rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-specifieke-uitkering-zero-emissiebussen-20222024/BWBR0045778/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

12 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling specifieke uitkering Zero Emissiebussen 20222024 BWBR0045778 ministeriele-regeling geldend 2024-04-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0045778 Tijdelijke regeling specifieke uitkering Zero Emissiebussen 20222024

Tijdelijke regeling specifieke uitkering Zero Emissiebussen 20222024

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bus: motorrijtuig, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, ingericht voor het openbaar vervoer acht of meer personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;
  • concessie: de concessie, bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, het regionaal openbaar busvervoer betreffend;
  • concessiehouder: de vergunninghoudende vervoerder, bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;
  • concessieverlener: het tot verlening van een concessie bevoegde gezag, bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;
  • dienstregeling: dienstregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;
  • gelede ZE-bus: ZE-bus, tevens een gelede bus als bedoeld in artikel 1 van de Regeling voertuigen;
  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • ontvanger: concessieverlener;
  • openbaar busvervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer met een bus volgens een dienstregeling;
  • ZE-bus: bus die bij gebruik geen koolstofdioxide of stikstofoxide uitstoot;
  • ZE-touringcar: ZE-bus die blijkens het kentekenregister of een aantekening op het kentekenbewijs is goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

Artikel 2

1. Op deze regeling zijn de artikelen 2 en 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, 4, tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.

2. Op deze regeling zijn de artikelen 2, eerste en derde lid, 4, 6, eerste en zesde lid, 8, eerste tot en met derde lid, onderdelen a, c en d, 10, eerste tot en met vierde lid, onderdelen a, d en f, 11, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, 18, 19, tweede lid, 21, 23, eerste en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

De Minister verleent een specifieke uitkering per concessieverlener als financiële bijdrage in de aanschafkosten van ZE-bussen met als doel een verlaging van het aantal diesel- en aardgaskilometers in het openbaar vervoer en een verhoging van het aantal kilometer in dat vervoer zonder uitstoot van koolstofdioxide of stikstofoxide, ten opzichte van 2022.

Artikel 4

1.

De hoogte van de specifieke uitkering bedraagt:

a. a. € 25.000, per ZE-bus, anders dan een bus als bedoeld in onderdeel b; b. b. € 75.000, per gelede ZE-bus, per ZE-touringcar en per niet-gelede ZE-bus met waterstof-elektrische aandrijving.

2. De som van de uitkeringen bedraagt in 2022 en 2023 per ontvanger ten hoogste het bedrag, genoemd in bijlage 1, zesde kolom, bij betreffende ontvanger.

Artikel 5

1. Het bedrag dat voor de specifieke uitkeringen beschikbaar is gesteld is € 40.000.000.

2. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van volledige aanvragen.

Artikel 6

1. De concessieverlener dient een aanvraag voor een specifieke uitkering schriftelijk in voorafgaand aan het sluiten van het definitieve contract waarmee de ZE-bussen door de concessiehouder of concessieverlener worden aangeschaft voor de uitvoering van de concessie.

2. De aanvraag kan worden ingediend tot en met 29 december 2023 uiterlijk 12.00 uur.

3. Indiening geschiedt aan de hand van een aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

4. De aanvraag of het totaal aan aanvragen per concessieverlener overschrijdt of overschrijden niet het bedrag dat gelet op bijlage 1 op die concessieverlener van toepassing is.

5. Een aanvraag is ingediend op het moment waarop de volledige aanvraag door de Minister is ontvangen.

6.

In de aanvraag wordt in ieder geval vermeld:

a. a. de concessie waarvoor de ZE-bussen worden ingezet en informatie over de ZE-bussen inzake de aandrijving, het type bus genoemd in artikel 4, eerste lid, het beoogde aantal en de start en de periode van inzet in de dienstregeling; b. b. informatie over het beoogde tijdvak waarin de ZE-bussen worden aangeschaft.

7.

De aanvraag gaat vergezeld van een kopie van de concessie of een kopie van documenten waaruit blijkt dat er een aanbestedingsprocedure loopt voor de concessie en van een verklaring van de aanvrager dat:

a. a. de uitkering wordt ingezet voor de aanschaf en inzet van ZE-bussen waarbij zal worden voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid; b. b. de aanvraag is gedaan voorafgaand aan het sluiten van het definitieve contract waarmee de ZE-bussen, waarop de aanvraag betrekking heeft, worden aangeschaft voor de uitvoering van de concessie; c. c. de concessieverlener desgevraagd meewerkt aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vierde lid; d. d. de concessieverlener desgevraagd meewerkt aan kennisuitwisseling met andere ontvangers met betrekking tot het doel en de uitvoering van deze regeling.

Artikel 7

De Minister verleent de specifieke uitkering niet als:

a. a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de aanschaf en inzet van de ZE-bussen; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de aanschaf en inzet van ZE-bussen; c. c. de openbaar vervoeractiviteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de specifieke uitkering; of d. d. de kosten die in aanmerking komen voor de specifieke uitkering niet aannemelijk of redelijk zijn.

Artikel 8

1.

