rijk/wet/wet-op-het-kindgebonden-budget/BWBR0022751/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

9 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet op het kindgebonden budget BWBR0022751 wet geldend 2011-12-08 https://wetten.overheid.nl/BWBR0022751 Wet op het kindgebonden budget

Wet op het kindgebonden budget

Artikel 1

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen; c. c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.

2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

3. Artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is niet van toepassing.

4. In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000 dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80 000. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 2

1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

2.

Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:

a. a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind : € 1017,; b. b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1478, per 1 januari 2013: € 1553,; c. c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 1661, per 1 januari 2013: € 1736,; d. d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 1661, per 1 januari 2013: € 1736,, verhoogd met zoveel maal € 106, als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.

3. Een ouder heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

4. Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 231.

5. Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 296.

6. Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan € 26 147 wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede, vierde en vijfde lid verminderd met 7,6% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en € 26 147.

7. Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

8. Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.

9. De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.

10.

Indien de ouder:

a. a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor een kind, en b. b. voor dat kind voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen,

bedraagt het kindgebonden budget een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de in het tweede lid, onderdeel a, vierde, vijfde en zesde lid bedoelde bedragen. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

11.

Indien de ouder:

a. a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind, en b. b. voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen,

bedraagt het kindgebonden budget een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Artikel 3

1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Indien er aanleiding is om de bedragen, bedoeld in het eerste lid, te verhogen op een andere wijze dan op grond van het eerste lid, worden de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

3. De overeenkomstig het eerste en tweede lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid.

4. Indien een verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt toegepast, vindt deze verhoging plaats nadat het eerste lid toepassing heeft gevonden.

Artikel 4

Het kindgebonden budget blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.

Artikel 5

1. De Belastingdienst/Toeslagen is belast met de uitvoering van deze wet.

2.

De ouder die

a. a. over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget, en b. b. over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen,

wordt geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

3. Voor de toepassing van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in het geval, bedoeld in het tweede lid, de aanvraag geacht te zijn gedaan op het moment waarop de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dat de ouder aanspraak heeft op een kindgebonden budget.

Artikel 6

1. De bedragen, genoemd in artikel 2, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijk toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, worden voor het berekeningsjaar 2009 aangepast overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. De overeenkomstig het eerste lid voor het berekeningsjaar 2009 aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 2, vierde, vijfde en zesde lid.

3. De verhoging van het kindgebonden budget, bedoeld in artikel 2, derde lid, heeft betrekking op berekeningsjaren vanaf het jaar 2010.

Artikel 7

Bij het begin van het jaar 2010 tot en met 2015 worden de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, voor de berekeningsjaren 2010 tot en met 2015 niet gewijzigd overeenkomstig artikel 3, eerste lid.

Artikel 8

Wijzigt de Wet werk en bijstand.

Artikel 9

Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 10

Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 11

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.

Artikel 12

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het kindgebonden budget.