rijk/zbo/systeemkoppelingscode-gas-tsb-en-dsb/BWBR0052334/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

40 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB BWBR0052334 zbo geldend 2026-02-21 https://wetten.overheid.nl/BWBR0052334 Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB

Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB

1. Algemene bepalingen

1.1. Werkingssfeer en Definities

1.1.1 1.1.1 Deze Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB bevat de voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder de systeemverbinding en het transmissiesysteem technisch en operationeel compatibel laten zijn en blijven, zodanig dat het distributiesysteem veilig aan het transmissiesysteem verbonden is en blijft, en het gas in de systeemverbinding overeenkomstig de Meetcode Gas LNB kan worden gemeten en op gecontroleerde wijze aan het transmissiesysteem kan worden onttrokken. Tevens bevat deze Systeemkoppelingscode TSB en DSB voorwaarden met betrekking tot systeemkoppelingen tussen distributiesysteembeheerders onderling. Deze Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB beoogt de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van de systeemkoppeling en de systeemverbinding te waarborgen en het milieu te ontzien. 1.1.2 1.1.2 Begrippen, die in de Energiewet of de Begrippencode gas TSB en DSB zijn gedefinieerd, hebben de in de Energiewet of Begrippencode gas TSB en DSB gedefinieerde betekenis. 1.1.3 1.1.3 Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet. 1.1.4 1.1.4 In deze code wordt verstaan onder:

      a.
      distributiesysteem: distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
    
    
      b.
      distributiesysteembeheerder: distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
    
    
      c.
      transmissiesysteem: transmissiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
    
    
      d.
      transmissiesysteembeheerder: transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
    
    
      e.
      systeem: transmissiesysteem of distributiesysteem
    
    
      f.
      systeembeheerder: transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder

a. a. distributiesysteem: distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; b. b. distributiesysteembeheerder: distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; c. c. transmissiesysteem: transmissiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; d. d. transmissiesysteembeheerder: transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; e. e. systeem: transmissiesysteem of distributiesysteem f. f. systeembeheerder: transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder

2. Systeemkoppeling

2.1 2.1 Het koppelen van systemen vindt plaats op grond van een tussen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder te sluiten overeenkomst; of in geval van een systeemkoppeling tussen distributiesysteembeheerders onderling, een tussen distributiesysteembeheerders te sluiten overeenkomst. In deze overeenkomst leggen de systeembeheerders afspraken over de systeemkoppeling vast. Zo worden, tenzij expliciet anders geregeld in deze Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB, afspraken over kosten opgenomen in deze overeenkomst. 2.2 2.2 De transmissiesysteembeheerder treft ten behoeve van de systeemverbinding tussen transmissiesysteem en distributiesysteem, voorzieningen in het transmissiesysteem. Ieder distributiesysteembeheerder treft behoeve van een systeemkoppeling tussen distributiesysteembeheerders voorzieningen in hun eigen distributiesysteem. 2.3 2.3 De gekoppelde systeembeheerder zal zich naar beste vermogen inspannen om te voorkomen dat de afname van gas zodanig is dat de veiligheid en/of de doelmatigheid en betrouwbaarheid van het systeem waaraan gekoppeld is, in gevaar wordt dan wel kan worden gebracht. De gekoppelde systeembeheerder is verplicht om, indien een dergelijke situatie zich toch voordoet of dreigt voor te doen, de andere systeembeheerder zo mogelijk, tijdig voorafgaand aan die situatie te informeren en de door de laatstgenoemde systeembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen.

