rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-milieugerichte-technologie-2001/BWBR0012038/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

61 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001 BWBR0012038 ministeriele-regeling geldend 2001-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012038 Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001

Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. Subsidie kan worden verstrekt, indien de subsidieaanvrager in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert dat, mede gelet op in het tweede lid genoemde aspecten, voorzover deze van toepassing zijn, naar het oordeel van de minister bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen van een subsidieprogramma als bedoeld in deze regeling.

2.

De aspecten, bedoeld in het eerste lid, zijn ten minste:

a. a. de milieuverdienste; b. b. de kosten van het project; c. c. de oorspronkelijkheid van het project; d. d. de slaagkans van het project; e. e. de hoeveelheid relevante informatie die door uitvoering van het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; f. f. de doelmatigheid waarmee door middel van het project kennis kan worden verspreid; g. g. de toepassingsmogelijkheden van producten, apparaten, systemen of technieken, waarop het project betrekking heeft en de markt daarvoor; h. h. het belang van het project voor andere gepubliceerde doelstellingen van de overheid.

Artikel 3

1.

Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen:

a. a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de subsidieaanvrager gemaakte en betaalde kosten:

        1º. 
        kosten van de aanschaf, uitsluitend ten behoeve van het project, van machines en apparatuur;
      
      
        2º. 
        loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking, gedeeld door 1600;
      
      
        3º. 
        kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
      
      
        4º. 
        een evenredig deel van de kosten van afschrijving van machines en apparatuur, die niet uitsluitend ten behoeve van het project zijn aangeschaft, berekend op basis van de historische aanschafwaarde, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van 5 jaar;
      
      
        5º. 
        aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verleende diensten en terzake van verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede terzake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
      
      
        6º. 
        reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten;

1º. 1º. kosten van de aanschaf, uitsluitend ten behoeve van het project, van machines en apparatuur; 2º. 2º. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking, gedeeld door 1600; 3º. 3º. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; 4º. 4º. een evenredig deel van de kosten van afschrijving van machines en apparatuur, die niet uitsluitend ten behoeve van het project zijn aangeschaft, berekend op basis van de historische aanschafwaarde, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van 5 jaar; 5º. 5º. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verleende diensten en terzake van verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede terzake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; 6º. 6º. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten; b. b. een opslag voor algemene kosten, groot 40% van de loonkosten, bedoeld in onderdeel a, onder 2°.

2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, kan de minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen, dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen.

3. Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen.

4. Indien het een demonstratieproject, een marktintroductieproject of een toepassingsproject betreft, worden uitsluitend kosten van die machines, apparatuur, materialen en hulpmiddelen in aanmerking genomen welke rechtstreeks van belang zijn voor de bescherming van het milieu.

Artikel 4

Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:

Artikel 5

De subsidie voor een project, vermeerderd met subsidies voor het desbetreffende project die uit anderen hoofde vanwege het Rijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn verstrekt, bedraagt niet meer dan het in artikel 4 voor dat project genoemde percentage van de subsidiabele kosten en genoemde maximaal subsidiebedrag.

Artikel 6

De subsidieontvanger is verplicht:

a. a. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor benodigde vergunningen en ontheffingen; b. b. indien de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen en ontheffingen niet zullen worden verkregen, daar de minister onmiddellijk van in kennis te stellen; c. c. indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, er voor zorg te dragen dat de binnen het project ontwikkelde eerste prototypen of proefprojecten niet worden aangewend voor industriële toepassingen of commerciële exploitatie; d. d. medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens, en e. e. indien het een fundamenteel onderzoeksproject, een haalbaarheidsproject, een industrieel onderzoeksproject of een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, aan te geven wat het effect is van de subsidie op de gebruikelijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten van de onderneming, tenzij het een kleine of middelgrote onderneming betreft overeenkomstig de geldende communautaire definitie of de subsidieontvanger geen ondernemer is in de zin van deze regeling.

Paragraaf 2. Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen 2001

Artikel 7

1. Het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen 2001 heeft als doel het ondersteunen van de realisatie van de reductiedoelstelling in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (kamerstukken II 1998/99, 22 603, nr. 1) op het terrein van de overige broeikasgassen, zijnde methaan (CH

2.

