40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
7.1 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsregeling diergezondheidsheffing | BWBR0036106 | ministeriele-regeling | geldend | 2015-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0036106 | Uitvoeringsregeling diergezondheidsheffing |
Uitvoeringsregeling diergezondheidsheffing
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*berekening:* de berekening van het gemiddeld in een kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren als bedoeld in artikel 91h, derde lid, van de wet;
– –
*diergezondheidsheffing:* heffing als bedoeld in artikel 2 van het Besluit heffing bestrijding dierziekten;
– –
*wet:*
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Artikel 2
1.
Met betrekking tot de diergezondheidsheffing gelden de bevoegdheden en verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, voor de daarachter genoemde functionarissen:
a. a. de directeur: de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken; b. b. de inspecteur: de inspecteur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; c. c. de ontvanger: de ontvanger van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; d. d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
2. De functionaris, bedoeld in artikel 93a, eerste, vierde en zesde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
3. Als inspecteur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en als ontvanger van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt aangewezen de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 3
De verplichtingen die ingevolge de artikelen 47, 47b, 48, 49, 50, 53 en 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bestaan jegens de Inspecteur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland gelden mede jegens de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en jegens de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Artikel 4
1. De heffingplichtige wordt na afloop van het kalenderjaar waarover de heffing verschuldigd is uitgenodigd voor het doen van aangifte.
2. De heffingplichtige die niet binnen vier maanden na afloop van het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing wordt geheven, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, verzoekt de inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn van vier maanden.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien over het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing is verschuldigd reeds een aanslag is opgelegd.
5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt mede voor de in de artikelen 43 en 44, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde personen.
Artikel 5
Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door een verwijzing naar het webadres waarop het aangiftebiljet kan worden ingevuld.
Artikel 6
Aangifte wordt via de elektronische weg gedaan door het toezenden van het beschikbaar gestelde aangiftebiljet aan de inspecteur, dat is ingevuld en ondertekend op de bij het biljet aangegeven wijze, met de bij het biljet gevraagde bescheiden.
Artikel 7
1. Na aanvang van het kalenderjaar wordt één voorlopige aanslag opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat kalenderjaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid kan de bepaling van het bedrag waarop de aanslag over het kalenderjaar vermoedelijk zal worden vastgesteld, geschieden op grond van de gegevens die hebben gediend of zouden hebben kunnen gediend ter vaststelling van de aanslag over het voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 8
De berekening voor melkproducerende runderen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en artikel 8, eerste lid, van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door voor elke dag het aantal melkproducerende runderen op te tellen en te delen door het aantal dagen van het kalenderjaar.
Artikel 9
De berekening voor andere runderen dan melkproducerende runderen, ouder dan één jaar, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en artikel 8, tweede lid, van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door voor elke dag het aantal andere runderen dan melkproducerende runderen, ouder dan één jaar, op te tellen en te delen door het aantal dagen van het kalenderjaar.
Artikel 10
De berekening voor andere runderen dan melkproducerende runderen, jonger dan 1 jaar, als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en artikel 8, derde lid, van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door voor elke dag het aantal aanwezige andere runderen dan melkproducerende runderen, jonger dan 1 jaar, op te tellen en te delen door het aantal dagen van het kalenderjaar.
Artikel 11
De berekening voor schapen als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en de artikelen 9 en 10 van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door het aantal aanwezige schapen op 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november op te tellen en door vier te delen.
Artikel 12
De berekening voor geiten als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en de artikelen 9 en 10 van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door het aantal aanwezige geiten op 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november op te tellen en door vier te delen.
Artikel 13
De berekening voor de diercategorieën, bedoeld in de artikelen vier tot en met zeven van het Besluit heffing bestrijding dierziekten en de artikelen vier tot en met zeven van het Besluit heffing preventie dierziekten geschiedt door voor elke dag van het kalenderjaar het aantal aanwezige dieren van de diercategorie op te tellen en te delen door het aantal dagen van het kalenderjaar.
Artikel 14
Het totale aantal in een kalenderjaar door een bedrijf verhandelde varkens als bedoeld in artikel 92 van de wet wordt berekend door het aantal varkens bij elkaar op te tellen dat vanaf het bedrijf wordt verhandeld en die bestemd zijn voor het buitenland of de slacht.
Artikel 15
De heffing, bedoeld in artikel 12 van het Besluit heffing preventie dierziekten, wordt geheven naar het aantal vaccinbroedeieren dat in een kalenderjaar door de persoon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit heffing bestrijding dierziekten, in een broedmachine wordt ingelegd.
Artikel 16
De Uitvoeringsregeling varkensheffing wordt ingetrokken.
Artikel 17
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling diergezondheidsheffing.