3. Systeemverbinding

3.1. Leveringsdruk

3.1.1 3.1.1 Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.3 en 6.1.4, wordt het gas door de transmissiesysteembeheerder via de systeemverbinding beschikbaar gesteld met een leveringsdruk van acht bar (bovenatmosferische druk). Indien beschikbaarstelling van het gas met een leveringsdruk van acht bar (bovenatmosferische druk) niet mogelijk is, zullen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder een lagere leveringsdruk afspreken. 3.1.2 3.1.2 Indien de distributiesysteembeheerder de afgesproken lagere leveringsdruk wenst te wijzigen, zal hij hierover tijdig met de transmissiesysteembeheerder in overleg treden. Op basis van de door de distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheid een andere leveringsdruk te realiseren. Het verzoek van de distributiesysteembeheerder zal niet op onredelijke gronden door de transmissiesysteembeheerder worden geweigerd. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële en operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde leveringsdruk. 3.1.3 3.1.3 Daarenboven is er de mogelijkheid een hogere leveringsdruk dan acht bar (bovenatmosferische druk) af te spreken, indien en voor zover dit naar het oordeel van de transmissiesysteembeheerder om gastransporttechnische redenen mogelijk is en die hogere leveringsdruk bestemd is voor gastoepassingen waarvoor een hogere leveringsdruk dan acht bar (bovenatmosferische druk) gevraagd wordt. De hogere leveringsdruk wordt na overleg met de distributiesysteembeheerder door de transmissiesysteembeheerder vastgesteld. De transmissiesysteembeheerder kan aan deze afspraak nadere financiële en operationele voorwaarden verbinden die verband houden met die hogere leveringsdruk. Indien de transmissiesysteembeheerder voorziet dat de afgesproken hogere leveringsdruk blijvend niet meer gehandhaafd zal kunnen worden, zal de transmissiesysteembeheerder de gemaakte afspraak over die hogere leveringsdruk opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van achttien maanden. Na afloop van die opzegtermijn zal de transmissiesysteembeheerder het gas weer beschikbaar stellen met een leveringsdruk van acht bar (bovenatmosferische druk), tenzij hierover conform artikel 3.1.1 andere afspraken worden gemaakt. 3.1.4 3.1.4 Indien door de transmissiesysteembeheerder of de distributiesysteembeheerder wordt vastgesteld dat het gas op het overdrachtspunt niet beschikbaar is gesteld met de afgesproken leveringsdruk, zullen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder elkaar daarover zo spoedig mogelijk informeren. 3.2.1 3.2.1 [Vervallen] 3.2.2 3.2.2 [Vervallen} 3.2.3 3.2.3 Indien door de transmissiesysteembeheerder of de distributiesysteembeheerder wordt vastgesteld dat het gas op het overdrachtspunt niet voldoet aan de van toepassing zijnde afleverspecificaties zoals geduid in artikel 3.16 van de Energieregeling zullen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder elkaar daarover zo spoedig mogelijk informeren.

3.3. Capaciteit

3.3.1 3.3.1 De contractuele capaciteit van de systeemverbinding en/of de systeemverbindingsconfiguratie, zijnde de hoeveelheid gas die maximaal per uur beschikbaar wordt gesteld, wordt op basis van de door de distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, door de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder in onderling overleg vastgesteld. 3.3.2 3.3.2 Indien de distributiesysteembeheerder wijziging verlangt van de conform artikel 3.3.1 vastgestelde capaciteit, zal hij hierover tijdig met de transmissiesysteembeheerder in overleg treden. Mede op basis van de door de distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheden om de gewenste capaciteit te realiseren. Het verzoek van de distributiesysteembeheerder zal niet op onredelijke gronden door de transmissiesysteembeheerder worden geweigerd. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële en operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde capaciteit. 3.3.3 3.3.3 Overschrijding van de vastgestelde capaciteit is alleen toegestaan als die het rechtstreeks gevolg is van werkzaamheden als omschreven in artikel 6.1.2 en/of 6.1.4. Ingeval de distributiesysteembeheerder die capaciteit overschrijdt, kan dit ertoe leiden dat die capaciteit niet of niet met de afgesproken leveringsdruk ter beschikking kan worden gesteld. Bovendien wordt elke overschrijding van die capaciteit beschouwd als een situatie als bedoeld in artikel 2.3 en is de distributiesysteembeheerder verplicht de transmissiesysteembeheerder voor zover redelijkerwijs mogelijk tijdig voorafgaand aan die situatie te informeren en de door de transmissiesysteembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen. De transmissiesysteembeheerder kan in een dergelijke situatie verlangen dat de vastgestelde capaciteit (aan de realiteit) wordt aangepast en kan met de distributiesysteembeheerder nadere financiële en operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde capaciteit.

