40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
805 lines
55 KiB
Markdown
805 lines
55 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
|
||
bwb_id: BWBR0040605
|
||
type: ministeriele-regeling
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2018-04-01'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0040605
|
||
citeertitel: Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
|
||
---
|
||
|
||
# Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
|
||
|
||
### Paragraaf 1. Algemeen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||
|
||
a. *bedrijfsgeheim:* informatie die:
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en
|
||
|
||
|
||
c.
|
||
door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden;
|
||
a. a.
|
||
in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,
|
||
b. b.
|
||
handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en
|
||
c. c.
|
||
door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden;
|
||
- *daadwerkelijke samenwerking:* daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
- *experimentele ontwikkeling:* experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
- *financiële onderneming:* financiële onderneming als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht;
|
||
- *fundamenteel onderzoek:* fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
- *industrieel onderzoek:* industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
a. *infrastructuursubsidie:*
|
||
**geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt als bijdrage voor onderzoeksinfrastructuur, in eigendom en beheer van het instituut, voor zover er sprake is van investeringen in:
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
nieuwe onderzoeksinfrastructuur, of
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
uitbreiding van bestaande onderzoeksinfrastructuur, voor zover er geen sprake is van vervangingsinvesteringen als bedoeld in de definitie van instituutssubsidie, onderdeel b;
|
||
a. a.
|
||
nieuwe onderzoeksinfrastructuur, of
|
||
b. b.
|
||
uitbreiding van bestaande onderzoeksinfrastructuur, voor zover er geen sprake is van vervangingsinvesteringen als bedoeld in de definitie van instituutssubsidie, onderdeel b;
|
||
- *instituut:* door de minister als zodanig aangewezen instituut voor toegepast onderzoek dat voldoet aan de vereisten die gelden voor een onderzoeksorganisatie als bedoeld in onderdeel 16, onder ff, van de O&O&I-kaderregeling, met als primaire activiteiten de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
a. *instituutssubsidie:* geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt ter ondersteuning van het doel, bedoeld in artikel 5, eerste lid:
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
voor het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
als bijdrage voor vervangingsinvesteringen in en de exploitatie en het onderhoud van onderzoeksinfrastructuur in eigendom en beheer van het instituut,
|
||
|
||
|
||
c.
|
||
voor het breed verspreiden van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, of
|
||
|
||
|
||
d.
|
||
als bijdrage voor overige exploitatie- en investeringskosten, voor zover deze onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van het instituut, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling en voor zover er geen sprake is van investeringen als bedoeld in de definitie van infrastructuursubsidie;
|
||
a. a.
|
||
voor het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,
|
||
b. b.
|
||
als bijdrage voor vervangingsinvesteringen in en de exploitatie en het onderhoud van onderzoeksinfrastructuur in eigendom en beheer van het instituut,
|
||
c. c.
|
||
voor het breed verspreiden van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, of
|
||
d. d.
|
||
als bijdrage voor overige exploitatie- en investeringskosten, voor zover deze onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van het instituut, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling en voor zover er geen sprake is van investeringen als bedoeld in de definitie van infrastructuursubsidie;
|
||
- *kostendrager:* een product of een in economisch opzicht homogene groep van producten, die als voorwerp van calculatie wordt gekozen;
|
||
- *kredietwaardigheidsoordeel:* rating als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening 1060/2009;
|
||
- *kredietbeoordelingsbureau:* een in de Europese Unie geregistreerd ratingbureau overeenkomstig Verordening 1060/2009;
|
||
- *landbouwvrijstellingsverordening:*
|
||
Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
|
||
a. *minister:*
|
||
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
Minister van Economische Zaken;
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
|
||
|
||
|
||
c.
|
||
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; of
|
||
|
||
|
||
d.
|
||
Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
|
||
|
||
|
||
e.
|
||
Minister van Klimaat en Groene Groei, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.
|
||
a. a.
|
||
Minister van Economische Zaken;
|
||
b. b.
|
||
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
|
||
c. c.
|
||
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; of
|
||
d. d.
|
||
Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
|
||
e. e.
|
||
Minister van Klimaat en Groene Groei, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.
|
||
- *onderzoeksinfrastructuur:* onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder gg, van de O&O&I-kaderregeling;
|
||
- *onderzoeksprogramma:* programma dat bestaat uit een samenstel van activiteiten gericht op het realiseren van een of meer onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen;
|
||
- *O&O&I-kaderregeling:* Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
|
||
a. *programmasubsidie:* geldmiddelen die de minister ter beschikking stelt voor de uitvoering van:
|
||
|
||
|
||
a.
|
||
onderzoeksprogramma’s, of
|
||
|
||
|
||
b.
|
||
programma’s voor wettelijke onderzoekstaken;
|
||
a. a.
|
||
onderzoeksprogramma’s, of
|
||
b. b.
