rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-wmo-2015/BWBR0036096/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

45 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling Wmo 2015 BWBR0036096 ministeriele-regeling geldend 2019-11-07 https://wetten.overheid.nl/BWBR0036096 Uitvoeringsregeling Wmo 2015

Uitvoeringsregeling Wmo 2015

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
  • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
  • Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
  • Ministers: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie;
  • inspanningsgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over de levering van een specifiek product of dienst in een afgesproken eenheid;
  • iWmo: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.6.7a, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties;
  • outputgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over het te behalen resultaat;
  • Covid-19: de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2.

Hoofdstuk 2. Persoonsgebonden budget

Artikel 2

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a.

    *derde:* derde als bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet;

b. b.

    *hulp uit het sociale netwerk:* natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.

Artikel 2a

1. De cliënt sluit een schriftelijke overeenkomst met iedere derde die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget maatschappelijke ondersteuning laat verlenen, behalve voor zover reeds vervoer van een derde is betrokken of een hulp uit het sociaal netwerk maatschappelijke ondersteuning zal verlenen.

2.

Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid, zijnde een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer, worden opgesteld

volgens de meest recente door de Sociale verzekeringsbank vigerende vastgestelde toepasselijke modelovereenkomsten, die beschikbaar waren gesteld ten tijde van het afsluiten van die overeenkomst, en bevatten bovendien ten minste:

a. a. een weergave van de wijze waarop de derde zal voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de cliënt; b. b. de verplichting dat een declaratie de vereiste gegevens, bedoeld in artikel 2b, vierde lid, bevat of, indien van toepassing, dat wordt gebruikgemaakt van periodiek maandbetalingen; c. c. een beding, inhoudende dat de gemeente een vordering heeft op de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget maatschappelijke ondersteuning levert, indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag; d. d. indien de uitkering van vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing is, een beding, inhoudende dat in het te betalen bruto loon het vakantiegeld is verdisconteerd.

3. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college en de Sociale verzekeringsbank.

4. Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de overeenkomst voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.

5. De Sociale verzekeringsbank kan haar goedkeuring slechts onthouden wegens strijd met het recht, of in het belang van de uitvoerbaarheid van het persoonsgebonden budget of van het budgetbeheer, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet.

6. Een wijziging van een goedgekeurde overeenkomst wordt onmiddellijk aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier.

7. Op verzoek van een college kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen dat dat college, voor zover het de goedkeuring van de overeenkomst van cliënten aan wie het college een persoonsgebonden budget verstrekt en het kenbaar maken van een wijziging van die overeenkomst betreft, voor de toepassing van het derde, vijfde en zesde lid in de plaats treedt van de Sociale verzekeringsbank. Indien de vorige zin is toegepast bericht het college de Sociale verzekeringsbank onmiddellijk van wijzigingen als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 2ab

1.

Indien van toepassing kan een cliënt ten laste van zijn persoonsgebonden budget een hulp uit het sociaal netwerk voor maatschappelijke ondersteuning, die zonder dienstbetrekking wordt verleend, laten betalen:

a. a. een tegemoetkoming van maximaal € 141 per kalendermaand; b. b. een door het college vastgestelde tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding en reiskosten ten behoeve van de hulp.

Daartoe draagt hij zorg voor een verklaring. De verklaring wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. De Sociale verzekeringsbank stelt onmiddellijk het college daarvan in kennis.

2. Een cliënt kan niet een overeenkomst als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, onderdeel b, en de hiergenoemde verklaring met betrekking tot dezelfde derde, die ten laste van het persoonsgebonden budget betalingen zou ontvangen, indienen.

3.

