rijk/ministeriele-regeling/regeling-voorzieningenplanning-vo/BWBR0024261/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

13 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling voorzieningenplanning VO BWBR0024261 ministeriele-regeling geldend 2015-08-10 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024261 Regeling voorzieningenplanning VO

Regeling voorzieningenplanning VO

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

agrarisch opleidingscentrum: agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

bevoegd gezag: het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1 van de wet en wat betreft het voorbereidend beroepsonderwijs in een agrarisch opleidingscentrum het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;

profiel: profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, of 10d, derde lid, van de wet;

samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;

school: een school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

scholengemeenschap: een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;

tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet;

wet: de Wet op het voortgezet onderwijs.

Paragraaf 2. Stichting, splitsing en leerwegondersteunend onderwijs

Artikel 2

1. De methodiek voor het opstellen van de leerlingprognose die voor stichting van een school, scholengemeenschap of profiel vereist is op grond van de artikelen 65, eerste en tweede lid, en 68, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 1.

2. Het bevoegd gezag maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 2.

3. Indien het de stichting van een nieuwe school, scholengemeenschap of profiel gebaseerd op de methodiek van een directe meting betreft, stuurt het bevoegd gezag de directe meting mee met de aanvraag.

Artikel 3

1. De methodiek voor het opstellen van de leerlingprognose die voor splitsing van een school of scholengemeenschap vereist is op grond van artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 3.

2. Het bevoegd gezag maakt bij de aanvraag voor splitsing gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 2.

Artikel 4

1. De Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 69 van de wet voor bekostiging in aanmerking brengen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit onderwijs zal worden gevolgd door ten minste 40 leerlingen. Indien het betreft een school of scholengemeenschap op de Waddeneilanden, kan de Minister ten gunste van het bevoegd gezag afwijken van het vereiste aantal leerlingen, genoemd in de eerste volzin.

2. De methodiek voor het opstellen van de prognose, vereist op grond van het eerste lid, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 4.

3. Het bevoegd gezag maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 5.

4. De aanvraag gaat vergezeld van een document waaruit blijkt dat de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.

5. Indien het samenwerkingsverband op grond van artikel 17a.1, tweede lid, van de wet een school voordraagt om in aanmerking te brengen voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs geldt in plaats van het eerste tot en met het vierde lid dat het samenwerkingsverband gebruik maakt van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 8.

Artikel 5

1. Het bevoegd gezag dat gerechtigd is tot het verzorgen van leerwegondersteunend onderwijs, kan bij de Minister een aanvraag indienen om dit onderwijs in meer leerwegen of op meer vestigingen te kunnen verzorgen.

2. Het bevoegd gezag maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 5.

3. De aanvraag gaat vergezeld van een document waaruit blijkt dat de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.

4. Indien het samenwerkingsverband op grond van artikel 17a.1, tweede lid, van de wet een bevoegd gezag dat gerechtigd is tot het verzorgen van leerwegondersteunend onderwijs voordraagt om in aanmerking te komen om dit onderwijs in meer leerwegen of op meer vestigingen te kunnen verzorgen, geldt in plaats van het eerste tot en met het derde lid dat het samenwerkingsverband gebruik maakt van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 8.

Paragraaf 3. Omzetting, samenvoeging, tijdelijke nevenvestiging, verplaatsing vestiging over minder dan drie kilometer

Artikel 6

1. Het bevoegd gezag kan een aanvraag voor een omzetting als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet, indienen voor 1 november van enig kalenderjaar.

2. De Minister besluit voor 1 mei volgend op de aanvraag. Indien het besluit niet voor 1 mei genomen kan worden, stelt de Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien.

3. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van gedeputeerde staten over de voorgenomen omzetting.

Artikel 7

Het bevoegd gezag meldt voor 1 april van enig kalenderjaar schriftelijk aan de Dienst Uitvoering Onderwijs het voornemen van de omzetting van een bijzondere school in een school van een andere richting per 1 augustus van dat kalenderjaar.

Artikel 7a

Het bevoegd gezag meldt voor 1 april van enig kalenderjaar schriftelijk aan de Minister het voornemen van de omzetting van een bijzondere school in een openbare school per 1 augustus van dat kalenderjaar. Bij de melding toont het bevoegd gezag aan dat het overleg heeft gevoerd met burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.

Artikel 8

Het percentage, bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet, bedraagt twintig.

Artikel 9

1. Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot ingebruikname van een tijdelijke nevenvestiging schriftelijk aan de Dienst Uitvoering Onderwijs uiterlijk vier maanden voorafgaande aan de datum van de feitelijke ingebruikname. Bij die melding wordt aangegeven voor welke hoofdvestiging of nevenvestiging, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, de tijdelijke nevenvestiging in de tijdelijke huisvestingsbehoefte voorziet.