|
||
programma’s voor wettelijke onderzoekstaken;
|
||
- *rentecap:* derivaat tussen twee partijen inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;
|
||
- *renteswap:* derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen vastgestelde periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen;
|
||
- *valutaoptie:* derivaat tussen twee partijen waarbij sprake is van een eenzijdige verplichting van de ene contractpartij en daartegenover een eenzijdig recht van de andere contractpartij waarbij de laatstgenoemde tegen een vastgestelde valutakoers een valutatransactie mag afsluiten;
|
||
- *valutatermijncontract:* derivaat tussen twee partijen, waarbij zij een wederzijdse verplichting aangaan om op enig tijdstip in de toekomst een vooraf bepaald bedrag in een valuta te ruilen tegen een vooraf bepaald bedrag in een andere valuta;
|
||
- *Verordening 1060/2009:*
|
||
Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU 2009, L 302);
|
||
- *Verordening 651/2014:* Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
|
||
- *visserijvrijstellingsverordening:*
|
||
Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
|
||
- *wettelijke onderzoekstaak:* niet economische dienst van algemeen belang in de vorm van onderzoek, advisering of inzet van onderzoeksfaciliteiten, onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van taken, met inbegrip van de uitoefening van openbaar gezag, door de minister of andere ministers die het aangaat of instellingen of organen van de Europese Unie, opgenomen in bijlage 1 en ingericht en gefinancierd overeenkomstig de aanwijzingen en vergoedingen die door de minister worden vastgesteld overeenkomstig deze regeling.
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
**1.** Het instituut legt eenmaal per vier jaren een strategisch plan ter goedkeuring voor aan de minister. De goedkeuring geschiedt, in afwijking van de begripsbepaling van minister in artikel 1, door de minister die op basis van deze regeling instituutssubsidie verstrekt aan het instituut.
|
||
|
||
**2.** De minister richt zich bij de beoordeling en goedkeuring van dit plan op de publieke taken van het instituut, de voorgenomen besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking en de economische activiteiten voor zover die van directe invloed zijn op de publieke taken.
|
||
|
||
**3.** Een strategisch plan wordt uiterlijk ingediend op 31 mei van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft.
|
||
|
||
**4.**
|
||
|
||
In het strategisch plan beschrijft het instituut in elk geval:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de mate waarin de doelstellingen van het strategisch plan uit de vorige periode zijn behaald;
|
||
b. b.
|
||
de publieke taken van het instituut en de wijze waarop deze worden uitgevoerd;
|
||
c. c.
|
||
de besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking;
|
||
d. d.
|
||
een raming van de omzet die het instituut met economische activiteiten verwacht te genereren, afgezet tegen de totale omzet die het instituut verwacht te genereren;
|
||
e. e.
|
||
de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen;
|
||
f. f.
|
||
de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;
|
||
g. g.
|
||
een omschrijving van de gebieden, de aard en het kwaliteitsniveau van de door het instituut te leveren prestaties;
|
||
h. h.
|
||
de middelen die nodig zijn;
|
||
i. i.
|
||
de relatie van bestaande en op te zetten grote onderzoekfaciliteiten met het voorgenomen onderzoek, en
|
||
j. j.
|
||
mogelijkheden voor onderlinge samenwerking met andere instituten.
|
||
|
||
**5.** De minister beslist, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, uiterlijk op 31 juli van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft over de goedkeuring van het strategisch plan.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
In aanvulling op artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht bevat het activiteitenplan:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een weergave van de omvang van de activiteiten, bedoeld in randnummer 19 van de O&O&I-kaderregeling, uitgedrukt in de hoeveelheid voltijdsequivalent die op deze activiteiten wordt ingezet,
|
||
b. b.
|
||
een weergave van de omvang van de economische activiteiten, uitgedrukt in:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
het aantal uren dat onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend binnen de reikwijdte van de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, in werking zal zijn,
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
de hoeveelheid voltijdsequivalent die op een bepaald onderzoeksprogramma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, wordt ingezet, en
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
het aantal uren dat een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend in werking zal zijn,
|
||
1°. 1°.
|
||
het aantal uren dat onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend binnen de reikwijdte van de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, in werking zal zijn,
|
||
2°. 2°.
|
||
de hoeveelheid voltijdsequivalent die op een bepaald onderzoeksprogramma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, wordt ingezet, en
|
||
3°. 3°.
|
||
het aantal uren dat een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend in werking zal zijn,
|
||
c. c.
|
||
een raming van de opbrengsten van de economische activiteiten, uitgedrukt in kosten die in rekening worden gebracht overeenkomstig artikel 8, eerste lid, verhoogd met een redelijke winstopslag, voor zover deze opslag van toepassing is, en
|
||
d. d.
