rijk/verdrag/verdrag-tot-oprichting-van-een-europees-ruimte-agentschap/BWBV0003813/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

43 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap BWBV0003813 verdrag geldend 1980-10-30 https://wetten.overheid.nl/BWBV0003813 Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Artikel I

1. Hierbij wordt een Europese Organisatie opgericht, „Europees Ruimte-Agentschap” genaamd, hierna te noemen „het Agentschap”.

2. De leden van het Agentschap, hierna te noemen „Lid-Staten”, zijn de Staten die partij bij dit Verdrag zijn overeenkomstig de artikelen XX en XXII.

3. Alle Lid-Staten nemen deel aan de in artikel V, eerste lid, letter a, genoemde verplichte werkzaamheden en dragen bij in de vaste gemeenschappelijke kosten van het Agentschap, bedoeld in Bijlage II.

4. De Zetel van het Agentschap is gevestigd in het gebied van Parijs.

Artikel II

Het doel van het Agentschap is de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van het ruimte-onderzoek en de ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte, uitsluitend voor vreedzame doeleinden, tot stand te brengen en te bevorderen, met het oog op hun gebruik voor wetenschappelijke doeleinden en voor operationele ruimtesystemen bestemd voor praktische toepassing:

(a) (a) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van een Europees ruimtebeleid op lange termijn, door aanbevelingen te doen bij de Lid-Staten inzake doelstellingen op ruimtegebied en door de onderlinge afstemming van het beleid van de Lid-Staten met betrekking tot andere nationale en internationale organisaties en instellingen; (b) (b) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van werkzaamheden en programmas op ruimtegebied; (c) (c) door het coördineren van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en de nationale programmas en door het geleidelijk en zo volledig mogelijk integreren van laatstgenoemde programmas in het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van applicatiesatellieten; (d) (d) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van het bij zijn programma passende industriële beleid en door aanbevelingen te doen bij de Lid-Staten inzake een samenhangend industrieel beleid.

Artikel III

1. De Lid-Staten en het Agentschap vergemakkelijken de uitwisseling van wetenschappelijke en technische inlichtingen op het gebied van het ruimte-onderzoek en de ruimte-technologie en de toepassing hiervan in de ruimte, met dien verstande dat een Lid-Staat niet verplicht is tot mededeling van buiten het Agentschap om verkregen inlichtingen, indien hij van mening is dat een zodanige mededeling onverenigbaar is met de belangen van zijn eigen veiligheid of met zijn eigen overeenkomsten met derden, of met de voorwaarden waaronder hij zodanige inlichtingen heeft verkregen.

2. Bij de uitvoering van zijn werkzaamheden bedoeld in Artikel V draagt het Agentschap er zorg voor dat de wetenschappelijke resultaten, na voorafgaand gebruik hiervan door de voor de proefnemingen verantwoordelijke wetenschappelijke onderzoekers, worden gepubliceerd of op andere wijze in brede kring toegankelijk gemaakt. De hieruit voortkomende verwerkte gegevens zijn eigendom van het Agentschap.

3. Bij het plaatsen van opdrachten of bij het aangaan van overeenkomsten verzekert het Agentschap zich, met betrekking tot de daaruit voortvloeiende uitvindingen en technische gegevens, van zodanige rechten als passend zijn voor de bescherming van zijn belangen, van die van de Lid-Staten die aan het desbetreffende programma deelnemen, alsmede van die van natuurlijke personen en rechtspersonen die onder hun rechtsmacht vallen. Deze rechten houden met name in het recht van toegang, van bekendmaking en van gebruik. Deze uitvindingen en technische gegevens worden aan de deelnemende Staten medegedeeld.

4. Uitvindingen en technische gegevens die eigendom van het Agentschap zijn, worden aan de Lid-Staten bekendgemaakt en kunnen door deze Lid-Staten en door de onder hun rechtsmacht vallende natuurlijke personen en rechtspersonen voor hun eigen doeleinden kosteloos worden gebruikt.

5. De gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van de bovengenoemde bepalingen worden door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aangenomen.

Artikel IV

De Lid-Staten vergemakkelijken de uitwisseling van personen die werkzaamheden verrichten die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, voor zover zulks verenigbaar is met de toepassing op een ieder van de wetten en voorschriften van deze Staten inzake binnenkomst en verblijf in, of vertrek uit hun grondgebied.

Artikel V

1.

De werkzaamheden van het Agentschap omvatten verplichte werkzaamheden, waaraan alle Lid-Staten deelnemen, en niet-verplichte werkzaamheden, waaraan alle Lid-Staten deelnemen uitgezonderd die welke uitdrukkelijk verklaren niet in deelname geïnteresseerd te zijn.