Een verklaring wordt opgesteld volgens het vigerende, door de Sociale verzekeringsbank vastgestelde model en bevat ten minste:

a. a. de naam, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de hulp uit het sociaal netwerk; b. b. de ingangsdatum vanaf wanneer op verzoek een tegemoetkoming kan worden verstrekt; c. c. de mededelingen dat de hulp uit het sociaal netwerk zonder dienstbetrekking maatschappelijke ondersteuning zal leveren aan de cliënt en of een bedrag per kalendermaand en of door het college vastgestelde bedragen worden aangevraagd; d. d. de handtekening van de cliënt, waarmee die cliënt aangeeft dat hij inderdaad jeugdhulp uit het sociaal netwerk zal ontvangen, alsmede de handtekening van de hulp uit het sociaal netwerk.

4. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college.

5. Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de verklaring voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid.

6. Een wijziging van een goedgekeurde verklaring wordt onmiddellijk met een formulier aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier.

Artikel 2b

1.

De Sociale verzekeringsbank voert het budgetbeheer, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, uit:

a. a. overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet; en b. b. overeenkomstig een door de cliënt met een derde gesloten overeenkomst of verklaring of een verklaring als bedoeld in artikel 2ab, die overeenkomstig respectievelijk de artikelen 2a of 2ab is goedgekeurd.

2. In het kader van het budgetbeheer draagt de Sociale verzekeringsbank voor zover deze verschuldigd zijn loonbelasting, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet af, tenzij het gaat om tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2ab.

3.

De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor overeengekomen maatschappelijke ondersteuning die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst voor vervoer, uitsluitend aan de derde aan de hand van:

a. a. een declaratie voor geleverde maatschappelijke ondersteuning; b. b. een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij overeengekomen periodieke maandbetalingen; c. c. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, of, voor zover het sociaal-recreatief vervoer betreft, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020, als gevolg van de maatregelen in verband met Covid-19, door de desbetreffende derde, niet is verleend; d. d. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021, niet is verleend in verband met:

        1°.
        een besmetting van de budgethouder of desbetreffende derde, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19;
      
      
        2°.
        een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of desbetreffende derde in verband met Covid-19;
      
      
        3°.
        een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding;
      
      
        4°.
        de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 genomen maatregelen;
      
      
        5°.
        het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19; of

1°. 1°. een besmetting van de budgethouder of desbetreffende derde, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19; 2°. 2°. een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of desbetreffende derde in verband met Covid-19; 3°. 3°. een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding; 4°. 4°. de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 genomen maatregelen; 5°. 5°. het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19; of e. e. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, als gevolg van het ontvangen van een vaccinatie voor Covid-19 voor ten hoogste twee uur niet is verleend.

4.

Een declaratie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a, c, d en e, bevat:

a. a. de naam van de derde, en

        1°.
        het nummer waarmee de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of,
      
      
        2°.
        indien de derde niet over dat nummer kan beschikken, de geboortedatum of het burgerservicenummer van de derde;

1°. 1°. het nummer waarmee de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of, 2°. 2°. indien de derde niet over dat nummer kan beschikken, de geboortedatum of het burgerservicenummer van de derde; b. b. de naam van de cliënt en zijn adres of burgerservicenummer of klantnummer bij de Sociale verzekeringsbank; c. c. het tarief; d. d. een verantwoording van de overeengekomen resultaten dan wel een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen; en e. e. een handtekening van de cliënt of, voor zover van toepassing, diens vertegenwoordiger, indien het een schriftelijke declaratie betreft.

5. Indien voor de geleverde maatschappelijke ondersteuning een goedgekeurde verklaring bestaat, betaalt de Sociale verzekeringsbank de hulp uit het sociaal netwerk op aanvraag van de cliënt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2ab, eerste lid, uit. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen indien het verzoek is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld.

6.

