rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-stimuleringsregeling-leren-en-werken-2007/BWBR0021623/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

28 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken 2007 BWBR0021623 ministeriele-regeling geldend 2007-04-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0021623 Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken 2007

Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken 2007

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. bedrijfsleven:

      1°.
      werkgeversorganisaties;
    
    
      2°.
      brancheorganisaties; of
    
    
      3°.
      vakorganisaties;

1°. 1°. werkgeversorganisaties; 2°. 2°. brancheorganisaties; of 3°. 3°. vakorganisaties; b. b. bewindspersoon:

      1°.
      Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
    
    
      2°.
      Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; of
    
    
      3°.
      Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

1°. 1°. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; 2°. 2°. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; of 3°. 3°. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; c. c. brancheorganisatie: rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die niet bedrijfsmatig werkzaam is en die blijkens zijn statuten als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak of een samenhangend deel ervan; d. d. certificaat:

      1°.
      certificaat of diploma behorende bij een beroepsopleiding, opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen, of een opleiding, opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs; of
    
    
      2°.
      certificaat of deelcertificaat dat door een brancheorganisatie of een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds in een branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend;

1°. 1°. certificaat of diploma behorende bij een beroepsopleiding, opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen, of een opleiding, opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs; of 2°. 2°. certificaat of deelcertificaat dat door een brancheorganisatie of een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds in een branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend; e. e. duaal traject: traject van leren en werken dat strekt tot het behalen van een certificaat; f. f. eerder verworven competenties: door werkervaring of op andere wijze verworven kennis, vaardigheden en competenties; g. g. EVC-methodiek: methodiek door middel waarvan eerder verworven competenties van iemand in kaart kunnen worden gebracht; h. h. EVC-traject: traject waarin een EVC-methodiek wordt gehanteerd en dat strekt tot het behalen van een certificaat; i. i. gebruiker van een leerwerkloket: persoon die gebruik maakt van de diensten van een leerwerkloket met als doel het doorlopen van een EVC-traject; j. j. gebruiker van een nieuwe EVC-methodiek: persoon die een EVC-traject doorloopt, waarin een nieuwe EVC-methodiek wordt gehanteerd; k. k. intentieverklaring: op schrift gestelde, door partijen ondertekende en rechtens niet afdwingbare afspraak tussen partijen; l. l. leerwerkloket: voorziening in een regio waar burgers, werkzoekenden, werknemers of werkgevers advies kunnen inwinnen over EVC-trajecten, en waar zij zo nodig begeleid kunnen worden om ontbrekende kwalificaties via opleiding, loopbaan of beroepskeuze aan te vullen tot een voor de arbeidsmarkt relevante beroepskwalificatie en het daarbij behorende certificaat; m. m. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; n. n. Opleidings- en Ontwikkelingsfonds: door werkgevers en werknemers in het leven geroepen, dan wel beheerd, samenwerkingsverband per bedrijfstak of onderneming; o. o. werkgever: natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens dienst dan wel voor wie een werknemer arbeid verricht; p. p. werkgeversorganisatie: organisatie die de individuele en gemeenschappelijke belangen behartigt van:

      1°.
      werkgevers; of
    
    
      2°.
      ondernemingen;

1°. 1°. werkgevers; of 2°. 2°. ondernemingen; q. q. vakorganisatie: organisatie die de individuele en gemeenschappelijke belangen behartigt van aangesloten werknemers en andere leden; r. r. Kwaliteitscode EVC: kwaliteitscode voor erkenning verworven competenties van het kenniscentrum EVC, opgenomen in de bijlage bij het Convenant Een kwaliteitscode voor EVC (Stcrt. 2006, 243).

Artikel 1.2

1.

De Minister kan projectsubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor de verwezenlijking van de inhoud van een intentieverklaring die tot doel heeft de mogelijkheden tot leren en werken voor werkenden en werkzoekenden te bevorderen, door middel van activiteiten die strekken tot:

a. a. het tot stand komen van nieuwe duale trajecten en deelneming daaraan; b. b. het inrichten van één leerwerkloket en gebruikmaking daarvan; of c. c. het werven van deelnemers aan EVC-trajecten en de organisatie van het aanbod van EVC-trajecten.

