40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
47 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden | BWBR0050665 | AMvB | geldend | 2025-03-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0050665 | Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden |
Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. De betrokkene richt een verzoek tot uitoefening van diens rechten op grond van hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming aan het contactpunt, voor zover dat verzoek betrekking heeft op persoonsgegevens die door het samenwerkingsverband worden verwerkt. Een verzoek aan het contactpunt geldt als een verzoek aan alle gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in het samenwerkingsverband.
2.
Als contactpunt voor een betrokkene voor de uitoefening van diens rechten op grond van hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming treedt op namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband:
a. a. in het geval van het Financieel Expertisecentrum: De Nederlandsche Bank N.V.; b. b. in het geval van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen: het Openbaar Ministerie; c. c. in het geval van een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum: de burgemeester van een deelnemende gemeente waarvan de deelnemers overeenkomen dat die burgemeester als contactpunt optreedt; d. d. in het geval van een Zorg- en Veiligheidshuis: het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester van een deelnemende gemeente waarvan de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken overeenkomen dat dat college of die burgemeester als contactpunt optreedt.
3. De website van het samenwerkingsverband vermeldt de overheidsinstantie die als contactpunt fungeert en de voor indiening van een verzoek benodigde contactgegevens.
4. In dit besluit wordt onder «wet» verstaan: Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden.
Artikel 1.2
1. Het contactpunt besluit namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband op een verzoek van een betrokkene tot uitoefening van diens rechten op grond van hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming voor zover dat verzoek betrekking heeft op persoonsgegevens die door het samenwerkingsverband worden verwerkt.
2. Het contactpunt besluit na overleg met de deelnemers die betrokken waren of zijn bij de verwerking van de persoonsgegevens over de betrokkene, en wijst het verzoek af indien of voor zover naar het oordeel van één of meer van die deelnemers een uitzonderingsgrond van toepassing is op grond van artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
3. Zodra de uitzonderingsgrond naar het oordeel van de betreffende deelnemer niet langer van toepassing is, meldt de deelnemer dit zo spoedig mogelijk aan het contactpunt.
4. Een andere deelnemende overheidsinstantie of ander deelnemend overheidsorgaan kan met het contactpunt overeenkomen om het besluit te nemen indien die andere deelnemer daartoe beter in staat is. In dat geval informeert het contactpunt de betrokkene hierover. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de andere deelnemer die het besluit neemt.
Artikel 1.3
1. Het contactpunt draagt namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband zorg voor de nakoming van de verplichting om de informatie te verstrekken, bedoeld in artikel 14 van de Algemene verordening gegevensbescherming, inzake de verwerking van persoonsgegevens door het samenwerkingsverband.
2. Het contactpunt overlegt met de deelnemers die betrokken waren of zijn bij de verwerking van de persoonsgegevens over de betrokkene en laat de uitvoering van het eerste lid achterwege indien naar het oordeel van één of meer van die deelnemers, een uitzonderingsgrond van toepassing is op grond van artikel 14, vijfde lid, onder b, van de Algemene verordening gegevensbescherming of artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
3. Zodra de uitzonderingsgrond naar het oordeel van de betreffende deelnemer niet langer van toepassing is, meldt de deelnemer dit zo spoedig mogelijk aan het contactpunt.
Artikel 1.4
1. Het contactpunt draagt namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband zorg voor de nakoming van de artikelen 33 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door het samenwerkingsverband, mits de deelnemers aan het contactpunt zo spoedig mogelijk de informatie verstrekken die het contactpunt nodig heeft voor de uitvoering van de voornoemde artikelen.
2. Het contactpunt overlegt met de deelnemers die betrokken waren of zijn bij de verwerking van de persoonsgegevens en laat de uitvoering van artikel 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming achterwege indien naar het oordeel van één of meer van die deelnemers een uitzonderingsgrond van toepassing is op grond van artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
Artikel 1.5
De deelnemers verstrekken uitsluitend gegevens die zij rechtmatig verwerken aan het samenwerkingsverband.
Artikel 1.6
1. Een deelnemer mag uitsluitend een signaal, verzoek of casus aanmelden bij het samenwerkingsverband na, voor zover mogelijk, de feitelijke juistheid en de kwaliteit van de daarbij te verstrekken gegevens te hebben getoetst.
2. De deelnemer die een signaal, verzoek of casus heeft aangemeld bij het samenwerkingsverband blijft verantwoordelijk voor de feitelijke juistheid van de daarbij verstrekte gegevens.