(a) (a) Met betrekking tot de verplichte werkzaamheden dient het Agentschap:

        (i)
        zorg te dragen voor de uitvoering van basis werkzaamheden, zoals opleiding, documentatie, studie betreffende toekomstige projecten en technologisch onderzoek;
      
      
        (ii)
        zorg te dragen voor het opstellen en uitvoeren van een wetenschappelijk programma, dat onder meer satellieten en andere ruimtesystemen omvat;
      
      
        (iii)
        ter zake dienende inlichtingen te verzamelen en door te geven aan de Lid-Staten, te wijzen op leemten en dubbel werk en met raad en daad mede te werken aan de harmonisatie van de internationale en nationale programmas;
      
      
        (iv)
        regelmatige contacten te onderhouden met de gebruikers van ruimtetechnieken en zich op de hoogte te houden van hun behoeften.

(i) (i) zorg te dragen voor de uitvoering van basis werkzaamheden, zoals opleiding, documentatie, studie betreffende toekomstige projecten en technologisch onderzoek; (ii) (ii) zorg te dragen voor het opstellen en uitvoeren van een wetenschappelijk programma, dat onder meer satellieten en andere ruimtesystemen omvat; (iii) (iii) ter zake dienende inlichtingen te verzamelen en door te geven aan de Lid-Staten, te wijzen op leemten en dubbel werk en met raad en daad mede te werken aan de harmonisatie van de internationale en nationale programmas; (iv) (iv) regelmatige contacten te onderhouden met de gebruikers van ruimtetechnieken en zich op de hoogte te houden van hun behoeften. (b) (b) Met betrekking tot de niet-verplichte werkzaamheden draagt het Agentschap, overeenkomstig de bepalingen van Bijlage III, zorg voor de uitvoering van programmas, die in het bijzonder het volgende kunnen omvatten:

        (i)
        het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen, lanceren, in een omloopbaan brengen en controleren van satellieten en andere ruimtesystemen;
      
      
        (ii)
        het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen en exploiteren van lanceerinstallaties en ruimtetransportsystemen.

(i) (i) het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen, lanceren, in een omloopbaan brengen en controleren van satellieten en andere ruimtesystemen; (ii) (ii) het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen en exploiteren van lanceerinstallaties en ruimtetransportsystemen.

2.

Op het gebied van de ruimte-applicaties kan het Agentschap eventueel operationele werkzaamheden verrichten op door de Raad bij meerderheid van alle Lid-Staten vast te stellen voorwaarden.

In dit verband dient het Agentschap:

(a) (a) de betrokken met de exploitatie belaste organisaties de eigen installaties ter beschikking te stellen, die voor hen van nut kunnen zijn; (b) (b) eventueel ten behoeve van de betrokken met de exploitatie belaste organisaties zorg te dragen voor de lancering, het in een omloopbaan brengen en het controleren van operationele applicatiesatellieten; (c) (c) alle andere werkzaamheden te verrichten, waarom door de gebruikers wordt verzocht en die door de Raad zijn goedgekeurd.

De kosten van deze operationele werkzaamheden worden door de betrokken gebruikers gedragen.

3. Met betrekking tot de coördinatie en integratie van de in artikel II, letter c, genoemde programmas, ontvangt het Agentschap tijdig inlichtingen van de Lid-Staten betreffende plannen voor nieuwe ruimteprogrammas, vergemakkelijkt het het overleg tussen de Lid-Staten, verricht het alle noodzakelijke evaluaties en stelt het passende, door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten aan te nemen voorschriften op. De doelstellingen en procedures voor de internationalisatie van de programmas zijn vervat in Bijlage IV.

Artikel VI

1.

Voor de uitvoering van de aan het Agentschap toevertrouwde programmas:

(a) (a) dient het Agentschap zijn eigen capaciteit te handhaven, nodig voor de voorbereiding van en het toezicht op zijn taken en, te dien einde, de vestigingen en de installaties op te richten en te exploiteren, die voor zijn werkzaamheden vereist zijn; (b) (b) kan het Agentschap bijzondere overeenkomsten aangaan voor de uitvoering van bepaalde delen van zijn programmas door, of in samenwerking met, nationale instellingen van de Lid-Staten ofwel voor het in beheer nemen door het Agentschap zelf van bepaalde nationale installaties.

2. Bij de uitvoering van hun programmas trachten de Lid-Staten en het Agentschap bij voorrang van hun bestaande installaties en beschikbare diensten een zo goed mogelijk gebruik te maken en ze te rationaliseren; zij richten derhalve geen nieuwe installaties of diensten op alvorens de mogelijkheid tot gebruik van de bestaande middelen te hebben onderzocht.

Artikel VII

1.