Een project komt voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject, demonstratieproject, marktintroductieproject, toepassingsproject of kennisoverdrachtproject betreft dat tot doel heeft het bevorderen, ontwikkelen en toepassen van grensverleggende technieken ter vermindering van de emissie van de overige broeikasgassen; b. b. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, demonstratieproject of kennisoverdrachtsproject betreft dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis over of het invoeren van good housekeeping maatregelen, mits deze bijdragen aan een vermindering van de emissie van de overige broeikasgassen, of c. c. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject, demonstratieproject, marktintroductieproject, toepassingsproject of kennisoverdrachtsproject betreft gericht op de ontwikkeling en implementatie van grensverleggende meettechnieken voor het bepalen van de omvang van de emissies van de overige broeikasgassen.

3.

Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject of pre-concurrentieel haalbaarheidsproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 20.000,-; b. b. het een industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 50.000,-; c. c. het een kennisoverdrachtsproject betreft waarbij geen brancheorganisatie betrokken is; d. d. het project niet volledig in Nederland wordt uitgevoerd, tenzij uit de aanvraag tot subsidieverlening blijkt dat:

        1º.
         het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd;
      
      
        2º.
         beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en
      
      
        3º.
         het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.

1º. 1º. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd; 2º. 2º. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en 3º. 3º. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.

4.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:

a. a. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van verschillende onderdelen van de bedrijfskolom; b. b. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van degenen die de beschikbaar komende technologie ontwikkelen en degenen die de beschikbaar komende technologie gebruiken.

5. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.

6. In afwijking van artikel 4 is het maximale subsidiebedrag voor:

7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 7.000.000,-.

9. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

10. Indien het een demonstratieproject, marktintroductieproject of toepassingsproject betreft, voegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling een onderzoeksrapport waaruit blijkt in hoeverre het project daadwerkelijk bijdraagt aan de vermindering van de emissie van de broeikasgassen waarop het project betrekking heeft.

11. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.

12. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 november 2001.

Paragraaf 3. Subsidieprogramma Milieu & Technologie 2001

Artikel 8

1. Het Subsidieprogramma Milieu & Technologie 2001 heeft als doel het bevorderen van de ontwikkeling, demonstratie en toepassing van innovatieve milieugerichte technologie.

2.

Een project komt voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject, demonstratieproject of kennisoverdrachtsproject betreft, dat betrekking heeft op:

        1º.
        de basismetaalindustrie;
      
      
        2º.
        de betonmortel- en betonproductenindustrie;
      
      
        3º.
         de chemische industrie;
      
      
        4º.
        de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen;
      
      
        5º.
        de metalectro-industrie;
      
      
        6º.
        de papier- en kartonindustrie;
      
      
        7º.
        de textiel- en tapijtindustrie,
      
      
        8º.
        de voedings- en genotmiddelenindustrie, of
      
      
        9º.
        de rubber- en kunststofindustrie, en

1º. 1º. de basismetaalindustrie; 2º. 2º. de betonmortel- en betonproductenindustrie; 3º. 3º. de chemische industrie; 4º. 4º. de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen; 5º. 5º. de metalectro-industrie; 6º. 6º. de papier- en kartonindustrie; 7º. 7º. de textiel- en tapijtindustrie, 8º. 8º. de voedings- en genotmiddelenindustrie, of 9º. 9º. de rubber- en kunststofindustrie, en b. b. het project betrekking heeft op ten minste één van de volgende milieuknelpunten:

        1º.
         emissies naar de lucht:
        
          
            van de verzurende stoffen NO_x, SO_2 of NH_3;
          
          
             van Vluchtige Organische Stoffen, toxische organische verbindingen, fijn en grof stof, zware metalen, fluoriden, ozon of koolmonoxide, of
          
          
            van stoffen die geuroverlast veroorzaken;
          
        
      
      
        2º.
        missies naar water:
        
          
             van fosfor- of stikstofverbindingen, of
          
          
            van toxische organische stoffen, zware metalen of kleurstoffen;
          
        
      
      
        3º.
        afvalbeheer:
        
          
            preventie of hergebruik van afvalstoffen;
          
        
      
      
        4º.
        grondstofgebruik:
        
          
             bestrijding van verdroging door besparing van grondwaterwinning en waterverbruik, alsmede door hergebruik van afvalwater.