3.4. Beheer

3.4.1 3.4.1 De systeemverbinding wordt door of in opdracht van de transmissiesysteembeheerder onderhouden, verplaatst, aangepast en verwijderd. Onder onderhouden wordt onder meer verstaan het inspecteren, herstellen, keuren en vervangen van de systeemverbinding. Het is de distributiesysteembeheerder niet toegestaan handelingen te (laten) verrichten aan de systeemverbinding zonder uitdrukkelijke toestemming van de transmissiesysteembeheerder. 3.4.2 3.4.2 Tot het instellen, justeren, repareren en dergelijke van de apparatuur van de systeemverbinding zijn uitsluitend de door de transmissiesysteembeheerder geautoriseerde personen bevoegd. 3.4.3 3.4.3 Bij (dreigende) calamiteiten dient desbetreffende distributiesysteembeheerder onmiddellijk contact op te nemen met de transmissiesysteembeheerder en de instructies van de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot het gebruik maken van de systeemverbinding op te volgen.

4. Omgeving van de systeemverbinding

4.1a 4.1a Het overdrachtspunt van de systeemverbinding is het verbindingspunt ligt (gezien vanuit het transmissiesysteem) één meter achter het isolatiestuk, tenzij de transmissiesysteembeheerder en de desbetreffende distributiesysteembeheerder anders zijn overeengekomen. 4.1 4.1 Een meet-en regelinrichting is geplaatst in een gebouw of een deel van het gebouw dat door de distributiesysteembeheerder ter beschikking is gesteld. Het onderhoud, het schoonmaken en het aanpassen van dit gebouw en het terrein waar de systeemverbinding zich bevindt, geschiedt door de distributiesysteembeheerder volgens de door de transmissiesysteembeheerder gestelde eisen. Onderdeel van het gebouw zijn alle door de distributiesysteembeheerder in, aan of op het gebouw aangebrachte zaken -waaronder hijswerktuigen en verlichting- ongeacht of die zaken in opdracht, op aanwijzing of op verzoek van de transmissiesysteembeheerder zijn aangebracht, met uitzondering van de systeemverbinding zelf. 4.2 4.2 De aanleg en het onderhoud van een, volgens de daarvoor geldende veiligheidsnormen, adequate elektriciteitsinstallatie, alsmede het verbruik van elektriciteit en water ten behoeve van het gebouw en de daarin geplaatste meet en regelinrichting, komen ten laste van de distributiesysteembeheerder. 4.3 4.3 [Vervallen] 4.4 4.4 Ter waarborging van het veilig uitvoeren van werkzaamheden zal de distributiesysteembeheerder slechts werkzaamheden aan het gebouw verrichten in overleg met de transmissiesysteembeheerder.