2. Bij het tot stand komen van nieuwe duale trajecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gaat het om een aantoonbare vergroting van de instroom van personen binnen de doelgroep, bedoeld in het eerste lid, aanhef.

3.

Een intentieverklaring als bedoeld in het eerste lid:

a. a. heeft betrekking op een regio; b. b. bevat in ieder geval afspraken over de:

        1°.
        vraag van de betrokken werkgevers naar de duale trajecten of deelnemers aan EVC-trajecten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel c; en
      
      
        2°.
        inspanning en voorbereidingen van de betrokken aanbieders van een of meer opleidingen, bedoeld in artikel 1.3, ten behoeve daarvan.

1°. 1°. vraag van de betrokken werkgevers naar de duale trajecten of deelnemers aan EVC-trajecten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel c; en 2°. 2°. inspanning en voorbereidingen van de betrokken aanbieders van een of meer opleidingen, bedoeld in artikel 1.3, ten behoeve daarvan.

Artikel 1.3

1.

Tot de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, behoren ten minste een bewindspersoon en een of meer vertegenwoordigers van:

a. a. een of meer werkgevers of het bedrijfsleven; b. b. een of meer aanbieders van een of meer opleidingen die strekken tot het behalen van een certificaat; c. c. een of meer organisaties die zorgdragen voor de toestroom van deelnemers aan duale trajecten.

2.

Tot de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, behoren ten minste een bewindspersoon en een of meer vertegenwoordigers van:

a. a. een of meer werkgevers of het bedrijfsleven; b. b. een of meer aanbieders van een of meer opleidingen die strekken tot het behalen van een certificaat; en c. c. een of meer Centra voor Werk en Inkomen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

3.

Tot de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, behoren ten minste een bewindspersoon en een of meer vertegenwoordigers van:

a. a. een of meer werkgevers of het bedrijfsleven; en b. b. een of meer bij de kwaliteitscode EVC aangesloten aanbieders van een of meer opleidingen die strekken tot het behalen van een certificaat.

4. Aanbieders van een beroepsopleiding opgenomen in het centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs behoren niet tot de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 1.4

1.

De Minister kan een startsubsidie verlenen als bijdrage in de kosten van het ontwikkelen van een activiteitenplan en een begroting, die zien op de verwezenlijking van een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, met dien verstande dat de intentieverklaring voorziet in een te realiseren:

a. a. minimumaantal van 200 deelnemers aan nieuwe duale trajecten; b. b. organisatie van een leerwerkloket; of c. c. minimumaantal van 200 deelnemers aan EVC-trajecten.

2. Geen startsubsidie wordt verleend voor het doel, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel c, aan een aanvrager die reeds op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken vervolgsubsidie heeft ontvangen voor dit doel.

3.

De Minister kan een vervolgsubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor de verwezenlijking van een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, die is uitgewerkt in een activiteitenplan en een begroting, met dien verstande dat de intentieverklaring, het activiteitenplan en de begroting voorzien in een te realiseren:

a. a. minimumaantal van 200 deelnemers aan nieuwe duale trajecten; b. b. organisatie van een leerwerkloket; of c. c. minimumaantal van 200 deelnemers aan EVC-trajecten.

4. Subsidie voor het doel, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, wordt uitsluitend verleend indien eveneens subsidie is verleend voor het doel, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel c.

5. Geen subsidie wordt verleend voor het doel, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, aan een aanvrager die reeds op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken vervolgsubsidie heeft ontvangen voor dit doel.

Artikel 1.5

1. Subsidie wordt verleend aan een van de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, die daartoe door de overige partijen schriftelijk is gemachtigd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een bewindspersoon.

Artikel 1.6

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is ten hoogste € 23.000.000 beschikbaar, waarvan tot en met 15 oktober 2007 ten hoogste € 5.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, en ten hoogste € 10.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen b en c.

Artikel 1.7

De startsubsidie bedraagt € 25.000.