|
||
een beschrijving van de methode, bedoeld in artikel 29, tweede en derde lid, die het instituut gebruikt bij economische activiteiten en hoe deze wordt toegepast, zodat het instituut bewerkstelligt dat het voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 29, eerste lid.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
**1.** De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken aan een instituut dat ten doel heeft toepassingsgericht onderzoek te doen om kennis te ontwikkelen, toe te passen en te verspreiden om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, bij te dragen aan de innovatiekracht van Nederland en strategische onderzoeksfaciliteiten te beheren.
|
||
|
||
**2.** De minister verstrekt subsidie in de vorm van instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie.
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
**1.** In afwijking van artikel 4:60 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk acht weken voor de aanvang van het boekjaar ingediend.
|
||
|
||
**2.** De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit waarvoor instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie wordt aangewend, die zien op:
|
||
|
||
a. a.
|
||
personeelskosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel;
|
||
b. b.
|
||
kosten van apparatuur en uitrusting;
|
||
c. c.
|
||
kosten van gebouwen en gronden;
|
||
d. d.
|
||
kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in artikel 27, vierde lid, worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten, en
|
||
e. e.
|
||
bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten.
|
||
|
||
**2.** Indien voor de uitvoering van een programma dat gefinancierd wordt met programmasubsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat programma.
|
||
|
||
**3.** De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
|
||
|
||
**4.** Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
|
||
|
||
**5.** Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
**1.** De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het instituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het instituut stelselmatig toepast.
|
||
|
||
**2.** De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Het instituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van de integrale kostensystematiek, door:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen, en
|
||
b. b.
|
||
de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge onderdeel a berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge onderdeel a vastgestelde tarief.
|
||
|
||
**4.** In afwijking van het derde lid bepaalt het instituut de subsidiabele kosten van een programma voor wettelijke onderzoekstaken met behulp van door de minister voor het boekjaar vastgestelde normkosten.
|
||
|
||
### Paragraaf 2. Instituutssubsidie
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
**1.** De minister verstrekt op aanvraag instituutssubsidie aan een instituut voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een door de minister goedgekeurd strategisch plan.
|
||
|
||
**2.** Indien van toepassing maakt de minister uiterlijk op 1 augustus in bijlage 2 bij deze regeling per instituut het subsidieplafond bekend voor de instituutssubsidie in het aankomende boekjaar of de aankomende boekjaren.
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor subsidiabele kosten die gefinancierd kunnen worden uit een instituutssubsidie, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat:
|
||
|
||
het totale bedrag aan subsidies
|
||
|
||
a. a.
|
||
in het geval van niet economische activiteiten de subsidiabele kosten niet overschrijdt, en
|
||
b. b.
|
||
in het geval van economische activiteiten het op de activiteit van toepassing zijnde maximale steunpercentage niet overschrijdt.
|
||
|
||
### Paragraaf 3. Programmasubsidie
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
De minister verstrekt, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, op aanvraag programmasubsidie aan een instituut voor de uitvoering van
|
||
|
||
a. a.
|
||
onderzoeksprogramma’s met een bepaald onderzoeksthema, of
|
||
b. b.
|
||
programma’s voor wettelijke onderzoekstaken.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
**1.** Indien van toepassing maakt de minister uiterlijk op 1 augustus in bijlage 3 bij deze regeling de onderzoeksthema’s en de subsidieplafonds bekend voor de programmasubsidies in het aankomende boekjaar of de aankomende boekjaren.
|
||
|
||
**2.** De minister stelt een subsidieplafond vast voor een instituut binnen een bepaald onderzoeksprogramma met een bepaald onderzoeksthema, of programma voor wettelijke onderzoekstaken.
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
De activiteiten die vanuit een programmasubsidie gesubsidieerd worden, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan.
|
||
|
||
### Artikel 14
|
||
|
||
**1.** Het instituut verschaft op verzoek van de minister inlichtingen over de voortgang van een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend.
|
||
|
||
**2.** Het programma wordt volledig uitgevoerd overeenkomstig het activiteitenplan waar de beschikking tot subsidieverlening op ziet.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Het instituut doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de subsidiabele activiteiten van een programma niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of
|
||
b. b.
|
||
niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de programmasubsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
|
||
|
||
### Artikel 15
|
||
|
||
**1.** Het instituut vraagt voorafgaand schriftelijk toestemming aan de minister indien er sprake is van essentiële wijzigingen in de aard of uitvoering van een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend.
|
||
|
||
**2.** De minister kan nadere verplichtingen verbinden aan zijn toestemming.
|
||
|
||
**3.** Geen toestemming is vereist voor een wijziging van de in de subsidieverlening gespecificeerde kostenposten indien de omvang van de kostenpost niet meer dan 15 procent wijzigt.
|
||
|
||
### Artikel 16
|
||
|
||
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten van een activiteit in een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies:
|
||
|
||
a. a.
|
||
in het geval van niet-economische activiteiten de subsidiabele kosten niet overschrijdt, en
|
||
b. b.