De Sociale verzekeringsbank kan een betaling uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten:

a. a. bij het intrekken of herzien van een beslissing op een of meer van de gronden, bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet; b. b. indien een declaratie niet voldoet aan de voorwaarden van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of aan de overeenkomst of verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. c. wegens strijd met het recht, waaronder het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer, of het belang van de uitvoerbaarheid van het verrichten van de betalingen uit het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank; d. d. indien de derde een declaratie niet binnen zes weken na de maand waarin de prestatie is verleend, heeft ingediend bij de cliënt; e. e. indien de Sociale verzekeringsbank een declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de cliënt, deze heeft ontvangen; f. f. indien de Sociale verzekeringsbank een verzoek als bedoeld in het vierde lid, niet heeft ontvangen binnen vier weken na de kalendermaand waarop een verzoek betrekking heeft; g. g. indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, de Sociale verzekeringsbank daarom verzoekt.

7. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, binnen dertig dagen na ontvangst van de declaratie of van het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, tenzij de declaratie of het verzoek onjuist of onvolledig is ingediend. Indien een declaratie niet overeenkomstig het vierde lid of vijfde lid is ingediend, en betalingen niet zijn beëindigd, geweigerd of opgeschort, nodigt de Sociale verzekeringsbank de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verleend uit tot herstel van de declaratie of het verzoek. Na herstel wordt de betaling binnen dertig dagen verricht. De Sociale verzekeringsbank weigert de betaling geheel of gedeeltelijk indien de declaratie of het verzoek niet binnen een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn is hersteld. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van een declaratie werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen.

8. Sociale verzekeringsbank verricht periodieke maandbetalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, uiterlijk binnen dertig dagen na afloop van de maand waarin de zorg geleverd is. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van de periodieke maandbetaling werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen.

9. Indien de cliënt in aanvulling op de bij de beschikking, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet toegekende maatschappelijke ondersteuning aanvullende maatschappelijke ondersteuning heeft gecontracteerd, betaalt de Sociale verzekeringsbank deze indien daartoe voldoende geld is gestort. De Sociale verzekeringsbank stort na de betaling van de aanvullende maatschappelijke ondersteuning binnen redelijke termijn de onbestede gelden terug aan degene die hiervoor het geld heeft gestort.

10. De Sociale verzekeringsbank ondersteunt de cliënt bij zijn werkgeverstaken of opdrachtgeverschap waaronder ten aanzien van arbeidsomstandighedenregelgeving, zaakschade en aansprakelijkheid.

11.

De cliënt houdt een administratie bij van het totaal aan niet-geleverde ondersteuning per derde aan wie betalingen zijn verricht op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e. Deze administratie bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

a. a. de naam van de derde; b. b. het overeengekomen tarief; en c. c. een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen.

12. De cliënt bedoeld in het elfde lid, verstrekt op verzoek van het college voor elke derde het op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e, totaal aantal betaalde uren inclusief het bijbehorende totaalbedrag door middel van een daartoe beschikbaar gesteld formulier aan de Sociale verzekeringsbank.

Artikel 2c

1.

In afwijking van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het vierde en vijfde lid van dat artikel, kan de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de cliënt, betalen:

a. a. door die cliënt gemaakte vervoerskosten; of b. b. een verantwoordingsvrij bedrag voor maatschappelijke ondersteuning.

2. In afwijking van artikel 2b, tweede, vierde lid, en zesde lid, onderdelen d en e, ontvangt de Sociale verzekeringsbank een verzoek om een verantwoordingsvrij bedrag voor maatschappelijke ondersteuning voor het eindigen van de beschikking, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet, van de cliënt.

3. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen, indien de declaratie voor vervoerskosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld

Artikel 2d

De cliënt doet aan de Sociale verzekeringsbank op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van gegevens waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, of het uitvoeren van betalingen ten laste van het persoonsgebonden budget.

Artikel 2e

1. In het belang van een gecoördineerde uitvoering van het persoonsgebonden budget ondersteunt de Sociale verzekeringsbank het college bij de uitoefening van diens taken als de verstrekker van dat budget.

2. De Sociale verzekeringsbank en het college werken samen aan de digitalisering en standaardisering van de uitvoering van het persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 2a. Uitwisseling van gegevens voor de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage

Artikel 2f

De gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de inning, bedoeld in artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet, worden door het college uiterlijk binnen één maand na de dag waarop de voorziening is verstrekt of, indien de leveringsvorm een persoonsgebonden budget betreft, uiterlijk binnen vier maanden na de ingangsdatum van de toekenning van dat budget door het college, aan het CAK verstrekt.