1º. 1º. emissies naar de lucht:

            van de verzurende stoffen NO_x, SO_2 of NH_3;
          
          
             van Vluchtige Organische Stoffen, toxische organische verbindingen, fijn en grof stof, zware metalen, fluoriden, ozon of koolmonoxide, of
          
          
            van stoffen die geuroverlast veroorzaken;
  • van de verzurende stoffen NO_x, SO_2 of NH_3;

  • van Vluchtige Organische Stoffen, toxische organische verbindingen, fijn en grof stof, zware metalen, fluoriden, ozon of koolmonoxide, of

  • van stoffen die geuroverlast veroorzaken; 2º. 2º. missies naar water:

               van fosfor- of stikstofverbindingen, of
    
    
              van toxische organische stoffen, zware metalen of kleurstoffen;
    
  • van fosfor- of stikstofverbindingen, of

  • van toxische organische stoffen, zware metalen of kleurstoffen; 3º. 3º. afvalbeheer:

              preventie of hergebruik van afvalstoffen;
    
  • preventie of hergebruik van afvalstoffen; 4º. 4º. grondstofgebruik:

               bestrijding van verdroging door besparing van grondwaterwinning en waterverbruik, alsmede door hergebruik van afvalwater.
    
  • bestrijding van verdroging door besparing van grondwaterwinning en waterverbruik, alsmede door hergebruik van afvalwater.

3.

Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, dat betrekking heeft op innovatieve technologische vernieuwing van productieprocessen, niet zijnde end of pipe technologie, en b. b. het project zich richt op het bereiken van aanzienlijke verbeteringen in de milieu-efficiëntie binnen de doelgroep Industrie, zoals omschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 3 (Kamerstukken II 1997/98, 25 887, nr.1), waarbij het efficiënt gebruik van grondstoffen, energie en water centraal moet staan.

4.

Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, dat gericht is op het bevorderen van de toepassing van een duurzaam proces of product, dat nieuw is voor Nederland, en b. b. het project betrekking heeft op het analyseren en verkennen van marktkansen of marktbelemmeringen op niet-technisch terrein ten behoeve van een succesvolle marktintroductie van het beoogde duurzame proces of product.

5.

Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. het project betrekking heeft op de logistiek, de milieuzorg of de kwaliteitszorg; b. b. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 25.000,-; c. c. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 50.000,-, of d. d. het een kennisoverdrachtsproject betreft waarbij geen brancheorganisatie is betrokken.

6.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:

a. a. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van verschillende onderdelen van de bedrijfskolom; b. b. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van degenen die de beschikbaar komende technologie gebruiken, alsmede degenen die de beschikbaar komende technologie ontwikkelen, en c. c. voorzover er sprake is van een project als bedoeld in het tweede lid, de mate waarin een project bijdraagt aan het doelgroepenbeleid Milieu en Industrie van de overheid, zoals opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan 2.

7.

In afwijking van artikel 3:

a. a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek; b. b. worden, indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het vierde lid betreft, de kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1^o en 4^o, niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

8.

In afwijking van artikel 4:

a. a. is het maximale subsidiebedrag voor:

        1º.
        een industrieel haalbaarheidsproject: f 75.000,-;
      
      
        2º.
        een industrieel onderzoeksproject: f 750.000,-;
      
      
        3º.
        een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het tweede of derde lid: f 75.000,-;
      
      
        4º.
        een preconcurrentieel ontwikkelingsproject: f 750.000,-;
      
      
        5º.
         een demonstratieproject: f 500.000,-;

1º. 1º. een industrieel haalbaarheidsproject: f 75.000,-; 2º. 2º. een industrieel onderzoeksproject: f 750.000,-; 3º. 3º. een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het tweede of derde lid: f 75.000,-; 4º. 4º. een preconcurrentieel ontwikkelingsproject: f 750.000,-; 5º. 5º. een demonstratieproject: f 500.000,-; b. b. is het maximale subsidiepercentage voor een kennisoverdrachtsproject: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 25.000,-.

9. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 12.000.000,-.

11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening geldt.

12. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.

13. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 november 2001.