|
||
in het geval van economische activiteiten het op de activiteit van toepassing zijnde maximale steunpercentage niet overschrijdt.
|
||
|
||
### Paragraaf 4. Infrastructuursubsidie
|
||
|
||
### Artikel 17
|
||
|
||
**1.** De minister verstrekt, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, op aanvraag infrastructuursubsidie aan een instituut.
|
||
|
||
**2.** Indien van toepassing maakt de minister uiterlijk op 1 augustus in bijlage 4 bij deze regeling per instituut het subsidieplafond bekend voor infrastructuursubsidie in het aankomende boekjaar of de aankomende boekjaren.
|
||
|
||
### Artikel 18
|
||
|
||
**1.** De infrastructuursubsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover het instituut bij het verrichten van economische activiteiten waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend, voldoet aan artikel 29, derde lid.
|
||
|
||
**2.** Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor subsidiabele kosten die gefinancierd kunnen worden uit een infrastructuursubsidie, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies de subsidiabele kosten niet overschrijdt.
|
||
|
||
### Paragraaf 5. Afwijzingsgronden
|
||
|
||
### Artikel 19
|
||
|
||
De minister wijst een aanvraag om subsidie af indien de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels.
|
||
|
||
### Artikel 20
|
||
|
||
De minister wijst een aanvraag om subsidie af voor zover:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het activiteitenplan niet voldoende aansluit bij de doelstellingen van het strategisch plan;
|
||
b. b.
|
||
het activiteitenplan onvoldoende aansluit bij de definitie van instituut in artikel 1 en de vereisten en activiteiten waaraan in deze definitie wordt gerefereerd;
|
||
c. c.
|
||
de activiteiten in een onderzoeksprogramma met voldoende diepgang door de markt kunnen worden opgepakt;
|
||
d. d.
|
||
de activiteiten in een onderzoeksprogramma onvoldoende aansluiten bij een hieraan verbonden onderzoeksthema;
|
||
e. e.
|
||
de activiteiten in een onderzoeksprogramma onvoldoende bijdragen aan de onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen van de minister.
|
||
|
||
### Paragraaf 6. Subsidieverplichtingen
|
||
|
||
#### Paragraaf 6.1. Algemeen
|
||
|
||
### Artikel 21
|
||
|
||
Artikel 4:65 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor financiële bijstand bij de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds.
|
||
|
||
### Artikel 22
|
||
|
||
**1.** Een instituut maakt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt openbaar, voor zover hierop geen intellectuele eigendomsrechten zijn of zullen worden gevestigd.
|
||
|
||
**2.** Een instituut stelt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt waarop intellectuele eigendomsrechten rusten beschikbaar aan derden tegen redelijke tarieven en voorwaarden. Indien een derde een onderneming is, geldt als redelijk tarief de marktprijs, berekend overeenkomstig artikel 27, derde lid.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde, de openbare veiligheid, of indien er sprake is van een bedrijfsgeheim:
|
||
|
||
a. a.
|
||
besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden, of
|
||
b. b.
|
||
op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||
|
||
**4.** Indien het instituut vermoedt dat resultaten van dien aard zijn dat gebruik gemaakt kan worden van de uitzondering, bedoeld in het derde lid, informeert het instituut de minister en de minister die het mede aangaat ten minste twee weken voor openbaarmaking of beschikbaarstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid.
|
||
|
||
**5.** Indien de betrokken minister voornemens is te reageren op de voorgenomen openbaarmaking of beschikbaarstelling, stelt hij het instituut hiervan binnen twee weken na ontvangst van het voornemen in kennis. Het instituut gaat niet over tot openbaarmaking of beschikbaarstelling totdat het de reactie van de minister heeft ontvangen.
|
||
|
||
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, worden de regels voor openbaarmaking van resultaten die voortvloeien uit programma’s voor wettelijke onderzoekstaken die gefinancierd zijn met programmasubsidie, vastgelegd in het desbetreffende programma overeenkomstig de aanwijzingen van de minister die het aangaat.
|
||
|
||
### Artikel 23
|
||
|
||
Indien een instituut inkomsten verwerft uit activiteiten die met instituutssubsidie zijn bekostigd, worden deze uitsluitend ingezet onder dezelfde voorwaarden als instituutssubsidie.
|
||
|
||
### Artikel 24
|
||
|
||
Het instituut vraagt voorafgaand schriftelijk toestemming aan de minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen b, i en j, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||
|
||
#### Paragraaf 6.2. Staatssteun
|
||
|
||
### Artikel 25
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Het is verboden instituutssubsidie aan te wenden voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de financiering of het verrichten van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdelen a, c, en d, en
|
||
b. b.
|
||
de financiering van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Het is verboden programmasubsidie aan te wenden voor:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de financiering van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor onderzoeksprogramma’s als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, en
|
||
b. b.