Het industriële beleid dat het Agentschap dient uit te werken en toe te passen krachtens artikel II, letter d, is er met name op gericht:

(a) (a) te voldoen aan de eisen van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en van de gecoördineerde nationale ruimteprogrammas, op economisch verantwoorde wijze; (b) (b) de concurrentiepositie van de Europese industrie in de wereld te verbeteren door het handhaven en ontwikkelen van de ruimtetechnologie en door het bevorderen van de rationalisatie en de ontwikkeling van een industriële structuur die tegemoetkomt aan de eisen van de markt, waarbij in de eerste plaats gebruik wordt gemaakt van het bestaande industriële potentieel van alle Lid-Staten; (c) (c) er voor zorg te dragen dat alle Lid-Staten, met inachtneming van hun financiële bijdrage, op billijke wijze deelnemen aan de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en aan de daarmee samenhangende ontwikkeling van de ruimtetechnologie; in het bijzonder geeft het Agentschap bij de uitvoering van zijn programmas zoveel mogelijk de voorkeur aan de industrie van alle Lid-Staten en stelt het haar op zo ruim mogelijke schaal in de gelegenheid deel te nemen aan het werk van technologisch belang dat ten behoeve van het Agentschap wordt verricht; (d) (d) de voordelen van een beroep op vrije mededinging in alle gevallen te benutten, behoudens wanneer dit onverenigbaar zou zijn met andere vastgelegde doelstellingen van het industriële beleid.

Andere doelstellingen kunnen door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten worden vastgesteld.

De gedetailleerde regelingen voor het bereiken van deze doelstellingen zijn vervat in Bijlage V en in de door de Raad met twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aan te nemen en periodiek te herziene voorschriften.

2. Voor de uitvoering van zijn programmas maakt het Agentschap op zo ruim mogelijke schaal gebruik van externe contractanten, voor zover zulks verenigbaar is met de handhaving van zijn eigen capaciteit, bedoeld in artikel VI, eerste lid.

Artikel VIII

1. Bij het bepalen van zijn missies houdt het Agentschap rekening met de draagraketten of andere ruimtetransportsystemen ontwikkeld, hetzij in het kader van zijn programmas, hetzij door een Lid-Staat, hetzij met een bijdrage van betekenis door het Agentschap en geeft het de voorkeur aan het gebruik daarvan voor passende nuttige ladingen, tenzij een zodanig gebruik een onredelijk nadeel met zich brengt op het gebied van kosten, betrouwbaarheid en geschiktheid voor de desbetreffende missie in vergelijking met het gebruik van andere draagraketten of ruimtetransportmiddelen die op het beoogde tijdstip beschikbaar zijn.

2. Indien de in artikel V bedoelde werkzaamheden of programmas het gebruik omvatten van draagraketten of andere ruimtetransportsystemen, stellen de deelnemende Staten op het ogenblik waarop het desbetreffende programma voor goedkeuring of aanvaarding wordt voorgelegd de Raad ervan in kennis welke draagraket of welk ruimtetransportsysteem wordt beoogd. Indien tijdens de uitvoering van een programma de deelnemende Staten wensen over te gaan tot het gebruik van een andere draagraket of van een ander ruimtetransportsysteem dan oorspronkelijk werd voorzien, spreekt de Raad zich uit over deze wijziging overeenkomstig dezelfde regels als die welke golden met betrekking tot de oorspronkelijke goedkeuring of aanvaarding van het programma.

Artikel IX

1. Mits het gebruik voor zijn eigen werkzaamheden en programmas hiervan geen nadeel ondervindt, stelt het Agentschap zijn installaties aan iedere Lid-Staat ter beschikking, die verzoekt deze voor zijn eigen programmas te mogen gebruiken, en wel op kosten van deze Staat. De Raad stelt met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten de modaliteiten van praktische aard vast volgens welke deze installaties ter beschikking worden gesteld.

2. Indien een of meer Lid-Staten een project wensen aan te vangen, dat buiten de in artikel V genoemde werkzaamheden en programmas, doch binnen de doelstellingen van het Agentschap valt kan de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten besluiten tot hulpverlening door het Agentschap. De hieruit voor het Agentschap voortvloeiende kosten worden door de betrokken Staat of Staten gedragen.

3. (a) (a) De in het kader van een programma van het Agentschap ontwikkelde produkten worden geleverd aan elke Lid-Staat an de financiering van het desbetreffende programma heeft deelgenomen en die daarom ten eigen behoeve verzoekt. De Raad stelt, met een tweede derde meerderheid van alle Lid-Staten, de modaliteiten van praktische aard vast volgens welke deze produkten worden geleverd, en in het bijzonder stelt hij de maatregelen vast, welke het Agentschap ten aanzien van zijn contractanten moet nemen ten einde de verzoekende Lid-Staat in de gelegenheid te stellen zich zodanige produkten aan te schaffen. (b) (b) Deze Lid-Staat kan het Agentschap verzoeken mede te delen of het van oordeel is dat de door de contractanten voorgestelde prijzen billijk en redelijk zijn en of het deze prijzen onder soortgelijke omstandigheden voor eigen behoefte aanvaardbaar zou achten. (c) (c) Het inwilligen van de in dit lid bedoelde verzoeken mag geen bijkomende kosten voor het Agentschap met zich brengen en de verzoekende Lid-Staat dient al de eruit voortvloeiende kosten te dragen.

Artikel X

De organen van het Agentschap zijn de Raad en de Directeur-Generaal, bijgestaan door personeel.