5. Meten en regelen van de systeemverbinding

5.1 5.1 De metingen in de systeemverbinding geschieden door de transmissiesysteembeheerder conform de Meetcode Gas LNB. 5.2 5.2 Indien de distributiesysteembeheerder meer metingen in de systeemverbinding wenst dan opgenomen in de Meetcode Gas LNB, zal de transmissiesysteembeheerder, indien en voor zover redelijkerwijs mogelijk, aan dit verzoek voldoen. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële en operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die meerdere metingen. 5.3 5.3 Een minimum meetcapaciteit, dit is de capaciteit waarbij de ondergrens van het meetbereik van de meet- en regelinrichting wordt bereikt, wordt vastgelegd op basis van de door de distributiesysteembeheerder aan de transmissiesysteembeheerder verstrekte gegevens. Indien de distributiesysteembeheerder wijziging verlangt van de vastgelegde minimum meetcapaciteit, zal hij hierover tijdig met de transmissiesysteembeheerder in overleg treden. Op basis van de door distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheden om de gewenste minimum meetcapaciteit te realiseren. Een gewijzigde minimum meetcapaciteit wordt door de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder vastgelegd. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde minimum meetcapaciteit. 5.4 5.4 De distributiesysteembeheerder zal zich naar beste vermogen inspannen om te zorgen dat de overeengekomen minimum meetcapaciteit niet structureel en/of planmatig zal komen te liggen in het capaciteitsgebied tussen nul en de minimum meetcapaciteit en zodanige maatregelen te nemen opdat een goede inzet van de meet- en regelinrichting wordt gewaarborgd. De distributiesysteembeheerder is verplicht om de transmissiesysteembeheerder, indien zich een situatie van een dergelijke onderschrijding voordoet of kan voordoen, te informeren, voor zover mogelijk tijdig voorafgaand aan die situatie, en de door de transmissiesysteembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen. Voorts is de distributiesysteembeheerder verplicht, indien en voor zover hij structureel en/of planmatig de overeengekomen minimum meetcapaciteit onderschrijdt, met de transmissiesysteembeheerder in overleg te treden over een lagere minimum meetcapaciteit. Op basis van de door desbetreffende distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheden om een lagere minimum meetcapaciteit te realiseren. Een gewijzigde minimum meetcapaciteit wordt door de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder vastgelegd. De transmissiesysteembeheerder kan met de distributiesysteembeheerder nadere financiële voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde minimum meetcapaciteit. 5.5 5.5 Indien de distributiesysteembeheerder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de meet- en regelinrichting niet correct functioneert of een afwijking vertoont, zal de transmissiesysteembeheerder de meet- en regelinrichting controleren en zonodig handelend optreden (justeren) volgens het bepaalde in de Meetcode Gas LNB. De kosten hiervan komen voor rekening van de transmissiesysteembeheerder, tenzij een eventueel geconstateerde onnauwkeurigheid de toegestane afwijkingen, zoals gedefinieerd in de Meetcode Gas LNB, niet overschrijdt, in welk geval de kosten voor rekening van de distributiesysteembeheerder komen. 5.6 5.6 Indien wordt vastgesteld dat de meet- en regelinrichting niet correct functioneert, maar het tijdstip waarop dit niet-correct functioneren is begonnen niet kan worden bepaald, wordt het niet-correct functioneren geacht te zijn begonnen halverwege de datum waarop het niet-correct functioneren is vastgesteld en de datum van de laatste onbetwiste controle van de meet- en regelinrichting. De datum waarop het niet-correct functioneren is vastgesteld, wordt geacht te zijn de datum waarop de controle is uitgevoerd die het niet-correct functioneren volgens artikel 5.5 aantoonde. De door de meet- en regelinrichting gemaakte fout gedurende de periode tussen de datum waarop het niet-correct functioneren is begonnen, dan wel wordt geacht te zijn begonnen, en de datum waarop de meter weer naar behoren functioneert, zal in overleg met de distributiesysteembeheerder door de transmissiesysteembeheerder worden geschat. Correctie vindt evenwel slechts plaats binnen de termijnen zoals genoemd in de artikelen 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.1 van de Allocatiecode systeembeheerders gas.

