40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
24 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Veerponten | BWBR0004943 | ministeriele-regeling | geldend | 1991-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0004943 | Regeling Veerponten |
Regeling Veerponten
Artikel 1
1. De begripsbepalingen van het Binnenschepenbesluit zijn van toepassing.
2.
In deze regeling wordt onder een veerpont verstaan:
a. a. een passagiersschip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen als ook van voertuigen op twee wielen, dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, over de binnenwateren van de zones 3 of 4; b. b. een passagiersschip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen als ook van voertuigen op meer dan twee wielen, dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, over de binnenwateren van:
i.
de zone 2 met uitzondering van de
Dollard,
Eems,
Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee,
Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuws-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds;
ii.
de zones 3 of 4.
i. i. de zone 2 met uitzondering van de
Dollard,
Eems,
Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee,
Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuws-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds;
- Dollard,
- Eems,
- Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee,
- Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuws-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds; ii. ii. de zones 3 of 4.
3. In deze regeling wordt onder een niet-vrijvarende veerpont verstaan: een veerpont die tijdens de vaart niet volkomen vrij zijn vaarweg kan kiezen, doch door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden.
Artikel 2
Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling zijn onderstaande regelen van bijlage III van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op veerponten:
artikel 2.01,
artikel 4.01, tweede tot en met vierde lid,
artikel 4.02, eerste en tweede lid,
artikel 4.04, echter uitsluitend voor niet-vrijvarende veerponten,
artikel 4.05,
artikel 5.01,
artikel 5.02,
artikel 5.03,
artikel 6.01, eerste lid,
artikel 7.05,
artikel 8.01, tweede lid, eerste zin,
artikel 8.04, echter uitsluitend voor veerponten in de zones 3 of 4,
artikel 9.08, echter uitsluitend voor veerponten in de zone 4,
artikel 9.09,
artikel 10.05.
Artikel 3
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.02, derde en vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit en met inachtneming van het bepaalde in deze regeling, zijn onderstaande regelen van bijlage II van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op veerponten:
artikel 3.01 tot en met 3.14, echter uitsluitend voor niet-vrijvarende veerponten,
artikel 5.04, tweede lid, derde zin,
artikel 7.02, eerste lid, onder d, e, f, en k voor veerponten waarvan de voortstuwingsmotor buiten staat opgesteld.
Artikel 4
1. Voor veerponten moet het drijfvermogen in geval van lek worden voor alle voorziene beladingstoestanden worden aangetoond overeenkomstig artikel 2.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit.
2. De regel van het eerste lid, is niet van toepassing op veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengte Lwl van minder dan 15 m in de zone 3 en met een lengte Lwl van minder dan 25 m in de zone 4.
3. De in artikel 2.02, vierde en vijfde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit voorgeschreven kleinste lengten van waterdichte afdelingen zijn niet van toepassing op veerponten waarvan de lengte Lwl minder dan 25 m bedraagt.
4. Veerponten die niet zijn voorzien van een vast dek, moeten in de zijden van luchtkasten zijn voorzien, zodanig dat bij lek worden het reserve drijfvermogen een gelijkwaardige veiligheid biedt.
Artikel 5
1. Aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit wordt geacht te zijn voldaan, wanneer daaruit blijkt dat de slagzij van het schip in de beladingstoestanden als bedoeld in artikel 6 en onder gelijktijdige invloed van de in artikel 7 bedoelde kenterende momenten niet meer dan 12 bedraagt.
2. De gelijktijdig door de dwarsscheepse verplaatsing van personen en door de belading met voertuigen veroorzaakte slagzij mag daarbij niet meer dan 10 bedragen.
3. Bij de in het eerste lid bedoelde slagzij moeten een resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 10 aanwezig zijn.
4. Voor veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengt Lwl van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit in plaats van door het rekenkundig bewijs worden aangetoond door een stabiliteitsproef als bedoeld in artikel 4.01 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit.
