rijk/wet/wet-overige-ocw-subsidies/BWBR0009458/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

8.3 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet overige OCW-subsidies BWBR0009458 wet geldend 2011-02-11 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009458 Wet overige OCW-subsidies

Wet overige OCW-subsidies

Paragraaf 1. Subsidies

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2, eerste lid.

Artikel 2

1.

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake:

a. a. het onderwijs, b. b. het onderzoek, c. c. de cultuur, d. d. de emancipatie.

2. Bij de subsidieverstrekking aan onderwijsinstellingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt voorzien in een behandeling van die instellingen naar dezelfde maatstaf.

Artikel 3

1. Onze Minister verstrekt geen subsidie op grond van deze wet, indien Onze Minister op grond van een andere wettelijke bepaling subsidie kan verstrekken.

2.

In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister op grond van deze wet subsidie verstrekken, indien:

a. a. die andere wettelijke bepaling dat uitdrukkelijk bepaalt, b. b. de subsidie incidenteel van aard is, of c. c. de subsidie vooruitloopt op wijziging van die andere wettelijke bepaling.

3.

Onze Minister verstrekt subsidie als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, slechts:

a. a. in dringende gevallen, b. b. op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, en c. c. voor ten hoogste vier jaren.

4. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur of de vaststelling van een ministeriële regeling krachtens het derde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.

Artikel 4

1.

Onze Minister verstrekt slechts subsidie op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, tenzij het een subsidie betreft:

a. a. als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of b. b. waarvan de voorgenomen verstrekking tevoren is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.

2.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot:

a. a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover, b. b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, c. c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, d. d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend, e. e. de verplichtingen van de subsidieontvanger, f. f. de vaststelling van de subsidie, g. g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling, h. h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten, i. i. het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, of j. j. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.

3. Indien subsidie wordt verleend op grond van het eerste lid, onder a of b, kan Onze Minister bij de subsidieverlening een termijn vaststellen waarbinnen op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt beslist.

4. Onze Minister kan het verstrekken van subsidie bij of krachtens deze wet delegeren aan een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Artikel 5

Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor op grond van deze wet subsidie kan worden verstrekt. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

1. Een aanvraag kan worden afgewezen en een beschikking tot subsidieverstrekking op grond van deze wet kan worden ingetrokken of gewijzigd voorzover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen.

2. Bij de vaststelling, intrekking of wijziging kan worden bepaald, dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

4. Artikel 4:50, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

5. De artikelen 4:49, derde lid, en 4:57, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de intrekking of wijziging, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10

1. Onze Minister kan bij besluit personen aanwijzen die belast worden met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

3. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Paragraaf 2. Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap

Artikel 19a

1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in artikel 1:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:

a. a. jonger is dan 17 jaar; b. b. studerende is als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, met dien verstande dat een jonggehandicapte als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten die een levenlanglerenkrediet ontvangt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 voor de toepassing van deze wet eveneens als studerende wordt aangemerkt; c. c. jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van degene, bedoeld in het eerste lid, toekennen:

a. a. voorzieningen die hem in staat stellen onderwijs te volgen, en b. b. vervoersvoorzieningen die de leefomstandigheden van hem verbeteren en die samenhangen met de voorzieningen, bedoeld in onderdeel a.

3. De artikelen 3:18, 3:33, 3:56, 3:57, 3:58, 3:62 en 3:74 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen bedoeld in het tweede lid.

4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geen tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang toekennen.

5. Beschikkingen op grond van artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen worden na de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als beschikkingen op grond van deze wet.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 20

Vervallen

Paragraaf 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

1. Deze wet is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend of vastgesteld.

2. De persoon of het orgaan waaraan de bevoegdheid op grond van artikel 4, derde lid, onder c, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, is gedelegeerd om besluiten omtrent subsidie te nemen, blijft die bevoegdheid houden.

Artikel 22

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.

Artikel 23

Deze wet wordt aangehaald als: Wet overige OCW-subsidies.