rijk/verdrag/verdrag-tot-oprichting-van-een-europese-organisatie-voor-astronomisch-onderzoek/BWBV0004585/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

16 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond BWBV0004585 verdrag geldend 1964-01-17 https://wetten.overheid.nl/BWBV0004585 Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond

Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond

Artikel I

1. Bij dit Verdrag wordt een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond, hierna te noemen „de Organisatie”, opgericht.

2. De Organisatie is voorlopig gevestigd te Brussel. De zetel van de Organisatie zal door de bij artikel IV ingestelde Raad definitief worden vastgesteld.

Artikel II

1. De Organisatie heeft tot doel de bouw, de uitrusting en het doen functioneren van een op het zuidelijk halfrond gelegen sterrenwacht.

2.

Het basisprogramma van de Organisatie omvat de bouw, de inrichting en het doen functioneren van een sterrenwacht op het zuidelijk halfrond, die voorzien is van:

a. a. een telescoop met een opening van ongeveer 3 m; b. b. een Schmidt-kijker met een corrector-plaat van ongeveer 1,20 m; c. c. ten hoogste drie telescopen met een maximum opening van 1 m; d. d. een meridiaankijker; e. e. de hulpapparatuur nodig voor die programma's voor onderzoek die worden uitgevoerd met de instrumenten omschreven onder a, b, c en d; f. f. de gebouwen die nodig zijn om de onder a, b, c, d en e bedoelde uitrusting en het beheer van die sterrenwacht in onder te brengen, alsmede die voor de huisvesting van het personeel.

3. Elk aanvullend programma dient aan de bij artikel IV van dit Verdrag ingestelde Raad te worden voorgelegd en door de Raad te worden goedgekeurd met twee-derde meerderheid van stemmen van alle Lid-Staten van de Organisatie. De Staten die het aanvullend programma niet hebben goedgekeurd, zijn niet verplicht bij te dragen tot de uitvoering van dat programma.

4. De Lid-Staten bevorderen de uitwisseling van personen en van wetenschappelijke en technische gegevens die van nut zijn voor de uitvoering van de programma's waar zij aan deelnemen.

Artikel III

1. Leden van de Organisatie zijn de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.

2. De toelating van andere Staten tot de Organisatie geschiedt overeenkomstig de in artikel XIII, vierde lid, bepaalde procedure.

Artikel IV

De Organisatie bestaat uit de Raad en de Directeur.

Artikel V

1. De Raad bestaat uit afgevaardigden der Lid-Staten; elke Staat heeft twee afgevaardigden, waarvan er ten minste één astronoom dient te zijn. De afgevaardigden kunnen door deskundigen worden bijgestaan.

2.

De Raad

a) a) bepaalt het beleid van de Organisatie in wetenschappelijke, technische en administratieve aangelegenheden; b) b) keurt de begroting met twee-derde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten goed en stelt de financiële regelingen vast, overeenkomstig het bij dit Verdrag gevoegde Financiële Protocol; c) c) controleert de uitgaven, keurt de geverifieerde jaarrekeningen van de Organisatie goed en maakt deze laatste openbaar; d) d) neemt besluiten ten aanzien van de personeelsformatie en keurt de aantrekking van het hoger personeel van de Organisatie goed; e) e) publiceert een jaarverslag; f) f) keurt het door de Directeur voorgestelde huishoudelijke reglement van de sterrenwacht goed; g) g) is bevoegd de maatregelen te nemen die nodig zijn voor het functioneren van de Organisatie.

3. De Raad komt minstens eenmaal per jaar bijeen en stelt zelf de plaats van bijeenkomst vast.

4. Elke Lid-Staat beschikt over één stem in de Raad. Een Lid-Staat mag echter, behalve wat betreft het in artikel II, tweede lid, genoemde basisprogramma, zijn stem ten aanzien van de uitvoering van een programma slechts uitbrengen indien hij voor dat programma een financiële bijdrage heeft toegezegd of indien er wordt gestemd over installaties voor de aanschaffing waarvan hij bijdragen heeft toegezegd.

5. De besluiten van de Raad zijn slechts geldig indien zij worden genomen bij aanwezigheid van de afgevaardigden van ten minste twee-derde van de Lid-Staten.

6. Behalve indien in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden de besluiten van de Raad genomen met een volstrekte meerderheid van stemmen van de Lid-Staten die vertegenwoordigd zijn en hun stem uitbrengen.

7. De Raad stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag.

8. De Raad kiest uit zijn midden een Voorzitter, waarvoor een ambtstermijn van één jaar geldt en die ten hoogste tweemaal achtereenvolgens herkozen mag worden.

9. De Voorzitter roept de Raad in vergadering bijeen. Hij is verplicht de Raad in vergadering bijeen te roepen binnen 30 dagen nadat twee of meer Lid-Staten een desbetreffende wens te kennen hebben gegeven.

10. De Raad kan de hulporganen in het leven roepen die nodig zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Organisatie. De Raad bepaalt de opdracht van zodanige organen.