5. De in artikel 4.01, vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit bedoelde criteria voor het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand zijn van toepassing op veerponten in de zones 3 en 4. Bij veerponten in de zone 2 mogen het daar bedoelde resterend vrijboord en de daar bedoelde resterende veiligheidsafstand niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 Bwl + 0,25 m en 0,05 Bwl + 0,15 m.
Artikel 6
1. Er moet worden gerekend met de volledige uitrusting, alle bemanningsleden en het ten hoogste toegestane aantal passagiers. De brandstof- en drinkwatertanks moeten half gevuld worden aangenomen.
2. Bij veerponten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, sub b, moet het voor de in artikel 5, eerste lid, bedoelde berekening aan te nemen gewicht van voertuigen en hun lading worden bepaald door het in artikel 12, tweede lid, genoemde laadvermogen te verminderen met het gewicht van de volledige uitrusting, alle bemanningsleden, het ten hoogste toegestane aantal passagiers en de maximale inhoud van brandstof- en drinkwatertanks.
3. Het gewicht van de voertuigen en hun lading moet over de veerpont verdeeld worden gerekend in evenredigheid met de beschikbare dekruimte en overeenkomstig de aard van de daarop toe te laten voertuigen.
4. Wanneer een veerpont beschikt over twee of meer opstelstroken, moet eveneens worden gerekend met een gewicht van voertuigen en hun lading en een verdeling daarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.
5. Voor de hoogte van het zwaartepunt van voertuigen en hun lading moet boven het rijdek worden gerekend met 0,80 m voor personenauto's en met 2,00 m voor vrachtauto's, autobussen en dergelijke.
6. Voor de in het derde en het vierde lid bedoelde beladingstoestanden moet een trimberekening worden gemaakt voor de ongunstigste toestand waarbij het zwaarste op de veerpont toegestane voertuig zich tijdens het op- en afrijden op het einde van de rijbaan of op de laadklep bevindt.
Artikel 7
1.
Voor veerponten moet worden gerekend met de gelijktijdige invloed van de kenterende momenten ten gevolge van:
a. a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal personen als bedoeld in artikel 8; b. b. een winddruk als bedoeld in artikel 4.03 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit; c. c. een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven, als bedoeld in artikel 4.04 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit; d. d. een belading met voertuigen als bedoeld in artikel 9.
2. Voor niet-vrijvarende veerponten behoeft niet te worden gerekend met een kenterend moment ten gevolge van een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven.
Artikel 8
1. Het uitgangspunt voor de berekening is de ligging van het totale zwaartepunt der passagiers op hart schip.
2. Voor de berekening van het moment wordt een verplaatsing van alle passagiers vanuit hart schip naar die zijde van het schip aangenomen, waarbij de arm van het moment het grootst is. Daarbij moet worden gerekend met een dichtheid van 3,75 personen per m² vrij dekoppervlak. Voor de bezetting van zitbanken moet per passagier met een breedte van 0,50 m en een zitdiepte van 0,75 m worden gerekend.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, moet bij veerponten met twee of meer opstelstroken, indien dit aanleiding geeft tot ongunstiger resultaat, het verplaatsen van personen worden gerekend naar dezelfde scheepszijde als het plaatsen van de voertuigen zoals genoemd in artikel 9.
Artikel 9
Wanneer een veerpont als bedoeld in artikel 1, tweede lid, sub b, beschikt over twee of meer opstelstroken, moet voor de stabiliteit een percentage van het maximaal toegestane gewicht van voertuigen en hun lading asymmetrisch opgesteld in rekening worden gebracht afhankelijk van het aantal opstelstroken. Dit percentage bedraagt:
a. a. bij twee opstelstroken: 50%, te rekenen op één der opstelstroken; b. b. bij drie opstelstroken: 67%, gelijk verdeeld te rekenen over twee naast elkaar gelegen opstelstroken; c. c. bij vier opstelstroken: 75%, gelijk verdeeld te rekenen over drie naast elkaar gelegen opstelstroken. Bij meer dan vier opstelstroken bepaalt het hoofd van de scheepvaartinspectie het in rekening te brengen percentage.
