rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-brugfunctionaris/BWBR0049052/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

12 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling brugfunctionaris BWBR0049052 ministeriele-regeling geldend 2023-12-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0049052 Subsidieregeling brugfunctionaris

Subsidieregeling brugfunctionaris

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • minister: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
  • ouders: ouders, voogden of verzorgers;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • vestiging: hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, hoofdvestiging als bedoeld in artikel 4.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3

1. De minister kan voor de periode van de schooljaren 20242025, 20252026 en 20262027 aan een bevoegd gezag subsidie verstrekken voor het inzetten van personele uren om een brugfunctie vanuit de school aan te bieden.

2. Het doel van de brugfunctie is het laagdrempelig bereikbaar zijn voor ouders en leerlingen om vragen en zorgen op te pakken die niet direct onderwijs gerelateerd zijn, zodat deze in de thuissituatie zoveel mogelijk preventief worden aangepakt en het personeel in het schoolteam zich op hun kerntaak kan richten en leerlingen beter tot ontwikkeling en leren kunnen komen.

3.

Tot de activiteiten om bij te dragen aan het doel, bedoeld in het tweede lid kunnen behoren:

a. a. het laagdrempelig en zo veel mogelijk preventief ondersteunen en versterken van ouders en leerlingen bij vragen en signalen die niet direct onderwijs gerelateerd zijn; b. b. het toeleiden van ouders en leerlingen naar andere instanties en professionals; c. c. het vergroten van betrokkenheid van ouders bij school; d. d. het samenwerken met en versterken van leraren en andere medewerkers van het schoolteam bij vragen en signalen die niet direct onderwijs gerelateerd zijn; e. e. het verbeteren van de verbinding en de samenwerking tussen de school en andere instanties en professionals; en f. f. het delen van kennis en expertise met de leraren, onderwijsondersteunend personeel en directeur op een school over het eigen vakgebied.

Artikel 4

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3 van deze regeling is in totaal:

a. a. € 109.200.000, beschikbaar voor subsidieverstrekking voor het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal basisonderwijs; b. b. € 34.560.000, beschikbaar voor subsidieverstrekking voor het voortgezet onderwijs; c. c. € 10.320.000, beschikbaar voor subsidieverstrekking voor het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gezamenlijk; en d. d. € 4.800.000, beschikbaar voor het speciaal basisonderwijs.

Artikel 5

1.

Het voor subsidiebedrag bedraagt:

a. a. in het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal basisonderwijs € 120.000, per vestiging; b. b. in het voortgezet onderwijs € 360.000, per school; c. c. in het speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs € 120.000, per vestiging; en d. d. in het speciaal basisonderwijs € 120.000, per vestiging.

2.

Indien het aantal aanvragen groter is dan het beschikbare bedrag voor een sector als bedoeld in artikel 4, worden de aanvragen per subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, op de volgende wijze gerangschikt van hoog naar laag, waarbij de hoogste score voorrang krijgt boven de laagste score:

a. a. in het primair onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 1 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van de basisscholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs. Deze achterstandsscores worden gedeeld door het aantal leerlingen dat op 1 februari 2023 is ingeschreven op de vestiging zoals opgenomen in bijlage 1; b. b. in het voortgezet onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 2 opgenomen achterstandsscores zonder drempel van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Daarna worden deze achterstandsscores gedeeld door het aantal leerlingen dat per school was ingeschreven op 1 oktober 2021, zoals opgenomen in bijlage 2. c. c. in het speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd; d. d. in het speciaal basisonderwijs bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs wordt gekeken naar het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022 van vestigingen op de teldatum van 1 februari 2023 zoals op 1 oktober 2023 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs bekend. Indien een fusie heeft plaatsgevonden na 1 februari 2023, wordt het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de gefuseerde vestiging berekend met de som van de aantallen van de vestigingen die zijn gefuseerd.

3. Indien niet genoeg middelen resteren om aanvragen met een gelijke rangschikking als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, te honoreren, dan wordt binnen de groep van de aanvragen met een gelijke rangschikking geloot.

4. Indien na het verstrekken van subsidie op alle in aanmerking komende aanvragen, binnen een subsidieplafond als bedoeld in artikel 4, nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan de aan de andere subsidieplafonds als bedoeld in artikel 4, naar rato van de hoogte van deze andere subsidieplafonds.