11. De Raad bepaalt, met eenparigheid van stemmen van de Lid-Staten, de keuze van de Staat op wiens grondgebied de sterrenwacht wordt gevestigd en de plaats van vestiging.

12. Overeenkomsten met de Staat op wiens grondgebied de zetel is, onderscheidenlijk de sterrenwacht wordt gevestigd, nodig voor de uitvoering van dit Verdrag, worden door de Raad gesloten.

Artikel VI

1. a) a) De Raad benoemt voor een vastgestelde termijn, met tweederde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten, de Directeur, die slechts verantwoording verschuldigd is aan de Raad. Hij is met de algemene leiding van de Organisatie belast. Hij is de wettelijke vertegenwoordiger van de Organisatie. De Directeur legt een jaarlijks rapport over aan de Raad. Tenzij de Raad anders beslist, woont hij de vergaderingen van de Raad met raadgevende stem bij. b) b) De Raad kan, met twee-derde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten, de Directeur van zijn functie ontheffen. c) c) Indien de directeurszetel onbezet is, treedt de Voorzitter van de Raad op als wettelijk vertegenwoordiger van de Organisatie. De Raad kan dan, ter vervanging van de Directeur, een persoon benoemen wiens bevoegdheden en verantwoordelijkheden door de Raad worden vastgesteld. d) d) Met inachtneming van het bepaalde door de Raad, kunnen de Voorzitter en de Directeur hun ondertekeningsbevoegdheid overdragen.

2. De Directeur wordt bijgestaan door het wetenschappelijk, technisch en administratief personeel waarvoor de Raad zijn goedkeuring verleent.

3. Behoudens de bepalingen van artikel V, lid 2 d, en binnen de door de begroting gestelde grenzen, wordt het personeel door de Directeur aangesteld en ontslagen. Het dienstverband wordt aangegaan en beëindigd overeenkomstig het door de Raad aangenomen statuut van het personeel.

4. De Directeur en het personeel van de Organisatie oefenen hun functies uit in het belang van de Organisatie. Zij mogen geen instructies vragen aan, noch ontvangen van, andere dan de bevoegde organen van de Organisatie. Zij onthouden zich van iedere handeling die niet verenigbaar is met de aard van hun functies. Elke Lid-Staat verplicht zich de Directeur en het personeel van de Organisatie niet bij de uitoefening van hun functies te beïnvloeden.

5. De wetenschappelijke onderzoekers en hun medewerkers die met toestemming van de Raad werkzaamheden in de sterrenwacht komen verrichten zonder tot het personeel van de Organisatie te behoren, staan onder het gezag van de Directeur en zijn onderworpen aan de door de Raad vastgestelde of goedgekeurde algemene bepalingen.

Artikel VII

1. a) a) Elke Lid-Staat levert een bijdrage aan de investerings- en uitrustingsuitgaven, alsmede aan de lopende bedrijfskosten van de Organisatie, overeenkomstig een schaal die iedere drie jaar door de Raad wordt vastgesteld met twee-derde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten op grond van het gemiddelde netto nationale inkomen, berekend volgens de in artikel VII, lid 1 b, van het op 1 juli 1953 te Parijs ondertekende Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek nedergelegde regels. b) b) Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op het in artikel II, tweede lid, genoemde basisprogramma. c) c) Geen Lid-Staat is echter verplicht jaarlijkse bijdragen te betalen die één derde van het totaal bedrag van de door de Raad vastgestelde bijdragen overschrijden. Dit maximum kan bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit van de Raad worden verminderd indien een Staat die niet in de Bijlage bij het Financiële Protocol is genoemd, lid van de Organisatie wordt.

2. Indien een in artikel II, derde lid, bedoeld aanvullend programma wordt vastgesteld, stelt de Raad een speciale schaal vast teneinde de bijdragen te bepalen, die de aan dat programma deelnemende Lid-Staten dienen te leveren ter bestrijding van de kosten van dat programma. Deze speciale schaal wordt vastgesteld volgens de in lid 1 van dit artikel genoemde regels, zonder dat daarbij echter met de onder c vermelde bepalingen rekening wordt gehouden.

3. Staten die lid worden van de Organisatie na de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag, zijn verplicht, behalve hun bijdrage aan de toekomstige investerings- en uitrustingsuitgaven en aan de lopende bedrijfskosten, tevens een speciale bijdrage te leveren die hun aandeel vertegenwoordigt in de reeds verrichte investerings- en uitrustingsuitgaven. De omvang van deze bijdrage wordt met tweederde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten door de Raad vastgesteld.

4. Tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders beslist, worden alle overeenkomstig de bepalingen van lid 3 van dit artikel betaalde speciale bijdragen aangewend ter vermindering van de bijdragen van de andere Lid-Staten.

5. Een Staat heeft niet het recht deel te nemen aan werkzaamheden waarvoor hij geen financiële bijdrage heeft geleverd.

6. De Raad kan voor de Organisatie bestemde giften en legaten aanvaarden, mits daaraan geen voorwaarden verbonden zijn die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de Organisatie.