Artikel 10
1. Bij ligging van de veerpont veroorzaakt door de in artikel 7 genoemde kenterende momenten moeten een resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand aanwezig zijn volgens de regelen van het tweede en derde lid.
2. Bij veerponten waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid waterdicht en voldoende sterk zijn en alle openingen in de scheepshuid tegen elk ongewenst binnendringen van water zijn beveiligd, moet het resterende vrijboord tenminste 0,20 m bedragen. Voor de getrimde toestand als bedoeld in artikel 6, zesde lid, mag het resterend vrijboord aan het uiteinde van de veerpont zijn verminderd tot 0,10 m.
3. Bij veerponten waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid kunnen worden geopend of waarbij onbeveiligde openingen in de scheepshuid aanwezig zijn, moet de resterende veiligheidsafstand tot die openingen tenminste 0,10 m bedragen. In dit geval geldt bovendien de regel, dat het resterende vrijboord tenminste 0,20 m moet bedragen.
Artikel 11
1.
Het vrijboord moet tenminste gelijk zijn aan de som van:
a. a. de inzinking, die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en b. b. het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 10.
Het vrijboord moet voor veerponten in de zones 3 en 4 evenwel tenminste 0,30 m bedragen. Voor veerponten in de zone 2 moet het vrijboord tenminste 0,40 m bedragen.
2.
De veiligheidsafstand moet tenminste gelijk zijn aan de som van:
a. a. de inzinking die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en b. b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 10.
3.
De veiligheidsafstand mag evenwel niet minder bedragen dan:
a. a. tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn:
in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,30 m
in zone 4: 0,30 m;
-
in zone 2: 0,60 m
-
in zone 3: 0,30 m
-
in zone 4: 0,30 m; b. b. tot de onderzijde van patrijspoorten en ramen die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend:
in zone 2: 0,30 m in zone 3: 0,25 m in zone 4: 0,20 m; -
in zone 2: 0,30 m
-
in zone 3: 0,25 m
-
in zone 4: 0,20 m; c. c. voor open veerponten zonder schottendek, tot het laagste punt van de bovenkant van het boord:
in zone 2: 0,80 m in zone 3: 0,50 m in zone 4: 0,40 m; -
in zone 2: 0,80 m
-
in zone 3: 0,50 m
-
in zone 4: 0,40 m; d. d. voor onzinkbare open veerponten van het type landingsvaartuig ter plaatse van de klep, mits deze in gesloten toestand langs de staande kanten en de onderkant waterdicht afsluitbaar is:
in zone 2: 0,60 m in zone 3: 0,40 m in zone 4: 0,30 m. -
in zone 2: 0,60 m
-
in zone 3: 0,40 m
-
in zone 4: 0,30 m.
Artikel 12
1. Het vlak van de grootste inzinking wordt zodanig vastgesteld, dat zowel aan de regelen van de artikelen 5 tot en met 11, als aan de van toepassing zijnde regelen van de hoofdstukken 2 en 4 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit wordt voldaan.
2. De inspecteur-generaal kan echter voor een bepaalde veerpont of voor een bepaald vaargebied uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord of een grotere veiligheidsafstand vaststellen, indien dit naar zijn redelijk oordeel uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is.
3. Het laadvermogen, behorend bij de in het eerste lid bedoelde grootste inzinking, moet rekenkundig worden bepaald, gebaseerd op de resultaten van een hellingproef, of voor veerponten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, gebaseerd op de resultaten van een stabiliteitsproef.
Artikel 13
1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld, dat aan de regelen van de artikelen 5 tot en met 11 alsmede aan de van toepassing zijnde regelen van de hoofdstukken 2 en 4 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit wordt voldaan.
Artikel 14
1. De voor passagiers toegankelijke dekken, landgangen en de rijdekken moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij een gelijkmatige belasting van tenminste 4000 N/m² kunnen dragen.
2. De voor voertuigen bestemde dekken, laadkleppen en dergelijke moeten bovendien worden berekend voor de maximaal toegelaten asbelastingen en wieldrukken.