Artikel XI

1. De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten.

2. De Raad komt in vergadering bijeen telkens wanneer daartoe behoefte bestaat, hetzij op het niveau van afgevaardigden, hetzij op ministerieel niveau. De vergaderingen worden gehouden in de Zetel van het Agentschap, tenzij de Raad anders besluit.

3. (a) (a) De Raad kiest voor de duur van twee jaar een voorzitter en vice-voorzitters; dezen kunnen eenmaal voor de duur van een jaar worden herkozen. De Voorzitter leidt de werkzaamheden van de Raad en draagt zorg voor de voorbereiding van de besluiten ervan; hij stelt de Lid-Staten op de hoogte van voorstellen voor de uitvoering van een niet-verplicht programma; hij verleent zijn medewerking aan de coördinatie van de werkzaamheden van de organen van het Agentschap. Hij onderhoudt contact met de Lid-Staten, via hun afgevaardigden in de Raad, omtrent vraagstukken van algemeen beleid die het Agentschap betreffen en tracht hun opvattingen daaromtrent met elkaar in overeenstemming te brengen. In de periode tussen de vergaderingen dient hij de Directeur-Generaal van advies en ontvangt van hem alle noodzakelijke inlichtingen. (b) (b) De Voorzitter wordt bijgestaan door een Bureau, waarvan de samenstelling door de Raad wordt vastgesteld en dat door de Voorzitter wordt bijeengeroepen. Het Bureau dient de Voorzitter van advies bij de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad.

4. Wanneer de Raad op ministerieel niveau in vergadering bijeenkomt, kiest hij een voorzitter voor de duur van de vergadering. Deze voorzitter roept de volgende ministeriële vergadering bijeen.

5.

Naast de elders in dit Verdrag vastgestelde taken en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, heeft de Raad de volgende taken:

(a) (a) met betrekking tot de werkzaamheden en het programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (i) en (ii):

        (i)
        het goedkeuren, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van de werkzaamheden en het programma; besluiten ter zake kunnen slechts worden gewijzigd door met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten genomen nieuwe besluiten;
      
      
        (ii)
        het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, van de omvang van de middelen die aan het Agentschap gedurende de eerstvolgende periode van vijf jaar ter beschikking worden gesteld;
      
      
        (iii)
        het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, tegen het einde van het derde jaar van elke periode van vijf jaar en na beoordeling van de situatie, van de omvang van de middelen die het Agentschap voor de nieuwe periode van vijf jaar, beginnende aan het einde van dit derde jaar, ter beschikking worden gesteld;

(i) (i) het goedkeuren, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van de werkzaamheden en het programma; besluiten ter zake kunnen slechts worden gewijzigd door met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten genomen nieuwe besluiten; (ii) (ii) het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, van de omvang van de middelen die aan het Agentschap gedurende de eerstvolgende periode van vijf jaar ter beschikking worden gesteld; (iii) (iii) het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, tegen het einde van het derde jaar van elke periode van vijf jaar en na beoordeling van de situatie, van de omvang van de middelen die het Agentschap voor de nieuwe periode van vijf jaar, beginnende aan het einde van dit derde jaar, ter beschikking worden gesteld; (b) (b) met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (iii) en (iv):

        (i)
        het bepalen van een beleid dat aan het doel van het Agentschap beantwoordt;
      
      
        (ii)
        het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van tot de Lid-Staten gerichte aanbevelingen;

(i) (i) het bepalen van een beleid dat aan het doel van het Agentschap beantwoordt; (ii) (ii) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van tot de Lid-Staten gerichte aanbevelingen; (c) (c) met betrekking tot de niet-verplichte programmas bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b:

        (i)
        het aanvaarden, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van het programma;
      
      
        (ii)
        het eventueel in de loop van de uitvoering vaststellen van de volgorde van prioriteit van de programmas;

(i) (i) het aanvaarden, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van het programma; (ii) (ii) het eventueel in de loop van de uitvoering vaststellen van de volgorde van prioriteit van de programmas; (d) (d) het vaststellen van de jaarlijkse werkplannen van het Agentschap; (e) (e) met betrekking tot de begrotingen als bepaald in Bijlage II:

        (i)
        het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van de jaarlijkse algemene begroting van het Agentschap;
      
      
        (ii)
        het aannemen, met een twee derde meerderheid van de deelnemende Staten, van elke programmabegroting;

(i) (i) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van de jaarlijkse algemene begroting van het Agentschap; (ii) (ii) het aannemen, met een twee derde meerderheid van de deelnemende Staten, van elke programmabegroting; (f) (f) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van het Financieel Reglement en van alle andere financiële regelingen van het Agentschap; (g) (g) het bezien van de uitgaven voor de verplichte en niet-verplichte werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid; (h) (h) het goedkeuren en publiceren van de gecontroleerde jaarrekeningen van het Agentschap; (i) (i) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van het Personeelsstatuut; (j) (j) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van voorschriften krachtens welke, rekening houdende met de vreedzame doeleinden van het Agentschap, machtiging wordt verleend tot het buiten het grondgebied van de Lid-Staten brengen van in het kader van de werkzaamheden van het Agentschap of met zijn medewerking verworven technologische kennis en ontwikkelde produkten; (k) (k) het beslissen over de toelating van een nieuwe Lid-Staat overeenkomstig artikel XXII; (l) (l) het beslissen over de regelingen te treffen overeenkomstig artikel XXIV ingeval een Lid-Staat dit Verdrag opzegt of ophoudt lid te zijn krachtens artikel XVIII; (m) (m) het nemen van alle andere maatregelen die nodig zijn voor het bereiken van het doel van het Agentschap binnen het kader van dit Verdrag.