Artikel 2g

1. Indien de gegevens door het college onjuist of onvolledig zijn ingediend bij het CAK, stuurt het CAK zo spoedig mogelijk na indiening een uitnodiging tot herstel aan het college.

2. Het college dient zo spoedig na ontvangst van de uitnodiging, bedoeld in het eerste lid, het herstelde bericht bij het CAK in.

Artikel 2h

1. Ten behoeve van de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor beschermd wonen, vergelijken het college en het CAK ten minste elke twee maanden hun administraties houdende de gegevens van de cliënten die noodzakelijk zijn voor de juiste uitvoering van hun taken.

2. Indien naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde vergelijking blijkt dat sprake is van onvolledige of onjuiste gegevens in de administraties, corrigeert het CAK of het college zo spoedig mogelijk na die vergelijking de gegevens in hun administratie.

Hoofdstuk 3. Beveiligingseisen gegevensverwerking

Artikel 3

De gegevensverwerking, bedoeld in artikel 5.2.9, zesde lid, van de wet, voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of is aan deze normen gelijkwaardig.

Hoofdstuk 3a. Tolkdiensten voor auditief beperkten

Paragraaf 1. Aanspraak op tolkdiensten

Artikel 3a

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • afnemer: te ondersteunen persoon of personen, bedoeld in artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet;
  • tolk: tolk Nederlandse Gebarentaal of schrijftolk die tolkdiensten verleent ten laste van het UWV op grond van artikel 3a.1.1 van de wet;
  • tolkdienst: tolkdienst van een tolk Nederlandse Gebarentaal of schrijftolk die deze diensten verleent ten laste van het UWV op grond van artikel 3a.1.1 van de wet;
  • tolk op afstand: tolk die zijn tolkdiensten verricht vanuit een andere locatie, niet zijnde de locatie waar de afnemer zich bevindt.

Artikel 3b

1. Het UWV draagt zorg voor continue bereikbaarheid om een afnemer te bemiddelen naar tolken in geval van spoed.

2. Het UWV kent in ieder geval 30 uren aan tolkdiensten toe aan een afnemer per jaar. Indien de afnemer zowel auditief als visueel beperkt is, kent het UWV in ieder geval 168 uur aan deze tolkdiensten toe per jaar. Dit laat de aanvullende uren die zijn toegekend op grond van artikel 4a.1.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, onverlet.

3. Indien de dienstverlening door een tolk op afstand wordt verricht, wordt voor 3 uren dienstverlening door een tolk op afstand slechts 1 uur tolkdienstverlening in mindering gebracht op de toegekende vaste beschikbare uren, genoemd in het tweede lid. Indien in totaal meer dan 15 uren dienstverlening van een tolk op afstand wordt afgenomen, wordt voor 1 uur dienstverlening 1 uur in mindering gebracht op het aantal toegekende vaste beschikbare uren, genoemd in het tweede lid, voor de afnemer.

4. Dienstverlening van maximaal twee tolken voor één afnemer wordt alleen vergoed in situaties waar langer dan 2 uren onafgebroken getolkt dient te worden, waarbij vooraf vaststaat dat het achtereenvolgens inzetten van verschillende tolken niet mogelijk is.

5. Voor de dienstverlening, bedoeld in het vierde lid, van twee tolken wordt 1 uur in mindering gebracht op de toegekende vaste beschikbare uren voor de afnemer, genoemd in het tweede lid.

6. Het UWV vergoedt de werktijd van de betrokken tolk tijdens pauzes van de afnemer.

Artikel 3c

Bij de aanvraag legt de persoon alle documenten die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 4a.1.1 van het Uitvoeringsbesluit, waaronder in ieder geval informatie over de aard van de opdracht indien twee tolken tegelijkertijd voor één afnemer zouden tolken.