5a. Systeemkoppelingen tussen distributiesysteembeheerders onderling

5a.1. Beheer en Realisatie

5a.1.1 5a.1.1 De distributiesysteembeheerder aan wiens systeem gekoppeld wordt, bepaalt zo nodig na overleg met de distributiesysteembeheerder die de systeemkoppeling aanvraagt op welke wijze (bijv. druktrap, één of meer verbindingen) en op welk punt in het distributiesysteem de gevraagde capaciteit ter beschikking wordt gesteld. 5a.1.2 5a.1.2 Ieder distributiesysteembeheerder brengt aan eigen zijde van het overdrachtspunt de noodzakelijke hulpmiddelen of appendages aan. De distributiesysteembeheerder houdt de systeemkoppeling aan eigen zijde van het overdrachtspunt in stand en is verantwoordelijk voor het onderhoud en de controle ervan. De distributiesysteembeheerders komen in voorkomend geval tot afspraken over uitbreiden, wijzigen, vervangen, verplaatsen of weggenemen van de systeemkoppeling. De distributiesysteembeheerders maken het gezamenlijk mogelijk dat alle handelingen kunnen worden verricht die hiervoor noodzakelijk zijn. 5a.1.3 5a.1.3 Distributiesysteembeheerders maken onderling afspraken over het waarborgen van het samenhangend functioneren van de gekoppelde distributiesystemen voor gas en de uitvoering van de allocatie. 5a.1.4 5a.1.4 De distributiesysteembeheerders voor gas bepalen in onderling overleg op welke wijze toegang tot elkaars terrein of installatie geregeld wordt.

5a.2. Metingen

5a.2.1 5a.2.1 De systeemkoppeling van twee distributiesystemen voor gas van verschillende distributiesysteembeheerders is op het overdrachtspunt voorzien van een comptabele meetinrichting die voldoet aan het gestelde in hoofdstuk 2 van de “Meetcode gas RNB”. 5a.2.2 5a.2.2 De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de overeenkomst tussen de distributiesysteembeheerders. 5a.2.3 5a.2.3 De comptabele meting vindt plaats op of bij het overdrachtspunt. Calorische correcties en/of eventuele andere bewerkingen van de gegevens die noodzakelijk zijn om de meetgegevens tot comptabele meetgegevens te maken, hoeven niet op de aansluiting zelf te worden uitgevoerd.

5a.3. Beveiliging

5a.3.1 5a.3.1 Bij onderlinge koppeling van distributiesystemen voor gas stellen de distributiesysteembeheerders na onderling overleg de toe te passen beveiligingsconcepten vast. 5a.3.2 5a.3.2 De onderlinge koppeling van distributiesystemen voor gas is in ieder geval voorzien van een beveiliging waarmee de toevoer van het ene distributiesysteem voor gas naar het andere vice versa in geval van calamiteiten kan worden afgesloten. 5a.3.3 5a.3.3 De eventuele kathodische beschermingen van onderling gekoppelde distributiesystemen voor gas dienen onderling elektrisch geïsoleerd te kunnen worden. 5a.3.4 5a.3.4 Instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden worden in de systeemkoppelingsovereenkomst vastgelegd.

5a.4. Technische normen

5a.4.1 5a.4.1 Leidingen en appendages ten behoeve van de aansluiting en de systeemkoppeling tussen twee distributiesystemen voor gas voldoen bij realisatie aan de volgende vigerende technische normen:

      a.
      NEN 1059: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279  Gasvoorzieningssystemen  Gasdrukregelstations voor transport en distributie”;
    
    
      b.
      NEN-EN 1594:2009 “Gasvoorziening  Leidingsystemen voor maximale bedrijfsdruk groter dan 16 bar  Functionele eisen”;
    
    
      c.
      
        
          
          NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 1: Algemeen”;
        
        
          
          NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 2: Staal”;
        
        
          
          NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 3: Kunststoffen”;
        
        
          
          NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 4: Beton”;
        
        
          
          NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 5: Gietijzer”;
        
      
    
    
      d.
      
        
          
          NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”;
        
        
          
          NEN 7244-2: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”;
        
        
          
          NEN 7244-3: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”;
        
        
          
          NEN 7244-4: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”;
        
        
          
          NEN 7244-5: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”;
        
        
          
          NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”.
        
        
          
          NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”.
        