|
||
de financiering of het verrichten van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor programma’s voor wettelijke onderzoekstaken als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel b.
|
||
|
||
**3.** Het is verboden infrastructuursubsidie aan te wenden voor de financiering van economische activiteiten door het instituut.
|
||
|
||
### Artikel 26
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Voor zover het instituut personeel, apparatuur of andere faciliteiten ter beschikking stelt aan een derde, anders dan in de vorm van een samenwerking als bedoeld in artikel 27, of door middel van het verrichten van economische activiteiten als bedoeld in artikel 28, brengt het instituut:
|
||
|
||
a. a.
|
||
indien er sprake is van niet-economische activiteiten, de kosten in rekening die samenhangen met het gebruik van deze middelen, en
|
||
b. b.
|
||
indien er sprake is van economische activiteiten, de marktprijs in rekening, berekend overeenkomstig het tarief, bedoeld in artikel 28.
|
||
|
||
**2.** Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 27
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Indien een instituut deelneemt aan een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
sluiten de deelnemers voorafgaand aan het project een overeenkomst over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten, en
|
||
b. b.
|
||
draagt het instituut er zorg voor dat:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen;
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van het instituut voortvloeien, volledig aan hem worden toegekend;
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of
|
||
|
||
|
||
4°.
|
||
het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
|
||
1°. 1°.
|
||
de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen;
|
||
2°. 2°.
|
||
de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van het instituut voortvloeien, volledig aan hem worden toegekend;
|
||
3°. 3°.
|
||
uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of
|
||
4°. 4°.
|
||
het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
|
||
|
||
**2.** Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van het instituut die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, in mindering worden gebracht.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, stemt overeen met de marktprijs indien:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
|
||
b. b.
|
||
een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
|
||
c. c.
|
||
het instituut als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt afgesloten, of
|
||
d. d.
|
||
in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door het instituut gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor het instituut het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
|
||
|
||
**4.** De voorwaarden van een contract, overeengekomen op grond van het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
|
||
|
||
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere activiteiten die een instituut verricht in samenwerking met ondernemingen, voor zover deze activiteiten van het instituut worden gefinancierd door subsidies van een ander bestuursorgaan of financiële bijstand ontvangen van de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds.
|
||
|
||
### Artikel 28
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Indien een instituut economische activiteiten verricht in de vorm van contractonderzoek of in de vorm van een onderzoeksdienst aan een onderneming, draagt het instituut er zorg voor dat het:
|
||
|
||
a. a.
|
||
zijn onderzoeksdienst of contractonderzoek verricht tegen het markttarief, of
|
||
b. b.
|
||
wanneer er geen markttarief is, zijn onderzoeksdienst of contractonderzoek verricht tegen een tarief dat:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
de volledige kosten van de dienst weergeeft en in het algemeen een marge omvat die is vastgesteld aan de hand van de marges die doorgaans worden gehanteerd door ondernemingen die in de sector van de betrokken dienst actief zijn, of
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
de uitkomst is van onderhandelingen, waarbij het instituut, in zijn hoedanigheid van dienstverrichter, onderhandelt om het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt afgesloten en ten minste haar marginale kosten gedekt zijn.
|
||
1°. 1°.
|
||
de volledige kosten van de dienst weergeeft en in het algemeen een marge omvat die is vastgesteld aan de hand van de marges die doorgaans worden gehanteerd door ondernemingen die in de sector van de betrokken dienst actief zijn, of
|
||
2°. 2°.
|
||
de uitkomst is van onderhandelingen, waarbij het instituut, in zijn hoedanigheid van dienstverrichter, onderhandelt om het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt afgesloten en ten minste haar marginale kosten gedekt zijn.
|
||
|
||
**2.** De uitkomst van onderhandelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2 °, wijken niet af van uitkomsten die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
|
||
|
||
**3.** Wanneer de eigendom van of de toegangsrechten tot intellectuele eigendomsrechten bij het instituut blijven berusten, mag de marktwaarde daarvan in mindering worden gebracht op de voor de betrokken economische activiteiten verschuldigde prijs.
|
||
|
||
### Artikel 29
|
||
|
||
**1.** Bij het verrichten van economische activiteiten neemt het instituut de verplichtingen in acht die van toepassing zijn op grond van artikel 107, derde lid, onderdelen b, c en e, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en daarop gebaseerde kaders, mededelingen en andere richtsnoeren van de Europese Commissie evenals de verordeningen, bedoeld in de artikelen 108, vierde lid, en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Bij de nakoming van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, past het instituut, indien er sprake is van economische activiteiten die gefinancierd zijn met instituutssubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, of programmasubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor een onderzoeksprogramma als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, één van de volgende methoden toe:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de totale omvang van economische activiteiten die door het instituut worden ontplooid, bedraagt voor het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent van:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
|
||
1°. 1°.