6. (a) (a) Elke Lid-Staat bezit in de Raad één stem. Een Lid-Staat heeft evenwel geen stemrecht waar het aangelegenheden betreft, die uitsluitend betrekking hebben op een aanvaard programma waaraan hij niet deelneemt. (b) (b) Een Lid-Staat heeft in de Raad geen stemrecht, indien het bedrag van zijn achterstallige aan het Agentschap verschuldigde bijdragen voor alle werkzaamheden en programmas bedoeld in artikel V, waaraan hij deelneemt, hoger is dan het vastgestelde bedrag van zijn bijdragen voor het lopende begrotingsjaar. Bovendien heeft een Lid-Staat, wiens achterstallige bijdrage aan een der programmas bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), of letter b, waaraan hij deelneemt, hoger is dan het vastgestelde bedrag van zijn bijdragen aan dat programma voor het lopende begrotingsjaar, geen stemrecht in de Raad, inzake vraagstukken die uitsluitend op dat programma betrekking hebben. In een zodanig geval kan de Lid-Staat echter toestemming verkrijgen in de Raad zijn stem uit te brengen, wanneer een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten van mening is dat het niet betalen van de bijdragen te wijten is aan omstandigheden buiten zijn macht. (c) (c) Op iedere vergadering van de Raad is de aanwezigheid van afgevaardigden van een meerderheid van alle Lid-Staten noodzakelijk om het quorum te vormen. (d) (d) Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad genomen met een eenvoudige meerderheid van stemmen van de vertegenwoordigde, hun stem uitbrengende Lid-Staten. (e) (e) Bij het vaststellen van de eenparigheid of de meerderheden van stemmen, voorgeschreven in dit Verdrag, wordt geen rekening gehouden met een Lid-Staat die geen stemrecht heeft.

7. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

8. (a) (a) De Raad stelt een Commissie voor het Wetenschappelijke programma in, waarnaar hij alle zaken verwijst, die het verplichte wetenschappelijke programma als bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), betreffen. De Raad machtigt die Commissie beslissingen over dit programma te nemen, waarbij hij zich evenwel steeds zijn taken met betrekking tot het vaststellen van de omvang van de middelen en het aannemen van de jaarlijkse begroting voorbehoudt. De taakomschrijving van de Commissie wordt door de Raad vastgesteld met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten en in overeenstemming met dit artikel. (b) (b) De Raad kan andere voor het doel van het Agentschap noodzakelijke ondergeschikte organen instellen. Over de instelling en de taakomschrijving van deze organen, alsmede over de gevallen waarin zij beslissingsbevoegdheid hebben, besluit de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten. (c) (c) Wanneer een ondergeschikt orgaan een aangelegenheid onderzoekt die uitsluitend betrekking heeft op slechts een van de niet-verplichte programmas bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b, hebben niet-deelnemende Staten geen stemrecht, tenzij alle deelnemende Staten anders besluiten.

Artikel XII

1. (a) (a) De Raad benoemt met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten een Directeur-Generaal voor een vastgestelde termijn en kan met dezelfde meerderheid zijn dienstverband beëindigen. (b) (b) De Directeur-Generaal is de hoogste leidinggevende functionaris van het Agentschap en vertegenwoordigt het in rechte. Hij treft alle noodzakelijke maatregelen voor het beheer van het Agentschap, de uitvoering van de programma's, de tenuitvoerlegging van het beleid en het bereiken van de doeleinden van het Agentschap; zulks in overeenstemming met de richtlijnen uitgevaardigd door de Raad. Hij oefent het gezag uit over de instellingen van het Agentschap. Ten aanzien van het financiële beheer van het Agentschap handelt hij overeenkomstig de bepalingen van Bijlage II. Hij stelt een jaarverslag voor de Raad op, dat wordt gepubliceerd. Hij kan ook voorstellen doen betreffende werkzaamheden en programmas, alsmede betreffende maatregelen welke het bereiken van de doeleinden van het Agentschap moeten verzekeren. Hij neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van het Agentschap. (c) (c) De Raad kan de benoeming van de Directeur-Generaal voor een noodzakelijk geachte tijdsduur uitstellen, hetzij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag hetzij als zich nadien een vacature voordoet. In dat geval benoemt de Raad een persoon die de functie van Directeur-Generaal waarneemt en stelt diens bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast.