Artikel 1.7
1. Mocht tijdens de verwerking van gegevens door het samenwerkingsverband blijken dat gegevens onjuist zijn, dan wordt de deelnemer die deze aan het samenwerkingsverband heeft verstrekt daarop gewezen en draagt deze deelnemer zorg dat alle redelijke maatregelen worden genomen om de gegevens onverwijld te vernietigen of rectificeren.
2. De deelnemer die de onjuiste gegevens heeft verstrekt aan het samenwerkingsverband doet, indien van toepassing, een melding aan de organisatie waarvan de gegevens afkomstig zijn, opdat ook in de gegevensbestanden van die organisatie kan worden gecontroleerd of de gegevens juist zijn geregistreerd en deze na validatie kunnen worden gecorrigeerd.
Artikel 1.8
1. Een samenwerkingsverband verstrekt uitsluitend het resultaat van de gezamenlijke gegevensverwerking aan een deelnemer of derde overeenkomstig artikel 1.7 van de wet, na, voor zover mogelijk, de feitelijke juistheid en de kwaliteit van de daarbij te verstrekken gegevens te hebben getoetst.
2. Voor zover mogelijk vermeldt het samenwerkingsverband bij de verstrekking van een resultaat dat bestaat uit sturingsinformatie of een interventieadvies, op basis van welke informatie het resultaat tot stand is gekomen, tenzij het resultaat is gebaseerd op een casusoverleg of signalenoverleg.
Artikel 1.9
De samenwerkingsverbanden verwerken geen persoonsgegevens inzake nationaliteit, tenzij de verwerking geschiedt met het oog op de identificatie van de betrokkene, en slechts voor zover de verwerking voor dat doel onvermijdelijk is.
Artikel 1.10
1.
De bevoegdheid tot verstrekking van de resultaten aan een ander samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1.7, achtste lid, van de wet, kan uitsluitend op de navolgende wijzen worden toegepast:
a. a. Indien een samenwerkingsverband vaststelt dat een betrokkene tevens bekend is bij een ander samenwerkingsverband, mogen beide samenwerkingsverbanden gegevens uitwisselen over welke deelnemers in beide samenwerkingsverbanden bij de betreffende gegevensverwerking betrokken zijn of zijn geweest. b. b. In aanvulling op onderdeel a mogen een Zorg- en Veiligheidshuis en een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum gegevens uitwisselen die noodzakelijk zijn om afspraken over interventies van de deelnemers in de beide samenwerkingsverbanden op elkaar af te stemmen. c. c. In aanvulling op onderdeel a mogen een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum en het Financieel Expertisecentrum gegevens uitwisselen die noodzakelijk zijn om afspraken over interventies van de deelnemers in de beide samenwerkingsverbanden op elkaar af te stemmen; d. d. De aanvrager van een rapportage van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen die tevens deelneemt aan een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum of het Financieel Expertisecentrum mag een ontvangen rapportage verstrekken aan dat verband indien aldaar een signaal wordt besproken over een persoon die onderwerp is van die rapportage.
2.
Tussen samenwerkingsverbanden worden geen gegevens uitgewisseld waarop een wettelijke geheimhoudingsplicht rust als bedoeld in de volgende artikelen:
a. a.
artikel 457 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. b.
artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
c. c.
artikel 7.3.11 van de Jeugdwet;
d. d.
artikel 8:34 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
e. e.
artikel 18c, vierde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijke gehandicapte cliënten.
3. Bij de toepassing van het eerste lid worden geen gegevens van de rijksbelastingdienst, met uitzondering van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, verstrekt aan een private deelnemer van een samenwerkingsverband voor de behartiging van diens gerechtvaardigde belangen.
Artikel 1.11
1.
Personen die zijn aangewezen ten behoeve van de inzet in het samenwerkingsverband worden uitsluitend geautoriseerd voor de toegang tot de systemen waarin de deelnemers gezamenlijk persoonsgegevens verwerken overeenkomstig artikel 1.8, tweede lid, van de wet, indien zij ten minste:
a. a. in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag die voor indiensttreding bij de betreffende deelnemer vereist is; of b. b. zijn gescreend overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de betreffende deelnemers waar zij in dienst zijn.
2. In afwijking van het eerste lid worden personen die zijn aangewezen ten behoeve van de inzet in de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen uitsluitend geautoriseerd indien zij zijn gescreend op basis van de eisen die gelden voor het hoogste rubriceringsniveau dat van toepassing is op de gegevens die de deelnemers verwerken.