|
||
het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
|
||
2°. 2°.
|
||
de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
|
||
b. b.
|
||
de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening of de visserijvrijstellingsverordening, of
|
||
c. c.
|
||
de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan een voorafgaande goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor de steunmaatregel die het instituut heeft ingesteld.
|
||
|
||
**3.** Indien er sprake is van economische activiteiten op een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur die gefinancierd is met infrastructuursubsidie, voldoet het instituut aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de economische activiteiten die op die afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur worden ontplooid, in het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent bedragen van het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur in dat boekjaar in werking is geweest.
|
||
|
||
**4.** Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, zijn alleen toepasbaar voor zover de economische activiteiten die in dit kader worden verricht zuiver ondersteunend blijven, doordat precies dezelfde input wordt gebruikt als voor de niet-economische activiteiten.
|
||
|
||
**5.** Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de verslaglegging als bedoeld in artikel 11 van Verordening 651/2014, artikel 11 van de landbouwvrijstellingsverordening of artikel 11 van de visserijvrijstellingsverordening.
|
||
|
||
**6.** Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel c, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de aanmelding overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
|
||
|
||
**7.** Het instituut verstrekt alle benodigde informatie aan de minister om de verslaglegging of aanmelding op effectieve wijze te kunnen verrichten. De minister informeert het instituut over de verslaglegging of aanmelding.
|
||
|
||
### Artikel 30
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Het instituut voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;
|
||
b. b.
|
||
de rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen kosten;
|
||
c. c.
|
||
het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;
|
||
d. d.
|
||
het aantal uren dat per persoon is besteed aan de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, en
|
||
e. e.
|
||
de berekening en samenstelling van het tarief, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a.
|
||
|
||
**2.** De inrichting van de administratie sluit aan bij de bij de aanvraag ingediende begroting en activiteitenplan.
|
||
|
||
**3.** Ter zake van de loonkosten is een door middel van een urenadministratie vastgestelde urenverantwoording aanwezig.
|
||
|
||
**4.** In de administratie wordt een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten die het instituut uitoefent en de kosten en de financiering hiervan.
|
||
|
||
**5.** In de administratie wordt de methode verwerkt die overeenkomstig artikel 29, tweede en derde lid, is toegepast door het instituut overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit de kaders, bedoeld in artikel 29, eerste lid.
|
||
|
||
### Artikel 31
|
||
|
||
**1.** Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de instituutssubsidie die is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, te vermenigvuldigen met 0,5.
|
||
|
||
**2.** Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor een bepaald onderzoeksprogramma is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de programmasubsidie die voor dat onderzoeksprogramma is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, te vermenigvuldigen met 0,6.
|
||
|
||
**3.** Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, derde lid, voor een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de infrastructuursubsidie die voor die onderzoeksinfrastructuur is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, derde lid, te vermenigvuldigen met 0,5.
|
||
|
||
**4.** Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen niet of slechts gedeeltelijk voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening, de visserijvrijstellingsverordening of aan de vereisten verbonden aan de goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, informeert het instituut de minister over deze overtreding en geeft daarbij de omvang weer van het bedrag dat niet in overeenstemming is met de vereisten en het boekjaar waarin deze overtreding heeft plaatsgevonden.
|
||
|
||
**5.** Bij de toepassing van artikel 7 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies op grond van de informatie, bedoeld in het vierde lid, kan de minister overgaan tot verrekening met de verstrekte subsidie in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan. De minister doet daarvan uitdrukkelijk mededeling in de beschikking tot subsidievaststelling en maakt deze verrekening openbaar.
|
||
|
||
#### Paragraaf 6.3. Derivaten
|
||
|
||
### Artikel 32
|
||
|
||
**1.** Een instituut sluit geen overeenkomsten af inzake financiële instrumenten, als bedoeld in artikel 1.1, onderdelen d tot en met j, van de Wet op het financieel toezicht.
|
||
|
||
**2.** Een instituut handelt niet als financiële onderneming.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In afwijking van het eerste lid mag een instituut een overeenkomst inzake derivaten afsluiten, voor zover deze past binnen de definitie van financieel instrument, onderdeel d, van de Wet op het financieel toezicht en betrekking heeft op:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het beperken van opwaartse renterisico’s van variabele leningen door middel van een renteswap of rentecap, of
|
||
b. b.
|
||
het beperken van valutarisico’s door schommelingen in wisselkoersen door middel van een valutatermijncontract of valutaoptie.
|
||
|
||
### Artikel 33
|
||
|
||
Een instituut dat derivaten aanhoudt, draagt er zorg voor dat:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de wijze waarop en de mate waarin derivaten worden aangehouden, bijdraagt aan het beperken van renterisico’s of valutarisico’s bij het financiële beleid en beheer;
|
||
b. b.