Artikel 3d

Een declaratie van een vergoeding bevat een handtekening of een elektronische handtekening van de afnemer.

Paragraaf 2. Vergoeding van tolken

Artikel 3e

1. De vergoeding voor tolkdiensten bedraagt ten hoogste € 60,75 (exclusief btw) per uur per tolk of, indien de dienstverlening geen hele uren beslaat, een bedrag naar rato van dat uur afgerond op vijftien minuten. Voor tolk op afstand mag 130% van dit tarief in rekening worden gebracht.

2.

Voor het verlenen van tolkdiensten wordt in geval van de hieronder vermelde buitengewone werktijden, de uurvergoeding vastgesteld op het daarbij aangegeven percentage van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid:

Maandag t/m vrijdag
• 0:00 uur tot 6.00 uur: 145% • 6.00 uur tot 8.00 uur: 120% • 18.00 uur tot 22.00 uur: 120% • 22.00 uur tot 24.00 uur: 145%
Zaterdag
• 0:00 uur tot 6.00 uur: 145% • 6.00 uur tot 22.00 uur: 140% • 22.00 uur tot 24.00 uur: 145%
Zondag of algemeen erkende feestdag
• 0.00 uur tot 24.00 uur: 155%

3. Met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 3b vijfde lid, wordt voor toepassingen voor groepen van afnemers afgeweken van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, en wordt door het UWV een passende vergoeding verstrekt.

4. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het indexcijfer van de Cao-lonen in de gezondheids- en welzijnszorg over de maand september, die daaraan voorafgaat, afwijkt van het indexcijfer waarop de laatste vaststelling van het bedrag is gebaseerd en door de voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV openbaargemaakt.

Artikel 3f

1. Het UWV verstrekt een vergoeding voor vervoerskosten van € 0,70 per gereden kilometer aan een tolk op basis van het aantal werkelijk gereisde kilometers. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van de snelste route op basis van de routeplanner die door het UWV wordt gehanteerd, op basis van volledige postcodes en per enkele reis. Voor de vervoersvergoeding geldt een maximum van 60 kilometer per enkele reis, met uitzondering van personen, die zowel een auditief als visuele beperking hebben. De gereisde afstand wordt naar boven afgerond op hele kilometers.

2. Indien een tolkdienst wordt toegekend aan een afnemer die zowel een auditief als visuele beperking heeft, geldt het maximum aantal kilometers per enkele gemaakte reis als bedoeld in het eerste lid niet.

3.

In afwijking van het eerste lid worden voor onderstaande postcodegebieden een maximum enkele reisafstand van 90 kilometer vergoed:

• • 1790 tot en met 1799 • • 4300 tot en met 4699 • • 5900 tot en met 6499 • • 7800 tot en met 7899 • • 8400 tot en met 9999.

Voor schrijftolken gelden eveneens de volgende aanvullende postcodegebieden:

• • 1600 tot en met 1699 • • 1700 tot en met 1789 • • 7500 tot en met 7799 • • 7900 tot en met 7999 • • 8300 tot en met 8399.

4. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex over de maand september die aan het betreffende kalenderjaar voorafgaat. De voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV maakt de consumentenprijsindex openbaar.

Artikel 3g

1. In het geval dat degene die krachtens artikel 3a.1.1 van de wet een vergoeding van het UWV wenst voor tolkdiensten minder dan 24 uur voor het tijdstip van aanvang van de dienstverlening annuleert, telt het aantal verzochte uren mee voor de urennorm, bedoeld in artikel 3b, tweede lid.

2. Bij een annulering als bedoeld in het eerste lid mag 50% van het tarief overeenkomstig artikel 3e, eerste lid, in rekening worden gebracht bij het UWV door de tolk of tolk op afstand. Bij een annulering bij de locatie van de persoon geldt eveneens een vergoeding voor de vervoerskosten van 50% van de vervoersvergoeding, bedoeld in artikel 3f, eerste lid.

