet is geregistreerd overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 en b. b. waarmee in het kader van een proefvaart de visserij wordt uitgeoefend om de werking van bij dat vaartuig behorende trawlnetten, Deense zegennetten of soortgelijke netten alsmede staande netten te beproeven.

Artikel 4

Het is verboden vis van de soorten die zijn aangewezen krachtens artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963 te verhandelen indien de vis niet is gevangen met een vissersvaartuig.

Artikel 4a

Vervallen

Artikel 5

1.

Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261) vastgestelde datum, is het verboden:

a. a. in de visserijzone met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt; b. b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig; c. c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.

2.

Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:

a. a. in de visserijzone, met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in, een andere lid-staat van de Europese Unie dan Nederland de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt; b. b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig; c. c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.

3.

Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 28 quinquis van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:

a. a. in de visserijzone, met een vissersvaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt, tenzij is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 18 van de verordening inzake vangstmogelijkheden; b. b. vis van de soorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vissersvaartuig of over te laden; c. c. vis van deze soorten met dat vissersvaartuig in Nederland aan te voeren.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

1. Het is verboden diepgevroren vis in verpakkingen aan te landen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor het aanlanden van diepgevroren vis in verpakkingen, indien op de verpakking de in de verpakking aanwezige vis per vissoort is vermeld volgens de codes bedoeld in artikel 1, vierde lid, van verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de Lid-Staten (PbEG L 276).

Artikel 11

1. Vis, behorende tot de soorten, genoemd in de bijlagen 2, 3 en 4 en gevangen in de bij die vissoorten genoemde deelgebieden en sectoren moet onmiddellijk na het ophalen van het net in zee worden teruggezet.

2. De in het eerste lid bedoelde vis mag niet worden aangevoerd.

3. Van het bepaalde in het eerste lid en het tweede lid wordt vrijstelling verleend ten aanzien van vis, welke met inachtneming van de artikelen 2, 3, en 12, vierde lid, is gevangen.

Artikel 12

1.

In afwijking van artikel 11, eerste en tweede lid, mogen vangsten van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde soorten aan boord worden gehouden of worden aangevoerd indien:

a. a. wat betreft andere soorten dan haring en makreel, de vangsten uit verschillende soorten bestaan en overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 850/98 met netten met een maaswijdte van minder dan 32 mm zijn gedaan en noch aan boord, noch bij aanvoer zijn gesorteerd, en zijn gevangen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Regeling technische maatregelen 2000; b. b. wat betreft haring die is gevangen in de ICES-deelgebieden III en IV, onverminderd het derde lid, de vangsten voldoen aan artikel 2, van verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1998 tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie (Pb EG L 191), en zijn gevangen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Regeling technische maatregelen 2000; c. c. wat betreft gemengde vangsten van makreel met horsmakreel of sardines, het aandeel makreel in die vangsten niet meer bedraagt dan 10% van het totale gewicht aan makreel, horsmakreel en sardines aan boord, en de vangsten niet gesorteerd zijn. Het aandeel makreel wordt bepaald overeenkomstig artikel 9, vierde lid, van de verordening inzake vangstmogelijkheden.

2.

De vangst van:

a. a. heek mag slechts dan aan boord worden gehouden of worden aangevoerd als de hoeveelheid heek aan boord niet meer bedraagt dan 5% van het gewicht van de totale vangst aan boord; b. b. schelvis mag slechts dan aan boord worden gehouden of worden aangevoerd als de hoeveelheid schelvis aan boord niet meer bedraagt dan 50% van het gewicht van de totale vangst aan boord.

3. Het is verboden met een vissersvaartuig ongesorteerde vangsten van vis gevangen in de ICES-deelgebieden II (EG-wateren), III, en IV en de ICES-sector VIId aan te landen.

4. Het is verboden kabeljauw aan boord te houden of aan te landen indien die is vermengd met andere mariene organismen.

5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is artikel 2, eerste lid, van de in dat onderdeel bedoelde verordening niet van toepassing op haring die is gevangen in ICES-deelgebied IV, de ICES-sectoren IIIa en VIId en ICES-sector IIa (EG-wateren).

Artikel 13

1. Het is verboden met een vissersvaartuig haring of makreel aan te landen.

2.

Van het in het eerste lid bedoelde verbod wordt vrijstelling verleend indien:

a. a. de haring, onderscheidenlijk de makreel, met het aanlandende vissersvaartuig is gevangen met inachtneming van de Regeling contingentering zeevis; b. b. de aangelande haring onderscheidenlijk de aangelande makreel van een met naam en registratienummer genoemd schip of vissersvaartuig werd overgeladen, en het overladen van de aangelande haring overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 is gemeld, met vermelding van het vangstgebied en de plaats van overladen, dan wel c. c. de haring onderscheidenlijk de makreel in een buitenlandse haven aan boord is genomen van het aanlandende vissersvaartuig.

Artikel 14

1. Het is verboden haring over te laden zonder voorafgaande melding overeenkomstig het tweede lid.

2.

De melding, bedoeld in het eerste lid, dient:

a. a. plaats te vinden door verzending van een faxbericht door de kapitein, de eigenaar of diens gemachtigde aan de meldkamer van de Algemene Inspectiedienst te Kerkrade (045-5461011), waarin ten minste is aangegeven:

        1º
        de plaats van overladen;
      
      
        2º
        de datum en het tijdstip van overladen;
      
      
        3º
        de datum en het tijdstip van het doen van de melding;
      
      
        4º
        de naam en het registratienummer van het schip of vissersvaartuig waarvan wordt overgeladen;
      
      
        5º
        de naam en het registratienummer van het schip of vissersvaartuig waarop wordt overgeladen;
      
      
        6º
        de naam van de ondernemer en van de kapitein van het schip of vissersvaartuig waarvan wordt overgeladen;
      
      
        7º
        de naam van de ondernemer en van de kapitein van het schip of vissersvaartuig waarop wordt overgeladen;
      
      
        8º
        de haven waarin de overgeladen haring wordt aangeland;

1º 1º de plaats van overladen; 2º 2º de datum en het tijdstip van overladen; 3º 3º de datum en het tijdstip van het doen van de melding; 4º 4º de naam en het registratienummer van het schip of vissersvaartuig waarvan wordt overgeladen; 5º 5º de naam en het registratienummer van het schip of vissersvaartuig waarop wordt overgeladen; 6º 6º de naam van de ondernemer en van de kapitein van het schip of vissersvaartuig waarvan wordt overgeladen; 7º 7º de naam van de ondernemer en van de kapitein van het schip of vissersvaartuig waarop wordt overgeladen; 8º 8º de haven waarin de overgeladen haring wordt aangeland; b. b. tenminste 24 uur voor het tijdstip van overlading plaats te vinden.

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

1. De Beschikking regeling vangstbeperking wordt ingetrokken.

2. De Beschikking regeling vangstbeperking blijft evenwel van toepassing op verzoeken als bedoeld in de artikelen 7, 8, 8a, 8b, 10 en 11.

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 18

Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling vangstbeperking.

Bijlage 1

Bijlage 2

Bijlage 3

Bijlage 4

Bijlage 5

Vervallen