|
||
de interne organisatiestructuur zodanig ingericht is dat het instituut overeenkomsten inzake derivaten op een verantwoorde wijze af kan sluiten en derivaten op een verantwoorde wijze kan gebruiken;
|
||
c. c.
|
||
voldoende interne professionaliteit aanwezig is in de organisatie met betrekking tot derivaten, ook binnen het orgaan waaraan het toezicht op het bestuur is opgedragen, en;
|
||
d. d.
|
||
beheersingsstructuren aanwezig zijn rond de risico’s van derivaten.
|
||
|
||
### Artikel 34
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Een instituut sluit een overeenkomst inzake een derivaat slechts af met een financiële onderneming die:
|
||
|
||
a. a.
|
||
beschikt over een kredietwaardigheidsoordeel hoger dan A of een kredietwaardigheidsoordeel dat daaraan gelijkwaardig is, en
|
||
b. b.
|
||
beschikt, indien het kredietwaardigheidsoordeel op het niveau A is, over een kredietwaardigheidsvoorspelling voor de korte termijn, die minimaal neutraal is.
|
||
|
||
**2.** Het kredietwaardigheidsoordeel, bedoeld in het tweede lid, betreft een kredietwaardigheidsoordeel met betrekking tot de Baseline Credit Assessment.
|
||
|
||
**3.** De financiële onderneming beschikt over verklaringen van twee kredietbeoordelingsbureaus, waaruit blijkt dat de financiële onderneming voldoet aan de eisen opgenomen in het tweede lid.
|
||
|
||
### Artikel 35
|
||
|
||
Een instituut sluit geen overeenkomsten inzake derivaten af waarin:
|
||
|
||
a. a.
|
||
clausules zijn opgenomen die op enigerlei wijze de uitvoering van het toezicht op het instituut kunnen belemmeren;
|
||
b. b.
|
||
additionele eenzijdige opzeggingsmogelijkheden vanuit de financiële onderneming zijn opgenomen;
|
||
c. c.
|
||
een verplichting tot onderpand voor het instituut is opgenomen.
|
||
|
||
### Artikel 36
|
||
|
||
**1.** Een overeenkomst inzake derivaten wordt pas afgesloten vanaf het moment dat een onderliggende financiële verplichting is aangegaan.
|
||
|
||
**2.** De tegenwaarde van derivaat is niet groter dan de financiële verplichting, bedoeld in het eerste lid.
|
||
|
||
**3.** Derivaten hebben geen langere looptijd dan de financiële verplichting, bedoeld in het eerste lid.
|
||
|
||
**4.** De maximale looptijd van een derivaat is het lopende jaar opgeteld met negen daarop volgende kalenderjaren.
|
||
|
||
**5.** De minister kan op aanvraag van het instituut ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.
|
||
|
||
### Artikel 37
|
||
|
||
Een instituut dat derivaten aanhoudt, verantwoordt zich hierover in zijn jaarverslag op een transparante, complete en inzichtelijke wijze.
|
||
|
||
### Artikel 38
|
||
|
||
**1.** Een instituut dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling een of meerdere derivaten aanhoudt met clausules die niet in overeenstemming zijn met de verplichtingen opgenomen in deze paragraaf, stelt een plan van aanpak vast om deze derivaten binnen een redelijkerwijs haalbaar te achten termijn af te bouwen en stuurt dit naar de minister.
|
||
|
||
**2.** De minister kan, binnen vier weken nadat hij het plan heeft ontvangen, nadere eisen stellen aan het plan van aanpak en de te hanteren termijn voor de afbouw van de derivatenportefeuille, bedoeld in het eerste lid.
|
||
|
||
**3.** Indien de minister nadere eisen heeft gesteld, stelt het instituut een nieuw plan van aanpak vast met inachtneming van deze eisen.
|
||
|
||
### Paragraaf 7. Begrotingsvoorbehoud
|
||
|
||
### Artikel 39
|
||
|
||
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||
|
||
### Paragraaf 8. Bevoorschotting
|
||
|
||
### Artikel 40
|
||
|
||
**1.** De minister verstrekt ambtshalve voorschotten voor instituutssubsidie, programmasubsidie en infrastructuursubsidie.
|
||
|
||
**2.** De minister verstrekt het eerste voorschot ambtshalve uiterlijk de tweede week na aanvang van het boekjaar.
|
||
|
||
**3.** De volgende voorschotten worden telkens ambtshalve verstrekt binnen twee weken na aanvang van het volgende kwartaal.
|
||
|
||
**4.** De hoogte van een voorschot wordt bepaald door het bedrag dat op basis van een bepaald subsidieplafond is verleend voor een subsidiabele activiteit, te delen door het aantal voorschotmomenten tijdens de gehele aan die activiteit verbonden subsidieperiode.