2. De Directeur-Generaal wordt bijgestaan door het door hem noodzakelijk geachte wetenschappelijk en technisch personeel, beleidspersoneel en administratief personeel en wel binnen de door de Raad toegestane grenzen.

3. (a) (a) Leidinggevend personeel, als zodanig door de Raad aangemerkt, wordt benoemd en ontslagen door de Raad op voorstel van de Directeur-Generaal. Voor benoemingen en ontslagen door de Raad is een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vereist. (b) (b) De overige personeelsleden worden benoemd of ontslagen door de Directeur-Generaal, die daarbij handelt op gezag van de Raad. (c) (c) Al het personeel wordt aangeworven op grond van bekwaamheid, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredige verdeling van de beschikbare plaatsen onder de onderdanen van de Lid-Staten. Benoeming, en beëindiging van dienstverband geschiedt overeenkomstig het Personeelsstatuut. (d) (d) Wetenschappelijke onderzoekers die geen deel uitmaken van het personeel en die speurwerk verrichten bij de instellingen van het Agentschap zijn onderworpen aan het gezag van de Directeur-Generaal en aan alle door de Raad aangenomen algemene voorschriften.

4. De verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en het personeel ten opzichte van het Agentschap dragen een uitsluitend internationaal karakter. Bij de uitoefening van hun taak vragen noch ontvangen dezen instructies van enige regering of autoriteit buiten het Agentschap. Iedere Lid-Staat is gehouden het internationaal karakter van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en van de personeelsleden te eerbiedigen en tracht niet hen bij de uitoefening van hun taak te beïnvloeden.

Artikel XIII

1.

Iedere Lid-Staat draagt bij in de kosten van de uitvoering van werkzaamheden en van het programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, en, overeenkomstig Bijlage II, in de gemeenschappelijke kosten van het Agentschap, volgens een schaal aangenomen door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, hetzij om de drie jaar ten tijde van de beoordeling bedoeld in artikel XI, vijfde lid, letter a, punt (iii), of wanneer de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten besluit een nieuwe schaal vast te stellen. De schaal van bijdragen wordt gebaseerd op het gemiddelde nationale inkomen van elke Lid-Staat over de laatste drie jaar waarover statistieken beschikbaar zijn.

Niettemin

(a) (a) is geen Lid-Staat verplicht hogere bijdragen te betalen dan vijfentwintig procent van de door de Raad ter dekking van deze kosten vastgestelde som van de bijdragen; (b) (b) kan de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten besluiten rekening te houden met eventuele bijzondere omstandigheden van een Lid-Staat en diens bijdrage dienovereenkomstig tijdelijk te verminderen. In het bijzonder wanneer het jaarlijks inkomen per hoofd van de bevolking in een Lid-Staat lager ligt dan een door de Raad met eenzelfde meerderheid vast te stellen bedrag, wordt zulks beschouwd als een bijzondere omstandigheid in de zin van deze bepaling.

2. Iedere Lid-Staat draagt bij in de kosten van de uitvoering van elk niet-verplicht programma vallend onder artikel V, eerste lid, letter b, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard niet in deelname geïnteresseerd te zijn en derhalve geen deelnemer is. Tenzij alle deelnemende Staten anders besluiten, wordt de schaal van bijdragen voor een bepaald programma gebaseerd op het gemiddelde nationale inkomen van iedere deelnemende Staat over de laatste drie jaar waarover statistieken beschikbaar zijn. Deze schaal wordt herzien, hetzij om de drie jaar, hetzij wanneer de Raad besluit een nieuwe schaal vast te stellen overeenkomstig het eerste lid. Geen Lid-Staat is echter verplicht op grond van deze schaal hogere bijdragen te betalen dan vijfentwintig procent van de som van de bijdragen voor het desbetreffende programma. Niettemin dient het door elke deelnemende Staat te betalen percentage van de bijdrage tenminste gelijk te zijn aan vijfentwintig procent van zijn volgens het eerste lid vastgestelde percentage van de bijdrage, tenzij alle deelnemende Staten bij de aanvaarding of tijdens de uitvoering van het programma anders besluiten.

3. Voor het vaststellen van de in het eerste en tweede lid bedoelde bijdragen-schalen dienen dezelfde statistische systemen te worden gebruikt; deze worden vastgelegd in het Financieel Reglement.

4. (a) (a) Elke Staat die geen partij was bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek of bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen en die partij wordt bij dit Verdrag, verricht naast zijn bijdragen een speciale betaling op basis van de waarde die het vermogen van het Agentschap op dat ogenblik heeft. Het bedrag van deze speciale betaling wordt door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vastgesteld. (b) (b) Alle overeenkomstig het bepaalde in letter a verrichte betalingen worden in mindering gebracht op de bijdragen van de andere Lid-Staten, tenzij de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten anders besluit.