Artikel 6

1. Een bevoegd gezag, met uitzondering van een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, kan per vestiging een aanvraag voor subsidie indienen. Een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan per school een aanvraag voor subsidie indienen.

2. Een aanvraag kan worden ingediend van 8 januari 2024 tot en met 16 februari 2024. Aanvragen die op of na 17 februari 2024 worden ingediend, worden afgewezen.

3.

De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op www.dus-i.nl. Het bevoegd gezag vult op het formulier de volgende gegevens in:

a. a. de gegevens van het bevoegd gezag; b. b. de wijze waarop de personele uren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden ingezet; c. c. de activiteiten waar het bevoegd gezag op gaat inzetten om bij te dragen aan het doel van de brugfunctie, bedoeld in artikel 3, tweede lid; d. d. de vragen en signalen waar de brugfunctie zich op zal richten; e. e. de risicos waar het bevoegd gezag rekening mee houdt bij de inzet van de brugfunctie; f. f. indien het bevoegd gezag na 31 juli 2024 nog financiering ontvangt voor personele uren om een brugfunctie of een vergelijkbare rol op de desbetreffende school aan te bieden, een toelichting hoe de subsidie op grond van deze regeling aanvullend wordt ingezet ten opzichte van de bestaande financiering; en g. g. een verklaring waaruit blijkt dat overleg heeft plaatsgevonden of gaat plaatsvinden met betrokken gemeenten en samenwerkingsverbanden over de subsidieaanvraag en de inzet van de brugfunctie.

Artikel 7

1. De subsidieontvanger neemt actief deel aan het monitor- en effectonderzoek dat wordt uitgevoerd gedurende het subsidietraject, en levert tijdig adequate informatie aan ten behoeve van jaarlijkse tussenrapportages in het kader van het monitor- en effectonderzoek.

2. Het bevoegd gezag kan alleen personeel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, inzetten dat in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 8

1. Op grond van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt een subsidie aan een bevoegd gezag in het primair onderwijs die minder dan € 125.000, bedraagt direct vastgesteld. Deze subsidie wordt vastgesteld binnen dertien weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

2. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt een subsidie aan een bevoegd gezag in het voortgezet onderwijs die € 125.000, of meer bedraagt binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode verleend. De minister stelt de subsidie ambtshalve vast binnen een jaar na indiening van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode.

Artikel 9

1. De minister bepaalt het betaalritme van de subsidies, bedoeld in artikel 8, eerste lid, in de subsidiebeschikking.

2. De minister verstrekt voor de subsidies, bedoeld in artikel 8, tweede lid, een voorschot van 100%, dat per jaar in gelijke delen wordt uitbetaald.

Artikel 10

1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1.

2. Indien de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt in zijn geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, kan het niet aangewende deel van de subsidie, bedoeld in artikel 8 worden besteed aan andere activiteiten waarvoor aan het bevoegd gezag bekostiging wordt verstrekt.

3.

De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn. In dit kader vindt in ieder geval een steekproefsgewijze controle door de minister plaats. Bij de steekproefsgewijze controle toont de subsidieontvanger aan:

a. a. dat de subsidie is ingezet voor personele uren als bedoeld in artikel 3, eerste lid; b. b. dat de subsidie is ingezet voor activiteiten, gericht op het doel van de brugfunctie, bedoeld in artikel 3, tweede lid; c. c. welke activiteiten, als bedoeld in artikel 3, derde lid, zijn uitgevoerd om bij te dragen aan het doel van de brugfunctie; en d. d. dat overleg heeft plaatsgevonden met betrokken gemeenten en samenwerkingsverbanden voordat gestart is met de brugfunctionaris.

Artikel 11

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 augustus 2028.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling brugfunctionaris.

Bijlage 1. behorende bij

Voor het primair onderwijs zijn de achterstandsscores zoals die in de bijlagen zijn weergegeven, gebaseerd op de scores die zijn gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd op 30 mei 2023.

Bijlage 2. behorende bij

Voor het voortgezet onderwijs zijn de achterstandsscores zoals die in de bijlagen zijn weergegeven, gebaseerd op de scores die zijn gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd op 8 april 2022.