        
          
          NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”.

a. a. NEN 1059: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 Gasvoorzieningssystemen Gasdrukregelstations voor transport en distributie”; b. b. NEN-EN 1594:2009 “Gasvoorziening Leidingsystemen voor maximale bedrijfsdruk groter dan 16 bar Functionele eisen”; c. c.

          
          NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 1: Algemeen”;
        
        
          
          NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 2: Staal”;
        
        
          
          NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 3: Kunststoffen”;
        
        
          
          NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 4: Beton”;
        
        
          
          NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen  Deel 5: Gietijzer”;

NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen Deel 1: Algemeen”; NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen Deel 2: Staal”; NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen Deel 3: Kunststoffen”; NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen Deel 4: Beton”; NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen Deel 5: Gietijzer”; d. d.

          
          NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”;
        
        
          
          NEN 7244-2: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”;
        
        
          
          NEN 7244-3: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3  Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”;
        
        
          
          NEN 7244-4: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”;
        
        
          
          NEN 7244-5: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”;
        
        
          
          NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”.
        
        
          
          NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”.
        
        
          
          NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen  Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar  Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”.

NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1 Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”; NEN 7244-2: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2 Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”; NEN 7244-3: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3 Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”; NEN 7244-4: “Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”; NEN 7244-5: “Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”; NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1: “Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”. NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”. NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”. 5a.4.2 5a.4.2 Met de in 5a.4.2 bedoelde leidingen worden gelijkgesteld leidingen en installaties die aantoonbaar aan tenminste gelijkwaardige technische eisen voldoen. Met de in 5a.4.2 bedoelde leidingen wordt gelijkgesteld een leiding die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen genoemd in 5a.4.2 wordt nagestreefd.