5. De krachtens dit artikel verschuldigde bijdragen worden betaald overeenkomstig Bijlage II.

6. De Directeur-Generaal kan, met inachtneming van eventueel door de Raad gegeven richtlijnen, giften of legaten aan het Agentschap aanvaarden, mits deze niet onderworpen zijn aan voorwaarden die onverenigbaar zijn met de doeleinden van het Agentschap.

Artikel XIV

1. Het Agentschap kan, wanneer de Raad daartoe met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten besluit, met andere internationale organisaties en instellingen alsmede met regeringen, organisaties en instellingen van niet-Lid-Staten samenwerken en te dien einde overeenkomsten met hen sluiten.

2. Deze samenwerking kan de vorm aannemen van deelname door niet-Lid-Staten of internationale organisaties aan een of meer programmas bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), of artikel V, eerste lid, letter b. Onverminderd de krachtens het eerste lid van dit artikel te nemen besluiten worden de gedetailleerde regelingen voor een zodanige samenwerking van geval tot geval door de Raad vastgesteld met een twee derde meerderheid van de aan het desbetreffende programma deelnemende Staten. Deze regelingen kunnen inhouden dat een niet-Lid-Staat stemrecht in de Raad bezit wanneer deze aangelegenheden behandelt, welke uitsluitend betrekking hebben op het programma waaraan die Staat deelneemt.

3. Deze samenwerking kan eveneens de vorm aannemen van het verlenen van geassocieerd lidmaatschap aan niet Lid-Staten, die zich verplichten tenminste bij te dragen voor de studies betreffende toekomstige projecten bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (i). De gedetailleerde regelingen voor elk zodanig geassocieerd lidmaatschap worden van geval tot geval door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vastgesteld.

Artikel XV

1. Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid.

2. Het Agentschap, zijn personeelsleden en deskundigen, alsmede de vertegenwoordigers van de Lid-Staten genieten de rechtsbevoegdheid, de voorrechten en de immuniteiten vastgesteld in Bijlage I.

3. Tussen het Agentschap en de Lid-Staten op wier grondgebied de Zetel van het Agentschap en de overeenkomstig artikel VI opgerichte vestigingen zijn gelegen, worden overeenkomsten gesloten betreffende de Zetel en de vestigingen.

Artikel XVI

1. De Raad kan de Lid-Staten aanbevelingen doen tot wijziging van dit Verdrag en van Bijlage I daarbij. Een Lid-Staat die een wijziging wenst voor te stellen, doet de Directeur-Generaal mededeling van het wijzigingsvoorstel. De Directeur-Generaal stelt de Lid-Staten in kennis van een hem aldus medegedeelde wijziging en wel ten minste drie maanden voordat deze wijziging door de Raad wordt besproken.

2. Een door de Raad aanbevolen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat de Franse Regering van alle Lid-Staten kennisgeving van aanvaarding heeft ontvangen. De Franse Regering doet alle Lid-Staten mededeling van de datum van inwerkingtreding van een zodanige wijziging.

3. De Raad kan met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten elke andere Bijlage bij dit Verdrag wijzigen, mits zodanige wijzigingen niet in strijd zijn met het Verdrag. Een zodanige wijziging treedt in werking op een door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten vast te stellen datum. De Directeur-Generaal doet alle Lid-Staten mededeling van een aldus aangenomen wijziging en van de datum waarop zij in werking treedt.

Artikel XVII

1. Elk geschil tussen twee of meer Lid-Staten of tussen een of meer van hen en het Agentschap, betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag of van de Bijlagen daarbij, alsmede elk geschil bedoeld in artikel XXVI van Bijlage I, dat niet wordt bijgelegd door bemiddeling van de Raad, wordt op verzoek van een partij bij het geschil onderworpen aan arbitrage.

2. Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, is de arbitrageprocedure in overeenstemming met dit artikel en met door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aan te nemen aanvullende regels.

3. Het Scheidsgerecht bestaat uit drie leden. Elke partij bij het geschil benoemt een scheidsman; de twee scheidsmannen benoemen de derde scheidsman, die het voorzitterschap van het Scheidsgerecht op zich neemt. De aanvullende regels bedoeld in het tweede lid bepalen de te volgen procedure indien de benoemingen niet binnen een bepaald tijdsbestek plaats hebben gevonden.

4. Lid-Staten of het Agentschap die geen partij zijn bij het geschil, kunnen zich met toestemming van het Scheidsgerecht voegen in de procedure, wanneer dit van mening is dat zij een wezenlijk belang hebben bij de beslissing van de zaak.

5. Het Scheidsgerecht bepaalt zelf zijn zetel en stelt zelf zijn reglement van orde vast.

6. De uitspraak van het Scheidsgerecht wordt gedaan bij meerderheid van zijn leden, die zich niet van stemming mogen onthouden. De uitspraak is definitief en bindend voor alle partijen bij het geschil en er kan geen beroep tegen worden aangetekend. De partijen dienen onverwijld gevolg te geven aan de uitspraak. In geval van onenigheid omtrent de betekenis of de strekking van de uitspraak, geeft het Scheidsgerecht uitleg op verzoek van een partij bij het geschil.