Paragraaf 4. Subsidieprogramma Reductie Luchtemissies Bedrijven 2001

Artikel 9

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2. Het Subsidieprogramma Reductie Luchtemissies Bedrijven 2001 heeft als doel het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van grensverleggende technieken ter vermindering van de luchtverontreinigende emissies van stationaire bedrijfsprocessen en verbrandingsinstallaties, welke kunnen bijdragen aan een significante emissiereductie in de periode tot 2010.

3.

Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het betreft:

a. a. een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject, gericht op de ontwikkeling of toepassing van een nieuw energieconversiesysteem waarmee een reductie wordt bereikt van:

        1º.
        een NO_x-emissie van minimaal 50% ten opzichte van de referentiesituatie, en
      
      
        2º.
        een CO_2-emissie van minimaal 5% ten opzichte van de referentiesituatie;

1º. 1º. een NO_x-emissie van minimaal 50% ten opzichte van de referentiesituatie, en 2º. 2º. een CO_2-emissie van minimaal 5% ten opzichte van de referentiesituatie; b. b. een preconcurrentieel ontwikkelingsproject op het gebied van biologische reductie van NO_x gecombineerd met een reductie van SO_2 en fijn stof bij verbrandings- of procesinstallaties met een afgasdebiet van meer dan 10.000 m^3 /uur, gericht op de realisering van een NO_x-reductie die gebaseerd is op een ontwerpwaarde van ten minste 70% bij representatieve bedrijfscondities; c. c. een demonstratieproject op het gebied van biologische NO_x-reductie bij verbrandings- of procesinstallaties, gericht op de realisering van een NO_x-reductie die gebaseerd is op een ontwerpwaarde van ten minste 70% bij representatieve bedrijfscondities; d. d. een marktintroductieproject op het gebied van NO_x-reductie bij verbrandings- of procesinstallaties met een vermogen groter dan 10 MW_th, gebaseerd op de onderste verbrandingswaarde van brandstofinput, uitgezonderd installaties voor de conversie van biomassa in energie, en:

        1º.
         het project bij representatieve bedrijfscondities gericht is op:
        
          
            een NO_x-reductie van ten minste 80% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve katalytische reductie, of
          
          
            een NO_x-reductie van ten minste 60% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve niet-katalytische reductie, en
          
        
      
      
        2º.
         waarbij een restemissie van NO_x-equivalenten wordt gerealiseerd van ten hoogste:
        
          
            20 g/GJ bij verbranding van gasvormige brandstoffen, of
          
          
             35 g/GJ bij verbranding van vloeibare of vaste brandstoffen, en
          
        
      
      
        3º.
         de installatie uiterlijk 1 januari 2003 in werking is;

1º. 1º. het project bij representatieve bedrijfscondities gericht is op:

            een NO_x-reductie van ten minste 80% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve katalytische reductie, of
          
          
            een NO_x-reductie van ten minste 60% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve niet-katalytische reductie, en
  • een NO_x-reductie van ten minste 80% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve katalytische reductie, of

  • een NO_x-reductie van ten minste 60% als ontwerpwaarde door toepassing van selectieve niet-katalytische reductie, en 2º. 2º. waarbij een restemissie van NO_x-equivalenten wordt gerealiseerd van ten hoogste:

              20 g/GJ bij verbranding van gasvormige brandstoffen, of
    
    
               35 g/GJ bij verbranding van vloeibare of vaste brandstoffen, en
    
  • 20 g/GJ bij verbranding van gasvormige brandstoffen, of

  • 35 g/GJ bij verbranding van vloeibare of vaste brandstoffen, en 3º. 3º. de installatie uiterlijk 1 januari 2003 in werking is; e. e. een demonstratieproject of marktintroductieproject op het gebied van NO_x-reductie bij installaties voor de conversie van biomassa in energie:

          1º.
          waarvan het totaal energetisch rendement (in elektrisch-equivalenten) groter is dan 30%, en
    
    
          2º.
          dat gericht is op een restemissie van NO_x-equivalenten van ten hoogste 100 mg/m^3 als ontwerpwaarde bij representatieve bedrijfscondities en een zuurstofpercentage in de rookgassen van 11%;
    