2. De melding gaat vergezeld van een document waaruit blijkt dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente met ingang van de datum van de feitelijke ingebruikname als bedoeld in het eerste lid de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen.

3.

In afwijking van het tweede lid doet het bevoegd gezag van een school waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 76v van de wet of van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de melding vergezeld gaan van een document waaruit blijkt:

a. a. dat er bij de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging sprake is van tijdelijke huisvestingsbehoefte voor een periode van korter dan vijftien jaar, gelet op de prognose van het aantal leerlingen van de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging voor vijftien jaar en de normen voor de huisvesting zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO, en b. b. dat er met ingang van de datum van de feitelijke ingebruikname huisvesting voor de desbetreffende tijdelijke nevenvestiging beschikbaar is.

4. Bij de prognose, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de gegevens, vermeld onder punten A tot en met D, van bijlage 1.

Artikel 10

Het bevoegd gezag dat een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige vestigingsplaats, doet hiervan schriftelijk melding aan de Dienst Uitvoering Onderwijs uiterlijk vier maanden voorafgaande aan de daadwerkelijke verplaatsing.

Paragraaf 4. Verplaatsing, nieuwe nevenvestiging, afsplitsing, afsluitend onderwijs, gemengde leerweg en een vbo-profiel in het kader van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen

Artikel 11

Het bevoegd gezag van een school, scholengemeenschap of agrarisch opleidingscentrum maakt voor een aanvraag voor een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 6.

Artikel 12

Het percentage, bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b, van de wet, bedraagt twintig.

Artikel 13

De methodiek voor het berekenen van het leerlingverlies, bedoeld in artikel 72, zesde lid, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 7.

Artikel 14

Bij het opstellen van een prognose van het aantal leerlingen per vestiging, bedoeld in artikel 72, tweede lid onder 3°, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens, vermeld onder punten A tot en met D, van bijlage 1.

Artikel 15

De bekostiging van een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdelen c tot en met f, van de wet, vangt aan op 1 augustus van het kalenderjaar volgend op de aanvraag of op 1 augustus van een later kalenderjaar indien het bevoegd gezag daarom heeft verzocht, met dien verstande dat de bekostiging niet later aanvangt dan op 1 augustus volgend op het verstrijken van de looptijd van het desbetreffende regionaal plan onderwijsvoorzieningen.

Artikel 16

1. De Minister kan aanvullende bekostiging verstrekken aan bevoegde gezagsorganen die een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de wet, voorbereiden.

2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, kan door één van de betrokken bevoegde gezagsorganen worden aangevraagd. De aanvraag wordt ingediend voor 1 augustus 2010.

3. De aanvraag gaat vergezeld van een door betrokken bevoegde gezagsorganen ondertekende intentieverklaring om tot een regionaal plan onderwijsvoorzieningen te komen.

4. De aanvullende bekostiging geldt slechts voor de vestigingen van scholen of scholengemeenschappen van betrokken bevoegde gezagsorganen die gelegen zijn binnen de beoogde regio. Een vestiging van een school of scholengemeenschap kan slechts éénmaal voor de aanvullende bekostiging in aanmerking komen.

5. De aanvullende bekostiging bedraagt per regionaal plan onderwijsvoorzieningen € 6000,, per school of scholengemeenschap € 1000, en per leerling van een vestiging als bedoeld in het vierde lid € 1,.

6. Verrekening van eventueel niet bestede middelen of overschotten vindt niet plaats.

7. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening van de school of scholengemeenschap waarvan het bevoegd gezag de aanvullende bekostiging heeft aangevraagd omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de aanvullende bekostiging.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 17

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 december 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Kamerstukken II 2007/08, 31 310, nr. 2) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorzieningenplanning VO.

Bijlage 1. bij de Regeling voorzieningenplanning VO

Een profiel (in de betekenis van vmbo-profiel), school of scholengemeenschap komt voor bekostiging in aanmerking indien met een prognose aannemelijk wordt gemaakt dat het profiel, de school of scholengemeenschap zal worden bezocht door de aantallen leerlingen als genoemd, in de artikelen 65, eerste en tweede lid, en 68 van de wet (de zogenaamde stichtingsnormen). Het schoolbestuur kan op twee manieren aantonen dat het gevraagde profiel, de school of scholengemeenschap voldoet aan de stichtingsnormen: met een indirecte meting of met een directe meting.

Bijlage 2. bij de Regeling voorzieningenplanning VO

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3. (behorend bij de Regeling voorzieningenplanning VO)

Bijlage 4. bij de Regeling voorzieningenplanning VO

Bijlage 5. bij de Regeling Voorzieningenplanning VO

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 6. bij de Regeling Voorzieningenplanning VO

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7. bij de Regeling voorzieningenplanning VO

Bijlage 8. bij de Regeling voorzieningenplanning VO

[afbeelding]

[afbeelding]