Paragraaf 3. Financiering van de tolkvoorziening

Artikel 3h

1. Het UWV biedt jaarlijks vóór 15 maart het gedeelte van het bestuursverslag dat betrekking heeft op de uitvoering van artikel 3a.3.1 van de wet, met het gedeelte van de jaarrekening dat daarop betrekking heeft aan de Minister aan. De verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 35 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bevat een afzonderlijke verklaring over het gedeelte dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit.

2. De tussentijdse verslagen die het UWV opstelt op grond van artikel 49, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie bevatten tevens een gedeelte over de uitvoering van dit besluit, welk gedeelte door het UWV wordt aangeboden aan de Minister.

3. Het UWV biedt het gedeelte van de verslagen, bedoeld in het tweede lid, vóór 15 juni en 15 oktober aan.

4. Het UWV neemt in het gedeelte van het bestuursverslag met jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, ten minste een verslag van de werkzaamheden en het gevoerde beleid met betrekking tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 3a.1.1 van de wet, op en tevens een toelichting op het gedeelte van de jaarrekening en de balans dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit.

5. De gedeelten van de tussentijdse verslagen, bedoeld in het tweede lid, geven, ten minste inzicht in de gerealiseerde uitgaven op grond van artikel 3a.1.1 van de wet, ten opzichte van de voor deze doeleinden verstrekte voorschotten.

Artikel 3i

1. Het UWV dient jaarlijks vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarin de kosten zullen worden gemaakt de aanvraag om een voorschot aan de Minister in.

2. De aanvraag om een voorschot kan betrekking hebben op de kosten, bedoeld in artikel 3a.3.1 van de wet.

3. De Minister stelt de hoogte van het voorschot vast en verstrekt met ingang van het begrotingsjaar waarop het voorschot betrekking heeft maandelijks voor de 11^e van de maand een twaalfde deel van het vastgestelde voorschot.

4. De Minister kan, op verzoek van het UWV, de bevoorschotting aanpassen in de loop van een kalenderjaar.

5. De Minister stelt binnen acht weken na ontvangst van het gedeelte van het bestuursverslag en de jaarrekening dat betrekking heeft op de uitvoering van artikel 3a.3.1 van de wet de eindafrekening vast.

Hoofdstuk 3b. Beperking uitvoeringslasten

Artikel 3j

1.

Bij de bekostiging van aanbieders, bedoeld in artikel 2.6.7a, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan het college gebruik maken van een:

a. a. inspanningsgerichte uitvoeringsvariant, of b. b. outputgerichte uitvoeringsvariant.

2. Bij gebruik van de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant of de outputgerichte uitvoeringsvariant draagt het college ten aanzien van de financieringswijzen en administratieve processen en de wijze van gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 2.6.7a, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet zorg voor de toepassing van de iWmo.

3. Toepassing van de iWmo houdt in ieder geval in dat er overeenkomstig de iWmo elektronisch berichtenverkeer is tussen gemeenten en de in het eerste lid bedoelde aanbieders bij het toewijzen, factureren en declareren, en leveren van producten, diensten of resultaten.

Artikel 3k

Indien de iWmo worden gewijzigd, wordt de wijziging van kracht vanaf het moment waarop deze openbaar is gemaakt door het Zorginstituut.

Hoofdstuk 4. Veilig Thuis

Paragraaf 1. financiële verantwoording

Artikel 4

1. Een Veilig Thuis-organisatie stelt een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op waarin de eigen financiële gegevens zijn opgenomen en de gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zijn bijgevoegd.

2. Op de jaarverslaggeving van een Veilig Thuis-organisatie is Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12 voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.

3.