Artikel 1.8

De hoogte van de vervolgsubsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat:

a. a. voor nieuwe duale trajecten niet meer wordt verleend dan:

      1°.
      € 100.000 voor het minimumaantal van 200 tot stand te komen nieuwe duale trajecten; en
    
    
      2°.
      € 500 per daarnaast tot stand te komen nieuw duaal traject, met een maximum van € 500.000;

1°. 1°. € 100.000 voor het minimumaantal van 200 tot stand te komen nieuwe duale trajecten; en 2°. 2°. € 500 per daarnaast tot stand te komen nieuw duaal traject, met een maximum van € 500.000; b. b. voor de organisatie van een leerwerkloket niet meer wordt verleend dan € 150.000; en c. c. voor werving van deelnemers aan EVC-trajecten en organisatie van het aanbod van EVC-trajecten niet meer wordt verleend dan:

      1°.
      € 100.000 voor het minimumaantal van 200 te behalen deelnemers aan EVC-trajecten; en
    
    
      2°.
      € 500 per daarnaast te behalen deelnemer aan een EVC-traject, met een maximum van € 500.000.

1°. 1°. € 100.000 voor het minimumaantal van 200 te behalen deelnemers aan EVC-trajecten; en 2°. 2°. € 500 per daarnaast te behalen deelnemer aan een EVC-traject, met een maximum van € 500.000.

Hoofdstuk 2. Subsidieaanvraag

Artikel 2.1

1. Subsidie wordt op aanvraag verleend.

2. In afwijking van artikel 2.5, tweede lid, kunnen startsubsidie en vervolgsubsidie op aanvraag gelijktijdig worden verleend, indien de aanvrager zowel aan de vereisten voor een startsubsidie als aan de vereisten voor een vervolgsubsidie voldoet.

Artikel 2.2

1.

Een aanvraag voor startsubsidie gaat vergezeld van een schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 1.5 en een afschrift van een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, waarin, voor zover van toepassing, is opgenomen het beoogde aantal:

a. a. nieuwe duale trajecten per 31 december 2008; of b. b. deelnemers aan EVC-trajecten per 31 december 2008.

2. Onverminderd de artikelen 1.1, onderdeel k, 1.3, eerste tot en met derde lid, en 1.5 kan ondertekening van een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, door een van de partijen, bedoeld in de onderdelen van artikel 1.3, eerste tot en met derde lid, achterwege blijven voor wat betreft een aanvraag voor startsubsidie.

3.

Een aanvraag voor vervolgsubsidie gaat vergezeld van een:

a. a. schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 1.5; b. b. afschrift van een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid; c. c. door alle partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid ondertekend activiteitenplan; d. d. door alle partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid ondertekende begroting; en

4.

De subsidieaanvraag ingediend door een rechtspersoon gaat de eerste maal vergezeld van een afschrift van de statuten dan wel de reglementen van de subsidieaanvrager zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld of gewijzigd, alsmede:

a. a. het laatst opgemaakte financieel verslag; of b. b. de laatst opgemaakte jaarrekening en de toelichting daarop of, indien deze ontbreekt, een overzicht van de financiële situatie van de subsidieaanvrager en van instellingen waarmee de subsidieaanvrager een organisatorische of financiële band heeft op het moment van de aanvraag.

5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de rechtspersoon een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is.

6. De in het vierde lid, onderdeel a en b, bedoelde bescheiden dan wel het overzicht van de financiële situatie zijn voorzien van een schriftelijke verklaring onderscheidenlijk een schriftelijke mededeling omtrent de getrouwheid, afkomstig van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

7. De subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier voor startsubsidie onderscheidenlijk een formulier voor vervolgsubsidie. Deze formulieren zijn opgenomen in bijlage I onderscheidenlijk bijlage II behorende bij deze regeling.

8. De Minister kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop de onderdelen van de subsidieaanvraag, bedoeld in het eerste en derde lid, worden uitgewerkt.

9. Het tweede lid en het derde lid, onderdeel c en d, zijn niet van toepassing op een bewindspersoon.

Artikel 2.3

1.

