rijk/ministeriele-regeling/rijkssubsidieregeling-jeugdzorg-2011/BWBR0029951/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

8.5 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Rijkssubsidieregeling jeugdzorg 2011 BWBR0029951 ministeriele-regeling geldend 2011-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0029951 Rijkssubsidieregeling jeugdzorg 2011

Rijkssubsidieregeling jeugdzorg 2011

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Ministers: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie;
  • subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet aan een privaatrechtelijke instelling;
  • uitkering: subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet aan een provincie;
  • wet: Wet op de jeugdzorg.

Hoofdstuk 2. Subsidiëring door het rijk van instellingen

Artikel 2

Een subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van de uitvoering van de steunfunctie en experimenten die van landelijke betekenis zijn. Een subsidie ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid wordt slechts verstrekt voor het stimuleren van landelijk beleid.

Artikel 3

1. De subsidie aan een instelling ten behoeve van de uitvoering van een steunfunctie kan bestaan uit een instellingssubsidie of een projectsubsidie.

2. De subsidie aan een instelling ten behoeve van de uitvoering van een experiment of ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid bestaat uit een projectsubsidie.

Artikel 4

De artikelen 1 en 4 tot en met 70 van de Kaderregeling VWS-subsidies zijn van toepassing op het verstrekken van subsidies, met dien verstande dat:

a. a. de Ministers in de plaats treden van de minister, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderregeling VWS-subsidies en b. b. aanvragen, voortgangsverslagen, meldingen, verzoeken, jaarrekeningen en andere stukken die op grond van de Kaderregeling VWS-subsidies vereist zijn voor het verstrekken van subsidies, worden ingediend bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 5

1. Bij de verlening van een subsidie kunnen de Ministers bepalen dat het subsidiebedrag of een deel ervan wordt bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kunnen de Ministers bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de kosten van arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Hoofdstuk 3. De uitkering

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 6

1. Een uitkering wordt slechts verleend ten behoeve van projecten van landelijke betekenis op het terrein van de steunfunctie of met betrekking tot experimenten. De uitkering ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid wordt slechts verleend voor het stimuleren van landelijk beleid.

2. De uitkering bestaat uit een projectuitkering.

Artikel 7

1. De Ministers kunnen voor projectuitkeringen subsidieplafonds vaststellen. Bij deze vaststelling kan, in afwijking van artikel 9, eerste lid, worden bepaald dat, met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen, de aanvragen voor een daarbij te bepalen datum moeten zijn ingediend.

2. Bij de verdeling van het beschikbare bedrag geven de Ministers voorrang aan die aanvragen waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de uitkering.

3. De ministers kunnen projectuitkeringen verlenen die zich uitstrekken over meer dan één kalenderjaar.

Artikel 8

Een projectuitkering bestaat uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten, voor zover opgenomen in een door de Ministers goedgekeurde begroting, en de met die activiteiten samenhangende baten. De uitkering bedraagt niet meer dan een door de Ministers vast te stellen maximum.

Artikel 9

1. Een projectuitkering wordt bij de Ministers aangevraagd uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het project door indiening bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De aanvraag wordt onderbouwd met een projectplan en een begroting.

2. In het projectplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt de doelstelling van de activiteiten aangegeven en de wijze waarop zij zullen worden uitgevoerd.

3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en het niveau van de kosten van arbeidsvoorwaarden op 1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag.

Paragraaf 2. Verlening van de uitkering en bevoorschotting

Artikel 10

De Ministers geven een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na de ontvangst van de aanvraag, tenzij met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen wordt beslist op een bepaalde datum.

Artikel 11

1. Nadat een aanvraag van een uitkering is ingediend, kunnen de Ministers voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ingediende liquiditeitprognose.

2. Indien de Ministers een aanvraag die te laat is ingediend desondanks in behandeling nemen, kunnen zij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.

Artikel 12

In een beschikking waarbij een meerjarige uitkering wordt verleend, wordt vermeld welk bedrag elk jaar van de betrokken periode als voorschot zal worden verstrekt.

Artikel 13

1. Bij de verlening van een uitkering kunnen de Ministers bepalen dat het bedrag van de uitkering wordt bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kunnen de Ministers bij de verlening van de uitkering tevens bepalen welk deel van de uitkering in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de kosten van arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Paragraaf 3. Verplichtingen van de provincie

Artikel 14

Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat:

a. a. de doeleinden, gesteld in het projectplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd; b. b. de werkzaamheden op een zodanige wijze worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; c. c. de uitkering op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Artikel 15

Gedeputeerde staten doen zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de Ministers van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.

Paragraaf 4. De aanvraag tot vaststelling van de uitkering

Artikel 16

1. Gedeputeerde staten vragen de vaststelling van de uitkering aan door verantwoordingsinformatie aan de Ministers te verstrekken op de wijze bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.

2. Artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5. De vaststelling van de uitkering

Artikel 17

Binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16, geven de Ministers een beschikking tot vaststelling van de uitkering.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 18

De Ministers kunnen een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 19

1. De Rijkssubsidieregeling jeugdzorg wordt ingetrokken.

2.

De Rijkssubsidieregeling jeugdzorg blijft van toepassing op:

a. a. aanvragen van projectsubsidies op grond van de Rijkssubsidieregeling jeugdzorg die vóór 1 juli 2011 zijn ontvangen ten behoeve van activiteiten die vóór 1 oktober 2011 aanvangen; b. b. subsidies en uitkeringen die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2011.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Rijkssubsidieregeling jeugdzorg 2011.