1º. 1º. waarvan het totaal energetisch rendement (in elektrisch-equivalenten) groter is dan 30%, en 2º. 2º. dat gericht is op een restemissie van NO_x-equivalenten van ten hoogste 100 mg/m^3 als ontwerpwaarde bij representatieve bedrijfscondities en een zuurstofpercentage in de rookgassen van 11%; f. f. een preconcurrentieel haalbaarheidsproject ter voorbereiding op een demonstratieproject als bedoeld in onderdeel c of e, of een marktintroductieproject als bedoeld in onderdeel d of e, waarbij het een installatie betreft met een vermogen groter dan 10 MW_th (gebaseerd op de onderste verbrandingswaarde van brandstofinput), of g. g. een industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject, op het gebied van NO_x- reductie bij warmtekrachtinstallaties:

        1º.
         met een restemissie van ten hoogste 20 gr/GJ, uitgedrukt in NO_x-equivalenten, en
      
      
        2º.
         waarvan het totaal energetisch rendement (in elektrisch-equivalenten) groter is dan 58%.

1º. 1º. met een restemissie van ten hoogste 20 gr/GJ, uitgedrukt in NO_x-equivalenten, en 2º. 2º. waarvan het totaal energetisch rendement (in elektrisch-equivalenten) groter is dan 58%.

4.

Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien het project niet volledig in Nederland wordt uitgevoerd, tenzij uit de aanvraag tot subsidieverlening blijkt dat:

a. a. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd; b. b. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en c. c. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.

5. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten, met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare systematiek.

6. In afwijking van artikel 4 bedraagt het maximale subsidiebedrag voor een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het derde lid, onder f, f 50.000,-.

7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 3.000.000,-.

9. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

10.

De subsidieontvanger is verplicht:

a. a. indien het een demonstratieproject als bedoeld in het derde lid, onder c, of een marktintroductieproject als bedoeld in het derde lid, onder d, betreft, er voor zorg te dragen dat:

        1º.
        emissiemetingen worden verricht direct na ingebruikname van de desbetreffende installatie en na 10.000 bedrijfsuren doch uiterlijk 18 maanden na ingebruikname van de installatie, en
      
      
        2º.
         de meetgegevens worden geregistreerd en over de resultaten van die metingen wordt gerapporteerd overeenkomstig het bepaalde in de beschikking tot subsidieverlening;

1º. 1º. emissiemetingen worden verricht direct na ingebruikname van de desbetreffende installatie en na 10.000 bedrijfsuren doch uiterlijk 18 maanden na ingebruikname van de installatie, en 2º. 2º. de meetgegevens worden geregistreerd en over de resultaten van die metingen wordt gerapporteerd overeenkomstig het bepaalde in de beschikking tot subsidieverlening; b. b. indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject als bedoeld in het derde lid, onder b, of een demonstratieproject of marktintroductieproject als bedoeld in het derde lid, onder e, betreft, er voor zorg te dragen dat emissiemetingen worden verricht en de meetgegevens worden geregistreerd overeenkomstig het bepaalde in de beschikking tot subsidieverlening.

11. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoeks)instellingen, universiteiten en andere organisaties die niet tot de rijksoverheid behoren.

12. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 november 2001.

Paragraaf 5. Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2001

Artikel 10

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2001 heeft als doel het stimuleren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.

3.

Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:

a. a. personenauto's met een volledig elektrische aandrijving; b. b. personenauto's met een hybride aandrijving; c. c. personenauto's die:

        1º.
        door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
      
      
        2º.
        reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76);

1º. 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en 2º. 2º. reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76); d. d. bestelauto's met volledig elektrische aandrijving; e. e. bestelauto's met een hybride aandrijving; f. f. bestelauto's die:

        1º.
        door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en
      
      
        2º.
        reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°;

1º. 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en 2º. 2º. reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°; g. g. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L36); h. h. stads- en streekbussen, die:

        1º.
         zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
      
      
        2º.
        zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;

1º. 1º. zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en 2º. 2º. zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn; i. i. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor:

        1º.
        die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
      
      
        2º.
        die per kilometer ten minste 15% minder CO_2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;

1º. 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en 2º. 2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO_2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen; j. j. stads- of streekbussen, vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars die:

        1º.
        in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
      
      
        2º.
        die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn;