6. Samenwerking tussen systeembeheerders

6.1. Werkzaamheden

6.1.1 6.1.1 De systeembeheerders zullen te allen tijde voldoende informatie uitwisselen en maatregelen nemen, opdat de werkzaamheden aan en de in- en uitbedrijfname van (onderdelen van) de systeemkoppeling, het transmissiesysteem en/of distributiesysteem en/of de daarmee verband houdende telecommunicatievoorzieningen zodanig worden gecoördineerd dat eventuele verstoring van de reguliere beschikbaarstelling van gas tot een minimum wordt beperkt. 6.1.2 6.1.2 Waar redelijkerwijs noodzakelijk in verband met de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van het transmissiesysteem en/of distributiesysteem, zullen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder of de distributiesysteembeheerders onderling voor werkzaamheden aan de systeemkoppeling, het distributiesysteem of het transmissiesysteem, die gedurende een bepaalde periode een zekere gasafname of gasafnamepatroon op de systeemkoppeling vereisen, met elkaar en met systeemgebruikers samenwerken teneinde gedurende deze periode een dergelijke gasafname of gasafnamepatroon te realiseren. 6.1.3 6.1.3 Door een systeembeheerder te verrichten werkzaamheden aan en inspecties van de systeemkoppeling zullen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, tijdens kantooruren, in overleg met en met inachtneming van het veiligheidsbeleid van de andere systeembeheerder worden verricht. De gekoppelde distributiesysteembeheerder staat ervoor in dat de door de andere systeembeheerder aan te wijzen personen te allen tijde toegang hebben tot het gebouw en de systeemkoppeling voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verrichten van inspecties, alsmede dat het gebouw en de systeemkoppeling steeds goed bereikbaar zijn. 6.1.4 6.1.4 Indien een systeembeheerder voornemens is om, buiten het geval van storing of calamiteiten, werkzaamheden te verrichten aan de systeemkoppeling die kunnen leiden tot onderbreking, vermeerdering of vermindering van de beschikbaarstelling van gas dan wel tot verandering van de condities waaronder het gas beschikbaar wordt gesteld, zullen deze werkzaamheden niet eerder worden uitgevoerd dan nadat over het tijdstip en de tijdsduur van de onderbreking of de vermeerdering of vermindering van de beschikbaarstelling van gas dan wel de verandering van de condities waaronder het gas beschikbaar wordt gesteld, overleg met de andere systeembeheerder heeft plaatsgevonden. De systeembeheerder zal bij planning en uitvoering van deze werkzaamheden zoveel als redelijkerwijs mogelijk met de belangen van de andere systeembeheerder rekening houden. 6.1.5 6.1.5 De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen zonodig relevante derden tijdig en voorafgaand informeren over werkzaamheden aan de systeemverbinding die tot onderbreking, vermeerdering of vermindering van de beschikbaarstelling van gas kunnen leiden. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening houden met de belangen van die derden. 6.1.6 6.1.6 Indien een calamiteit of storing de systeemverbinding en/ of het ongestoord functioneren van het transmissiesysteem of het distributiesysteem bedreigt, kan de transmissiesysteembeheerder de noodzakelijke werkzaamheden onverwijld en zonder voorafgaand overleg met de distributiesysteembeheerder of met derden uitvoeren. De systeembeheerders zullen in dat geval zoveel als redelijkerwijs mogelijk contact met elkaar onderhouden en samenwerken om de calamiteit of storing dan wel de gevolgen daarvan op te heffen. 6.1.6a 6.1.6a Indien een calamiteit of storing de systeemkoppeling tussen twee distributiesysteembeheerders en/of het ongestoord functioneren van het distributiesysteem bedreigt, kunnen de distributiesysteembeheerders de noodzakelijke werkzaamheden onverwijld en zonder voorafgaand overleg met de andere distributiesysteembeheerder of met derden uitvoeren. De distributiesysteembeheerders zullen in dat geval zoveel als redelijkerwijs mogelijk contact met elkaar onderhouden en samenwerken om de calamiteit of storing dan wel de gevolgen daarvan op te heffen. 6.1.7 6.1.7 De systeembeheerder is bevoegd om zonder voorafgaande mededeling aan de gekoppelde distributiesysteembeheerder en/of de betrokken balanceringsverantwoordelijke(n) de systeemkoppeling af te sluiten indien dit vereist is wegens direct gevaar voor personen. 6.1.8 6.1.8 De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen noch door middel van de bij hen in beheer zijnde gassystemen noch anderszins hinder of schade veroorzaken voor elkaar. De distributiesysteembeheerder zal de systeemverbinding niet gebruiken voor aarding van elektrische installaties, toestellen, bliksemafleiders en dergelijke, dan wel voor enig ander doel dan onder deze Systeemkoppelingscode gas uitdrukkelijk is toegestaan. De distributiesysteembeheerder zal de door of vanwege de transmissiesysteembeheerder op de systeemverbinding aangebrachte verzegelingen niet verbreken of laten verbreken. 6.1.8.a 6.1.8.a In geval van systeemkoppelingen tussen distributiesysteembeheerders zullen de distributiesysteembeheerders noch door middel van de bij hen in beheer zijnde gassystemen noch anderszins hinder of schade veroorzaken voor elkaar. De gekoppelde distributiesysteembeheerder zal de systeemkoppeling niet gebruiken voor aarding van elektrische installaties, toestellen, bliksemafleiders en dergelijke, dan wel voor enig ander doel dan onder deze Systeemkoppelingscode gas uitdrukkelijk is toegestaan. De gekoppelde distributiesysteembeheerder zal de door of vanwege de transmissiesysteembeheerder op de systeemverbinding aangebrachte verzegelingen niet verbreken of laten verbreken. 6.1.9 6.1.9 Iedere systeembeheerder is jegens alle andere systeembeheerders verplicht om bij het nemen van besluiten en het verrichten of nalaten van handelingen rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de gerechtvaardigde belangen van de andere systeembeheerders bij de uitvoering van hun wettelijke taken. 6.1.1 6.1.1 Iedere systeembeheerder is, met het oog op de belangen genoemd in artikel 6.1.9, jegens alle andere systeembeheerders verplicht om die andere systeembeheerders zo nodig en zo veel als redelijkerwijs mogelijk te informeren en met hen in overleg te treden. 6.1.11 6.1.11 Bij hun besluitvorming en samenwerking zijn alle systeembeheerders jegens elkaar verplicht rekening te houden met het belang de maatschappelijke kosten van infrastructurele maatregelen zo laag mogelijk te houden. Hierbij zullen de systeembeheerders rekening houden met de gevolgen van het beginsel van de vrijheid van leidingaanleg. 6.1.12 6.1.12 Geschillen tussen systeembeheerders betreffende het bepaalde bij of krachtens de door de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 3.119 Energiewet vastgestelde methoden of voorwaarden zullen zoveel mogelijk door overleg in der minne worden opgelost. 6.1.13 6.1.13 Geschillen die niet in der minne kunnen worden opgelost zullen in arbitrage worden beslecht door drie arbiters conform het reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut, tenzij een der bij het geschil betrokken partijen binnen tien werkdagen na ontvangst van een schriftelijke mededeling van een andere partij over te willen gaan tot arbitrage, schriftelijk de wens te kennen geeft het geschil door de gewone bevoegde rechter te laten beslissen.