Het activiteitenplan voor de vervolgsubsidie omvat een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en voorziet, voor zover deze onderwerpen op de aanvraag voor de vervolgsubsidie van toepassing zijn, ten minste in:

a. a. een kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving van de bestaande dienstverlening op het terrein van:

        1°.
        duale trajecten;
      
      
        2°.
        leerwerkloketten; of
      
      
        3°.
        EVC-trajecten;

1°. 1°. duale trajecten; 2°. 2°. leerwerkloketten; of 3°. 3°. EVC-trajecten; b. b. het per 31 december 2008 beoogde aantal

        1°.
        nieuwe duale trajecten;
      
      
        2°.
        deelnemers aan EVC-trajecten;

1°. 1°. nieuwe duale trajecten; 2°. 2°. deelnemers aan EVC-trajecten; c. c. een kwalitatieve beschrijving van de tot stand te komen dienstverlening op het terrein van:

        1°.
        duale trajecten;
      
      
        2°.
        eerwerkloketten; of
      
      
        3°.
        EVC-trajecten;

1°. 1°. duale trajecten; 2°. 2°. eerwerkloketten; of 3°. 3°. EVC-trajecten; d. d. een omschrijving van de doelgroepen van de deelnemers aan de trajecten, bedoeld in onderdeel b; e. e. een beschrijving van de:

        1°.
        acquisitie- en pr-activiteiten en de wijze waarop kandidaten geworven worden;
      
      
        2°.
        wijze waarop de Kwaliteitscode EVC wordt gehanteerd; en

1°. 1°. acquisitie- en pr-activiteiten en de wijze waarop kandidaten geworven worden; 2°. 2°. wijze waarop de Kwaliteitscode EVC wordt gehanteerd; en f. f. een concrete onderbouwing van de afspraken, bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onderdeel b.

2.

Indien de aanvraag ziet op duale trajecten of EVC-trajecten die een aanvulling vormen op die waarvoor aan de aanvrager reeds op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken een vervolgsubsidie is verleend, wordt als activiteitenplan beschouwd een supplement op het activiteitenplan dat in het kader van die regeling is ingediend. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, is van overeenkomstige toepassing op het supplement. Het supplement voorziet in een concrete onderbouwing van de:

a. a. vraag van de betrokken werkgevers naar de duale trajecten of EVC-trajecten, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel c; en b. b. inspanning en voorbereidingen van de betrokken aanbieders van een of meer opleidingen.

Artikel 2.4

1.

In de begroting voor de vervolgsubsidie worden, voor zover deze onderwerpen op de aanvraag voor de vervolgsubsidie van toepassing zijn, onderscheiden:

a. a. de organisatiekosten tot 31 december 2009 voor:

        1°.
        nieuwe duale trajecten;
      
      
        2°.
        een nieuw leerwerkloket; of
      
      
        3°.
        EVC-trajecten;

1°. 1°. nieuwe duale trajecten; 2°. 2°. een nieuw leerwerkloket; of 3°. 3°. EVC-trajecten; b. b. de op grond van deze regeling niet subsidiabele kosten voor de feitelijke:

        1°.
        uitvoering van de nieuwe duale trajecten;
      
      
        2°.
        exploitatie van het leerwerkloket; of
      
      
        3°.
        uitvoering van de EVC-trajecten; en

1°. 1°. uitvoering van de nieuwe duale trajecten; 2°. 2°. exploitatie van het leerwerkloket; of 3°. 3°. uitvoering van de EVC-trajecten; en c. c. de verdeling van de kosten over de verschillende partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid.

2.

In de kosten worden onderscheiden:

a. a. loonkosten verbonden aan de inzet van eigen personeel van de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid; b. b. materiële kosten, bestaande uit:

        1°.
        kosten voor huisvesting; en
      
      
        2°.
        overige materiële kosten;

1°. 1°. kosten voor huisvesting; en 2°. 2°. overige materiële kosten; c. c. kosten voor gebruikmaking van diensten van derden; en d. d. kosten voor overhead.

3. De begroting voor vervolgsubsidie gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte per kwartaal, waarin gemotiveerd inzicht wordt gegeven in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten.

4. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een bewindspersoon.

Artikel 2.5

1. Een aanvraag voor startsubsidie kan worden ingediend tot en met 31 december 2007.

2. Een aanvraag voor vervolgsubsidie kan worden ingediend tot en met 90 dagen na de aanvraag voor startsubsidie.

Hoofdstuk 3. Subsidieverlening

Artikel 3.1

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie is ontvangen, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

Artikel 3.2

1. De Minister beslist binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag voor startsubsidie.

2. De Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag voor vervolgsubsidie.

3. Ingeval van toepassing van artikel 2.1, tweede lid, beslist de Minister binnen vier weken na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 3.3

1. De Minister kan ten behoeve van de beslissing over de subsidieverlening het advies inwinnen van een of meer externe deskundigen.