1º. 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en 2º. 2º. die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn; k. k. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars met een hybride aandrijving, die lokaal emissievrij kunnen rijden; l. l. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor die voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn; m. m. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn; n. n. vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor:

        1º.
        die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
      
      
        2º.
        die per kilometer ten minste 15% minder CO_2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;

1º. 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en 2º. 2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO_2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen; o. o. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem waarmee het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd met het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden; p. p. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij 30% minder CO_2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen onder dezelfde omstandigheden die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd; q. q. vaartuigen met een of meerdere aardgasmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig; r. r. vaartuigen met een of meerdere dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig, of s. s. elektrische bromfietsen, indien de elektrische bromfietsen in dit project dienen ter vervanging van door verbrandingsmotoren aangedreven wegvoertuigen.

4. Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.

5. Een wijziging van de richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de tegen de emissie van verontreinigende gassen door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG L36) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdelen g, h onder 2°, i onder 1°, j onder 1°, l, m en n, onder 1°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.

6.

Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien:

a. a. de een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft in welk kader eerste prototypen in de praktijk beproefd worden en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 200.000,-; b. b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 250.000,-; c. c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 1.000.000,-; d. d. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 25 personen- of bestelauto's met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem; e. e. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- of streekbussen, als bedoeld in het derde lid, of f. f. het een kennisoverdrachtsproject betreft met betrekking tot de overdracht van kennis die is opgedaan in projecten met mobiele bronnen waarvoor een bijdrage is toegekend op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma's en subsidieplafonds op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, de Regeling milieugerichte technologie 1999, of de onderhavige regeling, voor zover die kennisoverdracht niet reeds deel uitmaakte van die projecten., en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 50.000,-.

7.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:

a. a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing; b. b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.

8. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.

9. Kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, kunnen tot de subsidiabele kosten worden gerekend, indien zij zijn gemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 10.000.000,-.

11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

12. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op wegvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen, dan wel - ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft - de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen.

13. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door niet tot de rijksoverheid behorende aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken, bestemd voor de toepassing op mobiele bronnen. Kennisoverdrachtsprojecten kunnen tevens worden ingediend door bedrijven en instellingen die zich beroepsmatig met het overdragen van kennis bezighouden.

14. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 november 2001.

Paragraaf 6. Subsidieprogramma Hergebruik Afvalstoffen 2001 (PH'01)

Artikel 11

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. kunststofverpakkingsafval: afval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststofverpakkingen bestaat, met uitzondering van kunststofproductieafval dat vrijkomt bij de productie van kunststofverpakkingen en afvalstoffen zoals aangewezen in het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen; b. b. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens overeenkomstig artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; c. c. KWDI-bedrijven: bedrijven die vallen onder de CBS Standaard Bedrijven Indeling, klassen 2 en 3 en 6 tot en met 9; d. d. nuttige toepassing: het toepassen van afvalstoffen ten behoeve van producthergebruik, materiaalhergebruik en als brandstof indien de calorische waarde van de afvalstof groter is dan 11.500 kJoule per kg; e. e. kunststofregranulaat: kunststofkorrels die ontstaan door be- of (her)verwerking van kunststofverpakkingsafval.

2.

Het Subsidieprogramma Hergebruik van afvalstoffen 2001 (PH'01) heeft als doel:

a. a. het stimuleren van gescheiden inzamelen, aanleveren of sorteren van kunststofverpakkingsafval afkomstig van KWDI-bedrijven ten behoeve van nuttige toepassing; b. b. het stimuleren van sorteer- en (na)scheidingstechnieken van kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijk afval ten behoeve van nuttige toepassing; c. c. het stimuleren van het gebruik van kunststofregranulaat ten behoeve van nuttige toepassing.

3.

Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een demonstratieproject, marktintroductieproject of toepassingsproject betreft en het betrekking heeft op:

a. a. het gescheiden inzamelen, aanleveren of sorteren van kunststofverpakkingsafval, afkomstig uit de KWDI-sector ten behoeve van nuttige toepassing; b. b. het gebruik van sorteer- en (na)scheidingstechnieken van kunststofverpakkingsafval uit de fractie huishoudelijk afval ten behoeve van nuttige toepassing, of c. c. het gebruik van kunststofregranulaat ten behoeve van nuttige toepassing.