3. De toelaatbare spanningen in de constructie moeten worden berekend in overeenstemming met de voorschriften van een erkend onderzoekingsbureau.
4.
Niet-vrijvarende veerponten moeten zodanig zijn gebouwd en ingericht dat de veiligheid van de vaart is gewaarborgd. Zij moeten op veilige wijze onmiddellijk tot stoppen gebracht kunnen worden.
De kabels, trommels, overbrengingen en dergelijke voorzieningen moeten zodanig zijn geplaatst en afgeschermd dat zij geen gevaar voor de passagiers en de bemanning vormen.
5. Open dekken moeten van voldoende spuimogelijkheden zijn voorzien teneinde overkomend water en hemelwater snel te kunnen afvoeren.
6.
a. De dekken die zijn bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen moeten tenminste een beschikbare breedte b in mm hebben volgens onderstaande formules:
bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 0 tot 450 mm:
b = r . n + 500
b gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken,
- bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 450 mm of meer: b = r . (n - 2) + 2 . s b gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden (stoepen, trottoirs), met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de openstaande randen 5 mm bedraagt.
In deze formules betekent:
n: het aantal opstelstroken,
r: breedte opstelstrook voor personenauto's 2150 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 3050 mm,
s: breedte opstelstrook voor personenauto's 1950 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 2850 mm.
De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2000 mm voor personenauto's en 3000 mm voor vrachtauto's, bussen e.d.
a. a. Indien op de voor voertuigen bestemde dekken markeringsstrepen worden aangebracht, moeten deze zijn aangebracht volgens de regelen onder c. b. b. Indien een dek meer dan twee gemarkeerde opstelstroken heeft moeten de markeringsstrepen van de buitenste opstelstroken zich op een afstand van tenminste 2400 mm voor personenauto's en 3300 mm voor vrachtauto's, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden. Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad (stoep, trottoir) moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand tenminste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen. Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor personenauto's en vrachtauto's, bussen e.d. mogelijk. c. c. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a bedoelde minst vereiste breedte geldt een opstelverbod. Dit moet door markeringen op het dek zijn aangegeven.
7. De maximum toelaatbare asbelasting en wieldruk moet goed zichtbaar op een geschikte plaats zijn aangegeven behoudens het geval dat het dek geconstrueerd is voor alle volgens het Wegenverkeersreglement toegestane voertuigen.
Artikel 15
1. Op veerponten in de zones 2 en 3 moet ten minste 1/4 van het voorgeschreven aantal boeien van een lijn en tenminste een zelfde aantal van een zelfontbrandend licht zijn voorzien.
2. In afwijking van de regelen van artikel 8.03, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit wordt bepaald dat de inspecteur-generaal op veerponten in de zone 4, afhankelijk van de aard van het vaarwater en van de verkeersomstandigheden, minder reddingmiddelen kan aanvaarden. In elk geval moeten voor ten minste 25% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers reddingmiddelen aan boord aanwezig zijn.
Artikel 16
In afwijking van de regelen van artikel 2.06, zesde lid, van bijlage II van het Binnenschepenbesluit kan worden volstaan met slechts één uitgang indien
- het vloeroppervlak van een machinekamer of een ketelruim in totaal niet meer dan 35 m² bedraagt, en
- de vluchtweg vanaf elke bedieningsplaats naar de uitgangsdeur die naar de buitenlucht voert, niet meer dan 5 m lang is, en
- bij de plaats waar onderhoud moet worden verricht, die het verst van de uitgang is verwijderd, een draagbaar blustoestel aanwezig is, ook indien het geïnstalleerde vermogen niet meer dan 110 Kw bedraagt.
Artikel 17
In aanvulling op de regelen van artikel 9.11 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit moeten op veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek zijn voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in artikel 7.03 van bijlage II en artikel 9.11 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit bedoelde draagbare blustoestellen mogen daartoe worden meegerekend.