|
||
|
||
### Paragraaf 9. Subsidievaststelling
|
||
|
||
### Artikel 41
|
||
|
||
**1.** Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
|
||
|
||
**2.** De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
|
||
|
||
**3.** Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd.
|
||
|
||
### Artikel 42
|
||
|
||
**1.** De opdracht, bedoeld in artikel 4:78, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht strekt tevens tot onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.
|
||
|
||
**2.** Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig het controleprotocol, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
|
||
|
||
### Artikel 43
|
||
|
||
**1.** Indien in een bepaald boekjaar meer of minder subsidiabele kosten worden gemaakt dan waarvoor subsidie is verleend, waardoor er sprake is van een tekort of een overschot aan subsidie, worden de oorzaken en de gevolgen hiervan toegelicht in de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 4:74 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||
|
||
**2.** Van een verwacht tekort of overschot aan subsidie in een bepaald boekjaar wordt melding gemaakt bij de aanvraag van subsidie voor het hierop volgende boekjaar.
|
||
|
||
**3.** Een tekort aan subsidie komt, voor zover het meer is dan vijf procent van de verleende subsidie voor een bepaald boekjaar, voor rekening van het instituut.
|
||
|
||
**4.** Een overschot aan subsidie wordt, voor zover het meer is dan vijf procent van de verleende subsidie voor een bepaald boekjaar, in mindering gebracht op de hoogte van de subsidie in het hierop volgende boekjaar.
|
||
|
||
**5.** De hoogte van de subsidie voor een bepaald boekjaar wordt niet hoger vastgesteld dan in de beschikking tot subsidieverlening in dat boekjaar is bepaald.
|
||
|
||
**6.** Een in een bepaald boekjaar behaald overschot wordt in het daarop volgende boekjaar ingezet.
|
||
|
||
**7.** Indien niet voldaan wordt aan het zesde lid, wordt het overschot in mindering gebracht op de hoogte van de subsidie in het hierop volgende boekjaar.
|
||
|
||
**8.** De minister kan op aanvraag van het instituut besluiten het zevende lid in een bepaald boekjaar niet toe te passen indien het aannemelijk is dat de subsidiabele kosten alsnog zullen worden gemaakt in het daaropvolgende boekjaar.
|
||
|
||
### Artikel 43a
|
||
|
||
Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend en de betreffende subsidiabele activiteiten moesten niet in het voorgaande boekjaar worden afgerond, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken na het verstrekken van de gegevens bedoeld in artikel 4:67, tweede lid, van de algemene wet bestuursrecht.
|
||
|
||
### Paragraaf 10. Evaluatie
|
||
|
||
### Artikel 44
|
||
|
||
**1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
|
||
|
||
**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
|
||
|
||
### Paragraaf 11. Slotbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 45
|
||
|
||
**1.** Deze regeling is niet van toepassing op subsidies die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Op subsidies als bedoeld in het eerste lid, die zijn verleend of vastgesteld op grond van:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de Regeling subsidie Stichting Landbouwkundig Onderzoek, of
|
||
b. b.
|
||
de Subsidieregeling NLR, blijft de oude regeling van toepassing zoals deze gold onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.
|
||
|
||
**3.** In afwijking van de artikelen 3 en 9, eerste lid, geldt als strategisch plan voor de boekjaren 2018 tot en met 2021 het strategisch plan van het instituut, zoals dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is opgesteld en ter beschikking is gesteld aan de minister en dat op die boekjaren van toepassing is.
|
||
|
||
### Artikel 46
|
||
|
||
De volgende regelingen worden ingetrokken:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de Regeling subsidie Stichting Landbouwkundig Onderzoek, en
|
||
b. b.
|
||
de Subsidieregeling NLR.
|
||
|
||
### Artikel 47
|
||
|
||
Deze regeling vervalt met ingang van 1 april 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
|
||
|
||
### Artikel 48
|
||
|
||
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2018.
|
||
|
||
### Artikel 49
|
||
|
||
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.
|
||
|
||
## Bijlage 1. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 2. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 3. behorende bij
|
||
|
||
Deltares richt zich op de onderzoeksthema’s die omschreven staan in deze tabel, en de WOT, beschreven in bijlage 1, waarbij de programmasubsidie als volgt wordt verdeeld.
|
||
|
||
MARIN richt zich op de onderzoeksthema’s die omschreven staan in deze tabel waarbij de programmasubsidie als volgt wordt verdeeld.
|
||
|
||
NLR richt zich op de onderzoeksthema’s die omschreven staan in deze tabel waarbij de programmasubsidie als volgt wordt verdeeld.
|
||
|
||
Wageningen Research richt zich op de onderzoeksthema’s die omschreven staan in tabel 4a, en de WOT, beschreven in bijlage 1, waarbij de programmasubsidie wordt verdeeld zoals in tabel 4b omschreven.
|
||
|
||
## Bijlage 4. behorende bij
|
||
|
||
## Bijlage 5. behorende bij
|