6.2. Communicatie

6.2.1 6.2.1 Met betrekking tot het bedrijven van de systeemkoppeling zullen de systeembeheerders prioriteit geven aan de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van het transmissiesysteem en het distributiesysteem. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen elkaar de nodige medewerking verlenen bij de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in deze voorwaarden systeemverbinding en de controle op de naleving daarvan. De systeembeheerders zijn in het bijzonder verplicht elkaar zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van alle gegevens, voorvallen en wijzigingen in omstandigheden of in de feitelijke situatie die voor de uitvoering van deze Systeemkoppelingscode gas van belang (kunnen) zijn, waaronder waargenomen of vermoede (dreiging van) schade, gebreken of onregelmatigheden aan de systeemkoppeling, het gebouw en/of eventuele andere hulpmiddelen, verbreking van de verzegeling daaronder begrepen. 6.2.2 6.2.2 De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zijn, onder meer om hetgeen omschreven in artikel 6.2.1 na te kunnen komen, vierentwintig uur per dag en elke dag van het jaar telefonisch dan wel via enig ander overeengekomen communicatiesysteem voor elkaar bereikbaar. Alle relevante adres- en communicatiegegevens worden vastgelegd. Indien deze gegevens wijzigen, dienen de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder elkaar hierover uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan wijziging van de gegevens schriftelijk te informeren op het vastgelegde adres. 6.2.3 6.2.3 De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen zich voldoende inspannen te (blijven) beschikken over de benodigde vergunningen en elkaar over de inhoud van die vergunningen en de voorwaarden waaronder zij zijn afgegeven, te (blijven) informeren.

6.3. Continuïteit

6.3.1 6.3.1 De distributiesysteembeheerder verstrekt jaarlijks op verzoek van de transmissiesysteembeheerder voor elke systeemkoppeling informatie over de verwachte capaciteitsbehoefte in de komende vier jaren. De distributiesysteembeheerder zal aan de transmissiesysteembeheerder, indien de transmissiesysteembeheerder hierom verzoekt, nadere (achtergrond)informatie verstrekken over de door hem verstrekte gegevens. De distributiesysteembeheerder staat er voor in dat de door hem verstrekte opgaven op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en een zo goed mogelijke schatting geven van de toekomstige capaciteitsbehoefte. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder zullen de af te spreken capaciteit met name baseren op de door de distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens.

7. Slotbepaling

7.1 7.1 De Samenwerkingscode gas wordt ingetrokken. 7.2 7.2 De Netkoppelingscode gas LNB wordt ingetrokken. 7.3 7.3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst. 7.4 7.4 Dit besluit wordt aangehaald als: Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB.