40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
18 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke regeling uitkering kwaliteitsverbetering indicatiestelling | BWBR0012353 | ministeriele-regeling | geldend | 2001-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0012353 | Tijdelijke regeling uitkering kwaliteitsverbetering indicatiestelling |
Tijdelijke regeling uitkering kwaliteitsverbetering indicatiestelling
Paragraaf 1. Algemene bepaling
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; b. b. indicatieorgaan: een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; c. c. zorgkantoorregio: werkgebied van een verbindingskantoor als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering; d. d. uitkering: uitkering als bedoeld in artikel 2; e. e. aanvullende uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 7a.
Paragraaf 2. Basisuitkering
Artikel 2
1. De minister kan aan een gemeente voor de periode van 18 januari 2001 tot 1 september 2003 een uitkering verstrekken als bijdrage in de kosten van het opstellen en realiseren van een activiteitenplan dat tot doel heeft de verbetering van de kwaliteit van de indicatiestelling alsmede de verbetering van de bedrijfsvoering door indicatieorganen.
2. Indien een indicatieorgaan werkzaam is ten behoeve van de inwoners van meerdere gemeenten, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, verstrekt aan de overeenkomstig artikel 4, tweede lid, daartoe aangewezen gemeente.
Artikel 3
1. De uitkering bestaat uit het in bijlage 1 bij deze regeling voor de desbetreffende gemeente genoemde bedrag. Indien een indicatieorgaan werkzaam is ten behoeve van de inwoners van meerdere gemeenten, bestaat de uitkering uit de som van de in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen bedragen voor de gemeenten die tot het werkgebied van het indicatieorgaan behoren.
2. Indien niet namens alle gemeenten een mededeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is gedaan, dan wel een uitkering aan een gemeente in 2001 ambtshalve op nihil is gesteld, kan de minister de gelden die ten gevolge daarvan niet worden verstrekt, toevoegen aan uitkeringen van een of meer gemeenten ter oplossing van de op grond van artikel 11 gemelde knelpunten die naar het oordeel van de minister de hoogste prioriteit hebben.
Artikel 4
1. Indien gemeenten een uitkering wensen, delen zij dat uiterlijk 13 april 2001 mee aan de minister door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, waarvan het model als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.
2. In het geval, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt de mededeling ingediend door alle gemeenten die tot het werkgebied van het betrokken indicatieorgaan behoren, tezamen, en wordt in de mededeling een verklaring van die gemeenten opgenomen, waarin één gemeente ten behoeve van deze regeling wordt aangewezen als gemeente waaraan de uitkering wordt verstrekt en die zorg draagt voor de indiening van de in deze regeling genoemde stukken.
Artikel 5
1. Indien een mededeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is ontvangen, verstrekt de minister de volgende voorschotten: in mei 2001, juli 2001 en september 2001 onderscheidenlijk 50%, 25% en 25% van het overeenkomstig artikel 3, eerste lid, berekende bedrag.
2. In het geval bedoeld in artikel 3, tweede lid, verleent de minister zo spoedig mogelijk een voorschot van 100% van het bedrag waarmee de uitkering wordt verhoogd.
3. De minister deelt uiterlijk 4 mei 2001 de hoogte mee van de op grond van het eerste lid te bevoorschotten bedragen. In het geval, bedoeld in het tweede lid, deelt de minister zo spoedig mogelijk het bedrag van de verhoging mee.
Artikel 6
1. De gemeente, bedoeld in artikel 4, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, dient uiterlijk 30 juni 2001 bij de minister een activiteitenplan in dat voldoet aan de in artikel 7 bedoelde eisen.
2. De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde termijn, indien de gemeente aantoont dat die termijn ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet haalbaar is.
3. Indien niet tijdig een activiteitenplan wordt ingediend dat voldoet aan de in artikel 7 bedoelde eisen, stelt de minister de uitkering ambtshalve vast op nihil en vordert hij de verstrekte voorschotten terug van de (coördinerende) gemeente.
Artikel 7
1.
In het activiteitenplan wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijnen de volgende resultaten zullen worden bereikt:
a. a. het realiseren van een zodanige omvang van het werkgebied dat verantwoorde indicatiestelling gewaarborgd is; b. b. het integreren van de advisering voor voorzieningen in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten; c. c. het afstoten van werkzaamheden die behoren tot de verantwoordelijkheden van zorgverzekeraars en zorgaanbieders; d. d. een doelmatige interne bedrijfsvoering van een indicatieorgaan; e. e. afstemming met zorgverzekeraars ten aanzien van registratie van gegevens; f. f. voorzieningen om de inbreng van door patiënten- en consumentenorganisaties aangewezen leden van indicatieorganen te ondersteunen.
2. Een werkgebied wordt, tenzij de zorgkantoorregio slechts één gemeente beslaat, geacht te voldoen aan het eerste lid, onder a, indien in de zorgkantoorregio niet meer dan twee indicatieorganen werkzaam zijn die elk een evenwichtig deel van de zorgkantoorregio beslaan.
3. Indien de betrokken gemeenten van oordeel zijn dat ten aanzien van het indicatieorgaan reeds is voldaan aan één of meerdere van de in het eerste lid genoemde doelstellingen, wordt zulks gemotiveerd aangegeven in het activiteitenplan. Indien de minister dit oordeel niet deelt, worden de gemeenten in de gelegenheid gesteld, binnen een door de minister daartoe gestelde termijn, het activiteitenplan ter zake aan te passen.
4. Het activiteitenplan wordt opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd.
Paragraaf 3. Aanvullende uitkering
Artikel 7a
1. De minister kan voor de periode van 18 januari 2001 tot 1 september 2003 een aanvullende uitkering verstrekken als bijdrage in de kosten van het realiseren van het activiteitenplan, bedoeld in artikel 2, eerste lid, alsmede als bijdrage in de kosten van het verbeteren van de bedrijfsvoering door een indicatieorgaan.
2.
De aanvullende uitkering wordt in ieder geval gebruikt om:
a. a. te bevorderen dat de advisering over voorzieningen in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten voor 1 september 2003 is geïntegreerd, of b. b. te voorkomen dat het aantal afgegeven indicaties gedurende perioden waarin medewerkers van een indicatieorgaan een opleiding volgen, daalt.
3. Indien een indicatieorgaan slechts werkzaam is ten behoeve van de inwoners van één gemeente, wordt de aanvullende uitkering aan die gemeente verstrekt. De aanvullende uitkering bestaat uit het in bijlage 4 bij deze regeling voor de betrokken gemeente bepaalde bedrag.
4. Indien een indicatieorgaan werkzaam is ten behoeve van de inwoners van meerdere gemeenten, wordt de aanvullende uitkering verstrekt aan de overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aangewezen gemeente. De aanvullende uitkering bestaat uit de som van de in bijlage 4 bij deze regeling opgenomen bedragen voor de gemeenten die tot het werkgebied van het indicatieorgaan behoren.
Artikel 7b
1. De aanvullende uitkering wordt slechts verstrekt indien de gemeente deze voor 27 november 2001 bij de minister heeft aangevraagd.
2. Aan gemeenten die de aanvullende uitkering tijdig hebben aangevraagd, verstrekt de minister voor 7 december 2001 een voorschot van 100% van de in artikel 7a bedoelde uitkering.
3. De minister geeft uiterlijk 1 februari 2002 een beschikking omtrent subsidieverlening.
Paragraaf 4. Voortgangsrapportage, verantwoording, subsidievaststelling
Artikel 8
De gemeente dient vóór 15 juli 2002 bij de minister een verslag in omtrent de voortgang bij de realisering van het activiteitenplan.
Artikel 9
1. Vóór 1 januari 2004 legt een gemeente waaraan een uitkering dan wel een uitkering en een aanvullende uitkering zijn verstrekt een verantwoording over waaruit blijkt in hoeverre de uitkering dan wel de uitkering en de aanvullende uitkering vóór 1 september 2003 zijn besteed aan de activiteiten waarvoor deze zijn bestemd.
2. De verantwoording, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een inhoudelijk verslag, waarbij inzicht wordt gegeven in de aard, duur en omvang van de in het kader van deze regeling verrichte activiteiten. Indien een aanvullende uitkering is verleend, wordt in de verantwoording afzonderlijk ingegaan op de wijze waarop en de mate waarin die uitkering is gebruikt voor het bereiken van de in artikel 7a, tweede lid, beschreven doelen. Indien het activiteitenplan nog niet geheel is uitgevoerd, wordt, voorzover de in het plan opgenomen termijnen zijn overschreden, onderbouwd aangegeven aan welke omstandigheden dit te wijten is en op welke termijn het activiteitenplan alsnog zal worden uitgevoerd.
3. Indien de overeenkomstig artikel 3 berekende uitkering, dan wel de som van de overeenkomstig artikel 3 berekende uitkering en de overeenkomstig artikel 7a berekende aanvullende uitkering meer bedroeg dan € 57 000 is de in het eerste lid bedoelde verantwoording voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De minister kan nadere regels stellen voor de inrichting van de verantwoording en de verklaring.
Artikel 10
1. De minister stelt de uitkering en de aanvullende uitkering vast binnen vier maanden na ontvangst van de verantwoording, doch uiterlijk op 30 april 2004. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. De uitkering respectievelijk aanvullende uitkering wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3 respectievelijk artikel 7a.
3.
De uitkering of de aanvullende uitkering kan in afwijking van het tweede lid lager worden vastgesteld indien:
a. a. niet is voldaan aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen; b. b. de uitkering respectievelijk aanvullende uitkering niet geheel is besteed aan de activiteiten bedoeld in artikel 3 respectievelijk artikel 7a, eerste lid; c. c. de aanvullende uitkering in het geheel niet is besteed aan de activiteiten, bedoeld in artikel 7a, tweede lid; d. d. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid.
4. Indien de verantwoording niet tijdig wordt ingediend, wordt de uitkering of de aanvullende uitkering ambtshalve vastgesteld.
5. Te veel verstrekte voorschotten worden teruggevorderd.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 11
Indien een gemeente in verband met eventuele bijzondere knelpunten bij het bewerkstelligen van de verbetering van de bedrijfsvoering en van de kwaliteit van de indicatiestelling door het betrokken indicatieorgaan in aanmerking wenst te komen voor een hogere uitkering, dan de overeenkomstig artikel 3, eerste lid, berekende uitkering, doet de (coördinerende) gemeente vóór 1 september 2001 schriftelijk melding aan de minister van die knelpunten en de in verband daarmee benodigde extra middelen.
Artikel 12
1. De gemeente waaraan een uitkering, een aanvullende uitkering of een voorschot op een uitkering of op een aanvullende uitkering is verstrekt, verstrekt aan de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen op verzoek schriftelijk verstrekt. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend, teneinde de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op juiste wijze te vervullen.
2. De (coördinerende) gemeente doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing met betrekking tot de uitkering of de aanvullende uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2004, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op de op grond van deze regeling verstrekte uitkeringen.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling uitkering kwaliteitsverbetering indicatiestelling.
Bijlage 1. Lijst van bedragen per gemeente
Bijlage 2
Bijlage 3. Activiteitenplan
Aanwijzingen voor het activiteitenplan, bedoeld in artikel 2.
(cursieve tekst is bedoeld als toelichting)
- Indicatie-orgaan: naam, adres, contactpersoon, werkgebied.
In situaties, waarin het activiteitenplan betrekking heeft op meer dan een indicatieorgaan worden gegevens over beide indicatieorganen verstrekt.
- Aangewezen gemeente: naam, adres, contactpersoon, vertegenwoordigde gemeenten
De aangewezen gemeente meldt de wens om een uitkering te ontvangen formeel namens een aantal samenwerkende gemeenten. Die gemeenten dienen te worden gemeld. De mogelijkheid bestaat dat twee aangewezen gemeenten tezamen een activiteitenplan indienen met het oog op een toekomstige samenwerking.
- Werkgebied
-
huidige werkgebied
-
beoogd werkgebied
-
motivering van de gekozen omvang
-
spreiding van vestigingen, lokale meldpunten, bereikbaarheid voor cliënten
-
voorgenomen activiteiten
Indien het werkgebied reeds voldoet aan de gestelde eisen kan worden volstaan met een beperkte weergave van de huidige situatie.
- Integratie WVG
-
huidige (intergemeentelijk) samenwerkingsverband
-
huidige adviserende instantie(s) binnen het werkgebied van het indicatieorgaan
-
huidige procedure(s)
-
aantal WVG-adviezen per jaar (2000 en/of 1999)
-
voorgenomen activiteiten
Van belang is kernachtig aan te geven welke procedures thans binnen het werkgebied van het indicatieorgaan worden gevolgd voor de advisering ten aanzien van de voorzieningen van de WVG en welke instanties daarbij betrokken zijn. Als deze advisering reeds deels of geheel door het indicatieorgaan wordt uitgevoerd kunnen de in dat kader gevolgde procedures worden aangegeven.
- Uitzuivering van taken
-
Overzicht van taken van het indicatieorgaan naast de taken indicatie-onderzoek en vaststelling van het indicatie-advies
-
Overzicht van mandateringsafspraken en afspraken rond de inschakeling van derden bij het indicatie-onderzoek
-
Bestaande afspraken over taakverdeling met zorgaanbieders en zorgkantoren
-
Voorgenomen activiteiten.
Een aantal indicatieorganen verricht taken op het grensvlak van informatie en advies aan cliënten, hulpvraagverduidelijking, de urgentiebepaling op wachtlijsten en het zoeken naar alternatieven als de geïndiceerde zorg niet beschikbaar is. Het is van belang inzicht te krijgen in de taken, die uit het oogpunt van objectiviteit en onafhankelijkheid strijdig zijn met de beoogde taakverdeling met zorgkantoren en zorgaanbieders en de activiteiten, die zullen worden ondernomen om die taken af te stoten.
- Verbetering interne bedrijfsvoering
-
kenmerken van de organisatie (aantal fte's, organisatievorm, vestigingen
-
huidige knelpunten met betrekking tot capaciteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid, achterstanden, personeelsproblematiek, informatie en automatisering.
-
beoogde resultaten
-
beoogde activiteiten
Met betrekking tot dit onderwerp beschikken de indicatieorganen over de noodzakelijke informatie. Groot belang wordt gehecht aan het bereiken van de situatie, dat het indicatieorgaan gaat voldoen aan de ontwikkelde certificeringsstandaard, gebruik gaat maken van een uniforme productbegrotingssystematiek, de landelijk ontwikkelde protocollen hanteert en bij de registratie van informatie voldoet aan de eisen, die de zorgkantoren daaraan stellen in het kader van het landelijke zorgregistratiesysteem.
- Betrokkenheid van vertegenwoordigers van cliënten en patiënten
-
overzicht van de huidige betrokkenheid
-
nieuwe initiatieven
In het gehele land bestaan regionale cliënten- en patiëntenplatforms, waarin veel organisaties samenwerken. Langs die weg, maar ook op andere wijze kan aan cliënten en patiënten een taak worden gegeven in het besturen van de indicatieorganen. De verbreding van de taken van indicatieorganen kan betekenen dat ook in die vertegenwoordiging wijzigingen worden aangebracht.
- Afstemming van gegevensregistratie op de systematiek van zorgregistratie door zorgkantoren
-
thans gehanteerde registratiesysteem
-
vormen van overleg met het zorgkantoor en initiatieven vanuit het zorgkantoor in het kader van de zorgregistratie
-
knelpunten in de registratie, stand van zaken met betrekking tot automatisering
-
nieuwe initiatieven
In alle zorgkantoorregio's worden plannen uitgevoerd om te komen tot één systeem van zorgregistratie. Daarover vindt overleg plaats met de indicatieorganen. Onderdeel van het landelijke ondersteuningsplan vormt het doen aanpassen van de registratiesystemen, die voor indicatieorganen zijn ontwikkeld. Ook daarover worden indicatieorganen geïnformeerd. Die initiatieven kunnen aanleiding zijn tot nieuwe initiatieven van de indicatieorganen in het eigen werkgebied.
- Overige beoogde resultaten
-
doelstelling en beoogd resultaat
-
nieuwe initiatieven
-
Globale planning van activiteiten en beoogde resultaten op een tijdbalk.
-
Globale begroting van kosten.