Artikel 18
Op veerponten met een lengte Lwl van 35 m of meer, moeten luidsprekers aanwezig zijn waarmee alle passagiers kunnen worden bereikt.
Artikel 19
1. Op veerponten die bestemd zijn voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen moeten duidelijk zichtbare borden zijn aangebracht, waarop instructies voor de bestuurders van voertuigen goed leesbaar zijn geplaatst met betrekking tot het afzetten van de motor, indien aanwezig, en het op de rem zetten van het voertuig.
2. Door middel van markeringen en aanduidingsborden moet worden aangegeven dat het gebruik van uitgangen, looppaden en vluchtwegen niet mag worden belemmerd door bagage, fietsen en dergelijke.
Artikel 20
1. In afwijking van de regelen van artikel 10.10, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit moeten vrijvarende veerponten die aan het voor- en achterschip zijn voorzien van volledig identieke voortstuwingsmiddelen en stuurinrichtingen, aan elk scheepseinde zijn voorzien van ten minste één anker.
2. In afwijking van de regelen van artikel 10.10, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit moeten niet-vrijvarende veerponten aan één der scheepseinden zijn voorzien van ten minste één anker.
3. In gevallen als genoemd in het eerste en tweede lid, moet het totale gewicht van de ankers aan een scheepseinde tenminste 0,75 P bedragen, waarbij de waarde P wordt vastgesteld overeenkomstig de regelen van artikel 10.10, tweede lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit.
4.
Daarbij moet elk anker zijn voorzien van een ankerketting, tros of kabel, waarvan de lengte en de breeksterkte worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen voor boegankerkettingen, trossen of kabels van artikel 7.01, tiende tot en met twaalfde lid, van bijlage II van het Binnenschepenbesluit.
Hierbij moet in de formule voor de waarde Pa het bepaalde theoretische gewicht van het betreffende anker worden genomen.
Artikel 21
Op niet vrij-varende veerponten moet de opstelling van de voertuigen zodanig zijn dat het uitzicht tijdens de vaart in alle richtingen voldoende is.
Artikel 22
Mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, kan voor niet-vrijvarende veerponten afwijking worden toegestaan van de regelen van de artikelen 9.02, eerste en tweede lid, 9.03, eerste en derde lid, en van artikel 9.05, eerste lid, van bijlage II van het Binnenschepenbesluit.
Artikel 23
1. In aanvulling op artikel 42 van het Binnenschepenbesluit zijn de artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 13, 14, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 20 van deze regeling niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.
2. In aanvulling op artikel 42 van het Binnenschepenbesluit is artikel 4.01, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit met betrekking tot het bewijs van voldoende stabiliteit, en zijn de artikelen 10, 11 en 12 van deze regeling niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen, met dien verstande dat het dek voldoende waterdicht is afgesloten en er bovendien naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Arbeidsinspectie geen reden tot twijfel bestaat aan de stabiliteit van de beladen veerpont en dat de omstandigheden die op grond van de desbetreffende bestaande bepalingen van algemene politieverordeningen en provinciale verordeningen, van kracht zijnde tot het moment van inwerkingtreding van deze regeling, zijn aanvaard.
3. In aanvulling op artikel 44 van het Binnenschepenbesluit zijn de artikelen 14, vierde en zevende lid, 17, 18 en 19 van deze regeling gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen.
4. Bij het onderzoek van bestaande veerponten, die op 1 januari 1991 zijn ingericht voor het voeren van het schip door één persoon met behulp van radar, zijn de regelen van artikel 22 van toepassing.
5. De regelen van artikel 11.03 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 4.
6. De regelen van artikel 11.06 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 15.
7. In afwijking van de regelen van artikel 11.06 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit wordt bepaald dat op bestaande veerponten in de zones 3 en 4 de reddingmiddelen zoals voorgeschreven in artikel 8.03, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit en in artikel 15, tweede lid, van deze regeling, voor ten minste 25% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord aanwezig moeten zijn.
Artikel 24
Met de in deze regeling vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lid-staat van de Europese Unie danwel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 25
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling Veerponten.