2. De Minister beslist over de subsidieverlening mede op basis van advies van de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 3.4 van de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken.

Artikel 3.4

1. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 3.5

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt er geen subsidie verstrekt voor zover subsidie is verstrekt op grond van een andere rijkssubsidieregeling met een doelstelling die overeenkomt met de doelstelling bedoeld in deze regeling, met uitzondering van de Subsidieregeling ESF-2007-2013.

Artikel 3.6

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd indien:

a. a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen; b. b. de aanvraag ziet op duale trajecten die al voor de indiening van de aanvraag tot stand zijn gekomen; of c. c. de kosten van het project niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten.

Hoofdstuk 4. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 4.1

Ingeval artikel 2.1, tweede lid, niet van toepassing is, stelt de ontvanger van startsubsidie binnen 90 dagen na de aanvraag voor startsubsidie een activiteitenplan voor vervolgsubsidie op en een begroting voor vervolgsubsidie.

Artikel 4.2

De subsidieontvanger verstrekt alle door of namens de Minister gevraagde informatie ten behoeve van beleidsonderzoek en controledoeleinden en bevordert, indien de Minister dat verzoekt, alvorens de subsidie wordt vastgesteld een overleg tussen alle partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid.

Artikel 4.3

1. De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten.

2. De administratie is zodanig opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor beleidsonderzoek en controledoeleinden als bedoeld in artikel 4.2.

3. De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

Artikel 4.4

Indien ter uitvoering van het project in opdracht diensten of werkzaamheden door derden worden verricht, worden partijen bij intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, geacht de regels voor aanbesteding in acht te nemen.

Hoofdstuk 5. Subsidievaststelling

Artikel 5.1

1. Binnen vier maanden na beëindiging van het project, doch uiterlijk op 1 april 2010, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij de Minister.

2. De Minister beslist binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 5.2

1. De aanvraag tot vaststelling van subsidie gaat vergezeld van een financieel verslag en een verslag van activiteiten waarin de met de verstrekte subsidie bereikte resultaten worden verantwoord.

2. Het financieel verslag en het verslag van activiteiten worden ondertekend door alle partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, met uitzondering van een bewindspersoon.

Artikel 5.3

Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het financieel verslag.

Artikel 5.4

1. Indien het subsidiebedrag meer bedraagt dan € 60.000 gaat het financieel verslag vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger en wordt vormgegeven overeenkomstig het als bijlage III bij deze regeling opgenomen model.

3. De Minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

Artikel 5.5

1. Het verslag van activiteiten bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten, en bevat, voor zover van toepassing, tevens een afschrift van een openbaar jaarverslag van de partijen bij een intentieverklaring als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, die een leerwerkloket hebben ingericht.

2. De inrichting van het verslag van activiteiten komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan voor de vervolgsubsidie.

3. Het verslag van activiteiten bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de beoogde resultaten en de feitelijke realisatie.

4.

Een openbaar jaarverslag als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste:

a. a. een verslag van de inrichting van het leerwerkloket; en b. b. de wijze waarop het jaarverslag is verspreid.

5. De Minister kan nadere verplichtingen opleggen met betrekking tot de inhoud van het verslag van activiteiten.

6. Het eerste lid is niet van toepassing op een bewindspersoon.

Artikel 5.6

Onverminderd artikel 4.46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de activiteiten in onvoldoende mate hebben bijgedragen aan het doel waarvoor subsidie is verleend.

Hoofdstuk 6. Betaling

Artikel 6.1

Nadat subsidie is verleend, kan de Minister voorschotten verstrekken tot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijziging andere regeling

Artikel 7.1

Artikel 1.2, derde lid, is niet van toepassing op intentieverklaringen die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling zijn gesloten en ten behoeve waarvan geen vervolgsubsidie is verleend op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken.

Artikel 7.2

Voor zover er vanaf de vervaldatum van deze regeling ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig deze regeling, plaats.

Artikel 7.3

Wijzigt de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 februari 2010.

Artikel 8.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken 2007.

Bijlage I

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Bijlage II

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Bijlage III

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.