De concessieverlener voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. a. de aanschaf betreft ten minste tien ZE-bussen; b. b. deze ZE-bussen worden binnen twee jaar na de verlening van de specifieke uitkering ingezet; c. c. deze ZE-bussen worden gedurende ten minste drie jaar ingezet voor de uitvoering van de concessie waarop de aanvraag betrekking heeft of voor de uitvoering van de concessie die op die concessie volgt; d. d. gemiddeld wordt per ZE-bus in het kalenderjaar volgend op het eerste jaar van de inzet ten minste 45.000 kilometer minder afgelegd door bussen die bij gebruik koolstofdioxide of stikstofoxide uitstoten, afgezet tegen de gerealiseerde kilometers door die bussen in de dienstregeling van 2022.

2. De berekening van het gemiddelde van 45.000 kilometer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behelst het aantal kilometer dat minder is afgelegd door een bus met dieselaandrijving. De berekening wordt aangevuld met het aantal kilometer dat minder is afgelegd door een bus met aardgasaandrijving indien er geen of onvoldoende dieselkilometers worden gereden.

3. Het aantal kilometer, bedoeld in het tweede lid, telt per concessie slechts eenmaal mee, ongeacht het aantal aanvragen dat in het kader van de concessie is ingediend.

4. De ontvanger werkt mee aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 9

1. Gelijktijdig met het besluit tot verlening van de specifieke uitkering verleent de Minister de ontvanger een voorschot ter hoogte van ten minste 25% van de specifieke uitkering.

2. De Minister kan aanvullende voorschotten verlenen.

Artikel 10

1. Indien op 31 december 2023 het in artikel 5, eerste lid, bedoelde uitkeringsplafond niet is bereikt, maakt de Minister uiterlijk 31 maart 2024 bekend welk bedrag resteert.

2. Een aanvraag om het resterende beschikbare bedrag kan worden ingediend van 1 mei 2024 vanaf 09.00 uur tot en met 31 mei 2024 tot uiterlijk 12.00 uur.

3. Op de aanvraag en op de verlening van het resterende beschikbare bedrag zijn de artikelen 4, tweede lid, en 6, vierde lid, niet van toepassing en wordt met betrekking tot de inzet van ZE-bussen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de zinsnede binnen twee jaar gelezen als: binnen drie jaar.

4. Indien de Minister op de dag dat het resterende beschikbare bedrag van 2024 is bereikt, meer dan één volledige aanvraag heeft ontvangen, stelt de Minister de onderlinge rangschikking vast door middel van loting.

Artikel 10a

1. Indien met de aanvragen op grond artikel 10, tweede lid, het in artikel 5, eerste lid, bedoelde uitkeringsplafond niet is bereikt, maakt de Minister uiterlijk 1 juli 2024 bekend welk bedrag resteert.

2. Een aanvraag om het resterende beschikbare bedrag kan worden ingediend van 3 september 2024 vanaf 09.00 uur tot en met 31 oktober tot uiterlijk 12.00 uur, waarbij aanvragen van concessieverleners die nog geen aanvraag op grond van artikel 6 of artikel 10 hebben ingediend voorrang krijgen.

3. Indien de aanvragen van concessieverleners die nog niet eerder een aanvraag hebben ingediend gezamenlijk het resterende beschikbare bedrag overschrijden, wordt dat bedrag in afwijking van artikel 5, tweede lid, verdeeld naar rato van het aandeel van een aangevraagde uitkering in het totaalbedrag van alle aanvragen.

4. Indien na de aanvragen van concessieverleners, bedoeld in het derde lid, het resterende beschikbare bedrag niet volledig is aangevraagd, wordt het betreffende restbedrag benut voor de overige aanvragen of, indien deze aanvragen gezamenlijk het restbedrag overschrijden, in afwijking van artikel 5, tweede lid, verdeeld naar rato van het aandeel van een aangevraagde uitkering in dat bedrag.

5. Artikel 10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op aanvragen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 11

De ontvanger doet onverwijld en schriftelijk mededeling aan de Minister zodra aannemelijk is dat zich andere omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de verlening van de specifieke uitkering, dan de omstandigheden, bedoeld in artikel 18 van het Kaderbesluit subsidies I en M.

Artikel 12

1. De ontvanger legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van een specifieke uitkering als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. In de verantwoordingsinformatie ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in artikel 13, wordt in ieder geval vermeld of is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

Artikel 13

1. De Minister stelt de specifieke uitkering vast op het bedrag dat is bepaald in de verleningsbeschikking indien de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend geheel zijn verricht en hebben plaatsgevonden conform deze beschikking.

2.

De Minister kan de specifieke uitkering op een lager bedrag vaststellen indien:

a. a. de specifieke uitkering niet of niet volledig overeenkomstig deze regeling is besteed; b. b. niet of niet geheel is voldaan aan de verplichtingen, genoemd in artikel 8, eerste en vierde lid; c. c. niet of niet volledig is voldaan aan de verantwoording, bedoeld in artikel 12.

3. De vaststelling vindt plaats op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

4.

Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

a. a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering; b. b. het betaalde voorschot; c. c. het te betalen of terug te vorderen bedrag.

Artikel 14

De Minister kan onverschuldigd betaalde uitkeringsbedragen en voorschotten terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking waarbij de specifieke uitkering is vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 15

De Minister publiceert uiterlijk 31 december 2026 een verslag over de doelmatigheid, de doeltreffendheid en andere effecten van de specifieke uitkering in de praktijk.

Artikel 16

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 april 2025 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling specifieke uitkering Zero Emissiebussen 20222024.

Bijlage 1. behorend bij