Artikel 1.12
De vastlegging langs elektronische weg (logging) van verwerkingen van persoonsgegevens in de systemen van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1.8, vierde lid, van de wet, geschiedt overeenkomstig de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde richtlijnen voor informatiebeveiliging.
Artikel 1.13
1. De rechtmatigheidsadviescommissie van een samenwerkingsverband kan ter uitoefening van haar taak, bedoeld in artikel 1.8, zesde lid, van de wet, adviseren op verzoek van de deelnemers of op eigen initiatief. De deelnemers zorgen ervoor dat de rechtmatigheidsadviescommissie daartoe naar behoren vooraf wordt betrokken bij in ieder geval nieuwe verwerkingswijzen en wijzigingen daarvan.
2. De rechtmatigheidsadviescommissie adviseert, zonder voorafgaande toestemming, rechtstreeks aan de bestuurders van de deelnemers die het samenwerkingsverband aansturen.
3. Een uit te brengen advies wordt vastgesteld in overleg tussen de leden die zijn benoemd door de deelnemers die het advies aangaat dan wel, bij de Regionale Informatie- en Expertisecentra en de Zorg- en Veiligheidshuizen, met personen uit koepelorganisaties of brancheverenigingen, bedoeld in artikel 1.15, tweede lid, indien het advies de deelnemers aangaat die door de koepelorganisaties of brancheverenigingen worden vertegenwoordigd.
4. Een lid dat een standpunt heeft ingebracht dat afwijkt van het standpunt van de andere leden, kan over dat standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.
5. Een rechtmatigheidsadviescommissie kan haar werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.
6. Afwijking van een advies van de rechtmatigheidsadviescommissie door de bestuurders, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend beargumenteerd plaatsvinden. De afwijking wordt door de deelnemers gedocumenteerd en gerapporteerd aan de rechtmatigheidsadviescommissie en de coördinerend functionaris voor gegevensbescherming voor het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de wet.
Artikel 1.14
1. Elke deelnemer benoemt een of enkele personen als lid van de rechtmatigheidsadviescommissie, op basis van deskundigheid en ervaring op het gebied van de toepasselijke wetgeving inzake gegevensverwerking en de werking van het samenwerkingsverband.
2. Zolang niet in de benoeming van een lid in de rechtmatigheidsadviescommissie is voorzien, kan de betreffende deelnemer een lid van een andere deelnemer verzoeken om waar te nemen.
3. In afwijking van het eerste lid zijn deelnemende private partijen niet verplicht maar bevoegd om een of enkele personen als lid van de rechtmatigheidsadviescommissie te benoemen.
4. De leden dragen er zorg voor dat in de rechtmatigheidsadviescommissie aandacht is voor het tegengaan van risico’s op ongelijke behandeling en discriminatie.
5. De rechtmatigheidsadviescommissie kiest uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
Artikel 1.15
1. Zowel de Regionale Informatie- en Expertisecentra als de Zorg- en Veiligheidshuizen beschikken over één gezamenlijke rechtmatigheidsadviescommissie, die optreedt ten behoeve van het betreffende cluster van samenwerkingsverbanden.
2. De lokale en regionale deelnemers worden vertegenwoordigd door personen uit koepelorganisaties of brancheverenigingen, die deelnemen als lid van de gezamenlijke rechtmatigheidsadviescommissie, op basis van de deskundigheid en ervaring, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid.
Artikel 1.16
1.
Onverminderd artikel 1.8, zevende lid, van de wet dragen de deelnemers zorg voor de vernietiging of anonimisering van persoonsgegevens die door het samenwerkingsverband gezamenlijk worden verwerkt in het geval dat:
a. a. de analyse en bewerkingen door het samenwerkingsverband geen verdere aanwijzingen voor risico’s met het oog op de doelen van het verband of sturingsinformatie hebben opgeleverd; of b. b. een aangemeld signaal, verzoek of casus niet in behandeling wordt genomen door het samenwerkingsverband.
2.
Van bijzondere gevallen waarin hernieuwde verwerking van gezamenlijke verwerkte persoonsgegevens overeenkomstig artikel 1.8, zevende lid, van de wet is toegestaan, is uitsluitend sprake indien de deelnemers van een Zorg- en Veiligheidshuis een casus behandelen die:
a. a. na het verstrijken van de maximale bewaartermijn nog niet is afgesloten omdat de problematiek dermate complex is dat deze casus nog steeds voldoet aan de criteria voor behandeling in het Zorg- en Veiligheidshuis, bedoeld in artikel 2.20 van dit besluit; b. b. minder dan een jaar voor het verstrijken van de maximale bewaartermijn is afgesloten, maar waarbij gezien de complexiteit van de problematiek een groot risico bestaat op terugval waardoor weer zou worden voldaan aan de voornoemde criteria.