4.

Een project komt niet voor subsidie in aanmerking:

a. a. indien de subsidiabele kosten minder dan f 75.000,- bedragen, b. b. voor zover er door middel van het project voldaan wordt aan een wettelijke verplichting tot inzamelen van kunststofverpakkingsafval afkomstig uit de KWDI-sector en uit particuliere huishoudens.

5.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden door de minister naast de in artikel 2, tweede lid bedoelde aspecten betrokken:

a. a. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder a, de mate waarin als gevolg van het project het gescheiden inzamelen, aanleveren of sorteren van kunststofverpakkingsafval uit de KWDI-sector naar verwachting toeneemt, dan wel de efficiëntie daarvan wordt verbeterd; b. b. voor projecten bedoeld in het derde lid, onder b, de mate waarin als gevolg van het project nascheiden en aanleveren van kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijke afvalstromen ten behoeve van nuttige toepassing toeneemt; c. c. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder c, de mate waarin als gevolg van het project het gebruik van regranulaat ten behoeve van nuttige toepassing toeneemt; d. d. voor projecten zoals bedoeld in het derde lid, onder a, b en c, de mate waarin de gevraagde subsidie in evenredige verhouding staat tot de aard, omvang en beoogde resultaten van het beoogde project; e. e. de verwachting van de mate van levensvatbaarheid, marktconformiteit en rentabiliteit van de in het project toegepaste systemen of technieken; f. f. de mate waarin ten aanzien van het project samenwerking plaatsvindt tussen meerdere bedrijven, bij voorkeur tussen bedrijven die betrokken zijn bij de verschillende onderdelen van het (her)verwerkingsproces of tussen bedrijven die zich van kunststofverpakkingsafval ontdoen; g. g. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder c, dat projecten die zich richten op de inzet van regranulaat binnen dezelfde keten de voorkeur genieten boven projecten waarin dit niet gebeurt; h. h. de mate waarin en de wijze waarop binnen het project te behalen resultaten vooraf worden ingeschat; i. i. de mate waarin opschaling en bredere toepasbaarheid mogelijk is van de in het project toegepaste systemen of technieken.

6.

De maximale subsidiepercentages en maximale subsidiebedragen bedragen, in afwijking voor zover nodig van artikel 4, voor:

a. a. demonstratieprojecten: 35% van de subsidiabele kosten tot een maximaal subsidiebedrag van f 1.000.000,-; b. b. marktintroductieprojecten: 25% van de subsidiabele kosten tot een maximaal subsidiebedrag van f 1.000.000,-; c. c. toepassingsprojecten: 15% van de subsidiabele kosten tot een maximaal subsidiebedrag van f 500.000,-

7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 1.200.000,-.

9. Subsidieaanvragen worden gelijktijdig beoordeeld op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het subsidieprogramma.

10.

Een aanvraag kan worden ingediend:

a. a. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder a: door bedrijven, die zich van verpakkingsafval ontdoen, afzonderlijk of in samenwerking met andere bedrijven of door bedrijven die bedrijfsmatig kunststofverpakkingsafval inzamelen, afnemen dan wel be- of (her)verwerken, hetzij secundaire grondstoffen toepassen; b. b. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder b: door bedrijven die huishoudelijk afval be- of (her)verwerken; c. c. voor projecten als bedoeld in het derde lid, onder c: door bedrijven die bedrijfsmatig kunststofverpakkingsafval be- of (her)verwerken, hetzij secundaire grondstoffen toepassen.

11. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 25 september 2001.

Paragraaf 7. Subsidieprogramma productgerichte milieuzorg

Artikel 12

1. Het subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001 heeft als doel het stimuleren van de verdere ontwikkeling en verspreiding van productgerichte milieuzorgsystemen, gericht op continue verbetering en beheersing van de milieuprestaties van producten en diensten in de keten.

2.

Een project komt in aanmerking voor subsidie indien het:

a. a. een industrieel onderzoeksproject betreft; b. b. een toepassingsproject betreft, of c. c. een kennisoverdrachtproject betreft.

3.