In afwijking van of in aanvulling op Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek:

a. a. wordt de jaarverslaggeving ingericht overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 640; b. b. wordt de jaarverslaggeving opgesteld en gepubliceerd in de Nederlandse taal en in de in Nederland wettige valuta; c. c. is het verslagjaar altijd gelijk aan een kalenderjaar; d. d. kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen, genoemd in artikel 395a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; e. e. kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen genoemd in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een beoordelingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 5

1. Een Veilig Thuis-organisatie stelt de jaarverslaggeving en een jaardocument op dat ten minste een verantwoordingsdocument, het verslag, bedoeld in artikel 4.2.10 van de wet en andere informatie die wordt verstrekt op grond van het model, bedoeld in het derde lid, bevat.

2. De jaarverslaggeving en het jaardocument worden ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 juni of, indien de jaarverslaggeving en het jaardocument betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop zij betrekking hebben. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021.

3. De jaarverslaggeving en het jaardocument worden opgesteld met gebruikmaking van het model te verkrijgen via de website www.jaarverslagenzorg.nl.

4. De Minister stelt jaarlijks uiterlijk voor 1 oktober na overleg met betrokken partijen het model voor het volgende verslagjaar vast en kan dit model tussentijds herzien.

5. De gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens, over de verslagjaren 2019 of 2020 worden uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021 openbaar gemaakt.

Artikel 6

1. De jaarverslaggeving en het jaardocument, bedoeld in artikel 5, worden in elektronische vorm bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg ingediend voor 1 juni van het jaar volgend op het verslagjaar, dan wel uiterlijk voor 15 juli van dat jaar, indien zij betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ingediend voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021.

2. De Minister kan een Veilig Thuis-organisatie uitstel van indiening verlenen op een gemotiveerd verzoek, dat uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde toepasselijke termijn moet zijn ingediend.

Artikel 6a

In afwijking van de artikelen 4 tot en met 6 is op de jaarverslaggeving van een Veilig Thuis-organisatie die tevens een zorgaanbieder is waarop artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg van toepassing is, de Regeling openbare jaarverantwoording WMG van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2. Beleidsinformatie Veilig Thuis

Artikel 7

Een Veilig Thuis-organisatie verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek structureel de gegevens, bedoeld in artikel 4.3.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, op de wijze beschreven in bijlage A bij deze regeling.

Hoofdstuk 5. Cliëntervaringsonderzoek maatschappelijke ondersteuning

Artikel 8

1. Een onderzoek als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet, bestaat mede uit een ervaringsonderzoek ten minste onder personen voor wie een onderzoek is uitgevoerd als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet of hen die gebruik maken van een voorziening.

2.

Voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst die ten minste ingaat op hoe personen als bedoeld in het eerste lid indien toepasbaar:

a. a. de toegankelijkheid van voorzieningen ervaren; b. b. de kwaliteit van de ondersteuning ervaren; of c. c. de ondersteuning vinden bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie.

3. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan door middel van een representatieve steekproef worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 6. Bedragen beschermd wonen en overgangsrecht Wmo 2015 AWBZ

Artikel 9

1.

Van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, wordt het volgende vermogensbestanddeel afgetrokken:

a. a. het bedrag van een schadevergoeding voor letselschade waarvan de hoogte is vastgelegd in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak; b. b. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9bis van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; c. c. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9ter van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; d. d. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9quater van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; e. e. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9quinquies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; f. f. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9sexies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; g. g. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9septies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; h. h. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9octies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; i. i. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9novies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; j. j. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9decies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; k. k. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9undecies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; l. l. een uitkering van kindgebonden budget met betrekking tot de berekeningsjaren 2013 tot en met 2017 door de Dienst Toeslagen in het kader van de herstelactie kindgebonden budget.

2. De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel l, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt een jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.

3. De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel e tot en met g, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt drie jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.

4. De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, c, d, h, i, j en k, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt tien jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.

Artikel 10

Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit wordt in verband met zak- en kleedgeld in mindering gebracht:

a. a. voor de ongehuwde cliënt: € 4.925; b. b. voor de gehuwde cliënten tezamen: € 7.661.

Artikel 11

1.

Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit worden in verband met de premie zorgverzekering in mindering gebracht:

a. a. voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen, met dien verstande dat minimaal € 3.029,45 en maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; b. b. voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 1.987, vermeerderd met 5,32% van het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, met dien verstande dat maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; c. c. voor de gehuwde cliënten die beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: voor ieder van de gehuwde cliënten € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen van die gehuwde cliënt, met dien verstande dat voor ieder van de gehuwde cliënten minimaal € 2.697,37 en maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; d. d. voor de gehuwde cliënten die beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt wordt de aftrek voor ieder van de gehuwde cliënten overeenkomstig onderdeel b berekend en geldt voor ieder van de gehuwde cliënten het daarin genoemde maximumbedrag; e. e. voor de gehuwde cliënten wordt de aftrek voor de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, berekend overeenkomstig de in onderdeel b geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximumbedrag; f. f. voor de gehuwde cliënten wordt de aftrek voor de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt berekend overeenkomstig de in onderdeel c geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximum- en minimumbedrag.

2.

Indien de cliënt op 1 januari van het peiljaar aanspraak had op een zorgtoeslag, wordt op de aftrek, bedoeld in het eerste lid, in mindering gebracht:

a. a. voor de cliënt die ongehuwd is: een bedrag van € 1.483, met dien verstande dat als zijn inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen zijn inkomen en € 26.820; b. b. voor de cliënten die gehuwd zijn: een bedrag van € 2.833 met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 26.820.

Artikel 12

Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit wordt in mindering gebracht:

a. a. voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 2.315; b. b. voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.294.

Artikel 13

1. Voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt, indien het op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit, na toepassing van de artikelen 10 tot en met 12, berekende bedrag, meer bedraagt dan € 11.830, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag.

2. Voor de gehuwde cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt, indien het op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit, na toepassing van de artikelen 10 tot en met 12, berekende bedrag voor hen tezamen, meer bedraagt dan € 13.894, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag.

3. Voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt, indien het op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit, na toepassing van de artikelen 10 tot en met 12, berekende bedrag, meer bedraagt dan € 9.406, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag.

4. Voor de gehuwde cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, wordt, indien het op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit, na toepassing van de artikelen 10 tot en met 12, berekende bedrag voor hen tezamen, meer bedraagt dan € 18.950, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag.

5. Het tweede lid is van toepassing indien een van beide gehuwde cliënten de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

Artikel 13a

De bedragen, bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, voor zover vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, zijn de in bijlage B van deze regeling opgenomen bedragen.

Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen

Artikel 14

Wijzigt de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg- en welzijnssector.

Artikel 15

Wijzigt de Regeling Halt 2013.

Artikel 16

Wijzigt de Regeling kwaliteitsjaarverslag zorginstellingen 2010.

Artikel 17

Wijzigt de Subsidieregeling donatie bij leven.

Artikel 18

Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

Artikel 19

Wijzigt de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers.

Hoofdstuk 8. Overgang- en slotbepalingen

Artikel 20

Artikel 2, tweede tot en met vierde lid, is niet van toepassing op het verrichten van betalingen uit het persoonsgebonden budget voor een verzekerde als bedoeld in artikel 8.3, derde lid, van de wet, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit of uiterlijk tot 1 januari 2016.

Artikel 19a

In afwijking van artikel 3j, tweede lid, hoeven de iWmo niet te worden toegepast bij de uitvoering van contracten die door de contractspartijen zijn ondertekend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, behalve voor zover:

a. a. deze contracten volgens de gezamenlijke contractspartijen ruimte laten voor toepassing daarvan, of b. b. deze contracten na de inwerkingtreding van deze regeling worden gewijzigd.

Artikel 19b

Artikel 6a, zoals dat artikel luidde op 31 december 2021, blijft van toepassing op de jaarverslaggeving over verslagjaar 2020.

Artikel 21

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Wmo 2015.

Bijlage A. bij

Bijlage B. bij