Artikel XVIII

Een Lid-Staat, die zijn uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, houdt op lid te zijn van het Agentschap, na een door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten genomen besluit. In een zodanig geval is het bepaalde in artikel XXIV van toepassing.

Artikel XIX

Op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, neemt het Agentschap alle rechten en verplichtingen over van de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en van de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen.

Artikel XX

1. Dit Verdrag staat tot 31 december 1975 open voor ondertekening door de Staten die lid zijn van de Europese Ruimteconferentie. De Bijlagen bij dit Verdrag vormen een integrerend deel daarvan.

2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Franse Regering.

3. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag en in afwachting van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding kan een ondertekenende Staat zonder stemrecht deelnemen aan de vergaderingen van het Agentschap.

Artikel XXI

1. Dit Verdrag treedt in werking wanneer de volgende Staten, die Lid zijn van de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek of van de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen het hebben ondertekend en hun akten van bekrachtiging of aanvaarding hebben nedergelegd bij de Franse Regering: het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, Spanje, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat. Voor een Staat die dit Verdrag na de inwerkingtreding ervan bekrachtigt, aanvaardt, of daartoe toetreedt, wordt het Verdrag van kracht op de datum van nederlegging door deze Staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.

2. Het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen treden buiten werking op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel XXII

1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat tot het Verdrag toetreden na een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit van de Raad.

2. Een Staat die tot dit Verdrag wenst toe te treden, doet daarvan mededeling aan de Directeur-Generaal, die de Lid-Staten van dit verzoek in kennis stelt en wel ten minste drie maanden voordat het aan de Raad ter beslissing wordt voorgelegd.

3. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Franse Regering.

Artikel XXIII

De Franse Regering doet alle ondertekenende en toetredende Staten mededeling van:

(a) (a) de datum van nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, (b) (b) de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van wijzigingen overeenkomstig artikel XVI, tweede lid, (c) (c) de opzegging van het Verdrag door een Lid-Staat.

Artikel XXV

1. Nadat dit Verdrag zes jaar van kracht is geweest, kan iedere Lid-Staat het opzeggen door daarvan mededeling te doen aan de Franse Regering, die de andere Lid-Staten en de Directeur-Generaal hiervan mededeling doet. De opzegging wordt van kracht aan het einde van het begrotingsjaar volgende op het jaar waarin daarvan mededeling werd gedaan aan de Franse Regering. Nadat de opzegging van kracht is geworden, blijft de betrokken Staat verplicht het door hem verschuldigde aandeel in de met de goedgekeurde vastleggingskredieten overeenkomende betalingskredieten te honoreren, welke zijn gebruikt zowel uit de begrotingen voor het lopende jaar waaraan hij bijdroeg op het tijdstip dat de opzegging werd medegedeeld aan de Franse Regering, als uit voorgaande begrotingen.

2. Een Lid-Staat die het Verdrag opzegt, stelt het Agentschap schadeloos voor elk vermogensverlies op zijn grondgebied, tenzij met het Agentschap een bijzondere overeenkomst kan worden gesloten inzake het voortgezet gebruik van dit vermogen door het Agentschap of de voortzetting van bepaalde werkzaamheden van het Agentschap op het grondgebied van genoemde Staat. Een zodanige bijzondere overeenkomst bepaalt in het bijzonder in hoeverre en op welke voorwaarden de bepalingen van dit Verdrag, nadat de opzegging van kracht is geworden, van toepassing zullen blijven op het gebruik van dit vermogen en de voortzetting van deze werkzaamheden.

3. Een Lid-Staat die het Verdrag opzegt en het Agentschap stellen gezamenlijk aanvullende verplichtingen vast, die genoemde Staat moet dragen.

4. De betrokken Staat behoudt de rechten die hij heeft verworven tot aan de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

Artikel XXV

1. Het Agentschap wordt ontbonden wanneer het aantal Lid-Staten minder dan vijf wordt. Het kan te allen tijde worden ontbonden nadat daarover door de Lid-Staten overeenstemming is bereikt.

2. In geval van ontbinding stelt de Raad een liquidatie-orgaan in, dat in onderhandeling zal treden met de Staten op wier grondgebied de Zetel en de vestigingen van het Agentschap op dat ogenblik zijn gevestigd. De rechtspersoonlijkheid van het Agentschap blijft bestaan ten behoeve van de liquidatie.

3. Elk overschot wordt verdeeld onder de Staten die op het ogenblik van de ontbinding lid van het Agentschap zijn, en wel in verhouding tot de bijdragen die zij vanaf het tijdstip waarop zij partij werden bij dit Verdrag daadwerkelijk hebben betaald. Indien er een tekort is, wordt dit over dezelfde Staten omgeslagen in verhouding tot hun voor het dan lopende begrotingsjaar vastgestelde bijdragen.

Artikel XXVI

Zodra dit Verdrag in werking is getreden, doet de Franse Regering het registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties, in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.