Een project komt niet voor subsidieverlening in aanmerking indien:

a. a. de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 25.000,-; b. b. het project is gericht op kennisoverdracht, waarbij geen intermediaire organisatie is betrokken; c. c. het voor de desbetreffende projectcategorie beschikbare bedrag, genoemd in het negende lid, wordt overschreden, of d. d. op basis van de aspecten, genoemd in het vierde lid, wordt vastgesteld dat het project een naar het oordeel van de minister te geringe of onevenwichtige bijdrage levert aan de doelstelling van het subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001.

4.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:

a. a. de kosten van het project in relatie tot de kwaliteit en de beoogde resultaten ervan; b. b. de meerwaarde van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op:

        1º.
        de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
      
      
        2º.
        de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis;
      
      
        3º.
        het uitstralingseffect;
      
      
        4º.
        de voorbeeldwerking.

1º. 1º. de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; 2º. 2º. de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis; 3º. 3º. het uitstralingseffect; 4º. 4º. de voorbeeldwerking. c. c. de slaagkans van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op:

        1º.
        de opzet en aanpak, en
      
      
        2º.
        het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen;

1º. 1º. de opzet en aanpak, en 2º. 2º. het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen; d. d. de mate waarin sprake is van een systematische beheersstructuur, uitgaande van de drie kenmerken van productgerichte milieuzorg:

        1º.
        verankering door middel van een zorgsysteem;
      
      
        2º.
         continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en
      
      
        3º.
         betrokkenheid van partijen in de productketen.

1º. 1º. verankering door middel van een zorgsysteem; 2º. 2º. continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en 3º. 3º. betrokkenheid van partijen in de productketen.

5. Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 3°, 4° en 6°, is niet van toepassing op een project als bedoeld in het tweede lid.

6. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de aanvrager van subsidie geldende en controleerbare methodiek.

7.

De hoogte van het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:

a. a. een industrieel onderzoeksproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 125.000,-; b. b. een industrieel onderzoeksproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-; c. c. een toepassingsproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 75.000,-; d. d. een toepassingsproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 50.000,-, en e. e. een kennisoverdrachtproject: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-.

8. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.

9. Het subsidieplafond bedraagt voor het kalenderjaar 2001 f 2.300.000,- waarvan f 1.800.000,- beschikbaar is voor de industriesector en f 500.000,- voor de overige sectoren.

10. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de aanvrager tot subsidieverlening krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

11. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling, een intermediaire organisatie voor die ondernemingen of door een intermediaire organisatie voor andere ondernemingen.

12. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming Voor Energie en Milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend vóór 13 oktober 2001.

13. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.

Paragraaf 8. Subsidieprogramma klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers 2001

Artikel 13

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2. Het Subsidieprogramma klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers 2001 heeft als doel het bevorderen van het ontwerpen van ketens alsmede het tot stand brengen van formele allianties voor de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers.

3.

Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, gericht op de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers, waarbij:

a. a. de vorming van een formele alliantie wordt onderzocht; b. b. de hoofdlijnen van het ketenontwerp inzichtelijk worden gemaakt; c. c. de planning erop gericht is dat het preconcurrentieel haalbaarheidsproject voor mei 2002 is afgerond.

4. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien er geen partij bij betrokken is die de mogelijkheid en de capaciteit heeft de techniek grootschalig op de markt te introduceren.

5.

Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:

a a de mate waarin er sprake is van deelname aan het project van organisaties uit de te ontwerpen keten; b b de termijn waarop de voorgestelde keten grootschalig op de markt geïntroduceerd kan worden; c c de potentiële CO2 emissiebeperking op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast; e e de meerkosten per ton uitgespaarde CO2 op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast; f f de mate waarin de voorgestelde keten voorbereid is op nieuwe technologische, infrastructurele ontwikkelingen; g g de potentiële beperking van overige milieu-emissies, waaronder begrepen niet-CO2 emissies, op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast; h h de mate waarin concreet is gemaakt welke stappen nodig zijn om tot een succesvolle demonstratie te komen.

6. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht houdend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.

7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele projectkosten gerekend.

8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 1.000.000,-.

9. Aanvragen tot subsidieverlening worden gelijktijdig beoordeeld op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het subsidieprogramma.

10. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 13 oktober 2001.

11. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001.