Artikel VIII

1. De Raad kan de Lid-Staten wijzigingen van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Financiële Protocol aanbevelen. Elke Lid-Staat die een wijziging wenst voor te stellen, doet daarvan mededeling aan de Directeur. De Directeur brengt de aldus voorgestelde wijzigingen ter kennis van de Lid-Staten ten minste drie maanden voordat zij in de Raad aan een onderzoek worden onderworpen.

2. De door de Raad aanbevolen wijzigingen kunnen slechts worden aanvaard met toestemming van alle Lid-Staten, gegeven overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. Deze wijzigingen worden van kracht dertig dagen nadat de laatste mededeling van aanvaarding van de wijziging is ontvangen. De Directeur deelt aan de Lid-Staten de datum waarop de wijziging van kracht wordt mede.

Artikel IX

Tenzij de betrokken Lid-Staten een andere wijze van beslechting aanvaarden, wordt ieder geschil tussen de Lid-Staten betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag of van het Financiële Protocol, dat niet kan worden beslecht door bemiddeling van de Raad, bij het Permanente Hof van Arbitrage te 's-Gravenhage aanhangig gemaakt, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van 18 oktober 1907.

Artikel X

ledere Lid-Staat van de Organisatie kan na een termijn van ten minste tien jaar, te rekenen van de datum waarop hij lid van de Organisatie werd, de Voorzitter van de Raad schriftelijk mededelen dat hij uit de Organisatie treedt. Een zodanige uittreding wordt van kracht aan het einde van het boekjaar volgende op dat waarin de Voorzitter de desbetreffende mededeling heeft ontvangen. Een Lid-Staat die uit de Organisatie treedt kan geen enkel recht doen gelden op de activa van de Organisatie, noch op het bedrag van de door hem reeds gestorte bijdragen.

Artikel XI

Indien een van de Leden van de Organisatie niet langer aan de uit dit Verdrag of het Financiële Protocol voortvloeiende verplichtingen voldoet, wordt dat Lid door de Raad verzocht zich te houden aan de bepalingen van dit Verdrag of van dit Protocol. Indien dat Lid niet aan het verzoek van de Raad voldoet binnen de daarvoor gestelde termijn, kunnen de overige Leden met eenparigheid van stemmen beslissen hun samenwerking binnen de Organisatie zonder dat Lid voort te zetten. In dat geval kan die Staat geen enkel recht doen gelden op de activa van de Organisatie, noch op het bedrag van de door hem reeds gestorte bijdragen.

Artikel XII

De Organisatie kan te allen tijde bij een met twee-derde meerderheid van stemmen van de Lid-Staten genomen besluit worden opgeheven. Bij dit besluit wordt tevens een vereffenaar benoemd, tenzij bij de opheffing met eenparigheid van stemmen een overeenkomst tussen de Lid-Staten tot stand komt. De activa van de Organisatie worden tussen de Staten die op het tijdstip van de opheffing lid van de Organisatie zijn, verdeeld, in de verhouding van de daadwerkelijk door hen betaalde bijdragen sinds zij partij bij dit Verdrag zijn. Eventuele passiva worden door deze Staten aangevuld in de verhouding van de voor het op dat ogenblik lopende boekjaar vastgestelde bijdragen.

Artikel XIII

1. Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financiële Protocol staan ter ondertekening open voor alle Staten die aan de aan dit Verdrag voorafgaande werkzaamheden hebben deelgenomen.

2. Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financiële Protocol dienen te worden goedgekeurd of bekrachtigd door elke Staat overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen.

3. De akten van goedkeuring of bekrachtiging worden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek nedergelegd.

4. De Raad kan, met eenparigheid van stemmen van de Lid-Staten, tot de toelating tot de Organisatie van niet in het eerste lid van dit artikel bedoelde Staten besluiten. De op deze wijze toegelaten Staten worden lid van de Organisatie door middel van nederlegging van een akte van toetreding bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek.

Artikel XIV

1. Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financiële Protocol treden in werking op de datum waarop de vierde akte van goedkeuring of van bekrachtiging wordt nedergelegd, mits het totaal van de bijdragen volgens de in de bijlage bij het Financiële Protocol opgenomen schaal niet minder bedraagt dan 70 %.

2. Voor elke Staat die zijn akte van goedkeuring, bekrachtiging of toetreding na de in het eerste lid van dit artikel genoemde datum van inwerkingtreding nederlegt, treden het Verdrag en het Financiële Protocol in werking op de datum van nederlegging van die akte.

Artikel XV

1. De Minister van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek doet van de nederlegging van iedere akte van goedkeuring, bekrachtiging of toetreding en van de inwerkingtreding van dit Verdrag en het daaraan gehechte Financiële Protocol mededeling aan alle ondertekenende en toetredende Staten, alsmede aan de Directeur van de Organisatie.

2. De Voorzitter van de Raad doet alle Lid-Staten mededeling van het uittreden van een Staat uit de Organisatie, alsmede van het feit dat een Staat ophoudt lid te zijn uit hoofde van artikel XI.

Artikel XVI

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek doet dit Verdrag en het daaraan gehechte Financiële Protocol, zodra zij in werking zijn getreden, registreren bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.