3. Bij toepassing van het tweede lid is de bewaartermijn voor gegevens die ter beschikking zijn gesteld voor hernieuwde verwerking maximaal twee jaar gerekend vanaf de hernieuwde beschikbaarstelling. Indien daarna nog steeds sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, kan het tweede lid opnieuw toepassing vinden.
Artikel 1.17
De deelnemers aan een samenwerkingsverband dragen er zorg voor dat de medewerkers die zij hebben aangewezen voor de inzet in het samenwerkingsverband, voor zover relevant voor hun functie, en de leden van de rechtmatigheidsadviescommissie passende opleidingen en trainingen krijgen ter bevordering van hun kennis en vaardigheden op het gebied van:
a. a. een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens; b. b. de regels die op het samenwerkingsverband van toepassing zijn; c. c. de werkprocessen van het samenwerkingsverband; d. d. methoden en technieken van informatieanalyse; e. e. informatiebeveiliging; f. f. data-ethiek.
Artikel 1.18
1. Twee jaren na inwerkingtreding van de artikelen in de wet en dit besluit inzake het betreffende samenwerkingsverband, en vervolgens eenmaal in de vier jaren, laat het samenwerkingsverband de naleving van de wettelijke regels, bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, van de wet, controleren door middel van een audit overeenkomstig artikel 1.10 van de wet.
2. De audit wordt uitgevoerd door middel van een privacy audit. Hiertoe vindt een beoordeling plaats van de opzet en het bestaan van maatregelen en procedures die in de adequate uitvoering van de regels, bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, van de wet, moeten voorzien, en van de werking van de getroffen maatregelen en procedures.
3. De auditor is onafhankelijk ten opzichte van de deelnemers van het samenwerkingsverband en beschikt over deskundigheid en ervaring op het gebied van de werking van het samenwerkingsverband en de toepasselijke wetgeving inzake gegevensverwerking.
4. De auditor zendt een afschrift van de controleresultaten van de privacy audits aan de rechtmatigheidsadviescommissie en de coördinerend functionaris voor gegevensbescherming voor het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de wet.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de audits worden verricht.
Hoofdstuk 2. Bepalingen inzake specifieke samenwerkingsverbanden
Paragraaf 2.1. Financieel Expertisecentrum (FEC)
Artikel 2.1
Voor zover in het Financieel Expertisecentrum als onderdeel van zijn doelstelling gezamenlijk gegevens worden verwerkt ten behoeve van het programma voor het tegengaan en bestrijden van terrorismefinanciering worden, in aanvulling op artikel 2.3, eerste lid, van de wet, als deelnemers van het Financieel Expertisecentrum aangewezen:
a. a. het Bureau Financieel Toezicht, ten behoeve van de uitvoering en de handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en ten behoeve van de in artikel 110 van de Wet op het notarisambt en de in artikel 30 van de Gerechtsdeurwaarderswet opgedragen taken; b. b. het Bureau Toezicht Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, ten behoeve van het toezicht op de naleving van die wet; c. c. de Koninklijke Marechaussee, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 4 van de Politiewet 2012; d. d. de Douane, voor het uitvoeren van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens het Douanewetboek van de Unie en de Algemene douanewet; e. e. de Dienst Toeslagen, bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, voor het uitvoeren van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van die wet; f. f. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor de uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van toezicht en handhaving bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap; g. g. de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, voor de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, met dien verstande dat uitsluitend gegevens aan het Financieel Expertisecentrum worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor het duiden van bepaalde financieringsstromen en het verstrekken van gegevens over een bredere internationale context.
Artikel 2.2
Voor zover in het Financieel Expertisecentrum gezamenlijk gegevens worden verwerkt in publiek-private taskforces ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van het gebruik van het financiële stelsel voor terrorismefinanciering, financieel-economische criminaliteit en andere ernstige vormen van criminaliteit, nemen uitsluitend deel:
a. a. het Openbaar Ministerie, de politie, de Financiële inlichtingen eenheid en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, voor de in artikel 2.3 van de wet genoemde taken; b. b. ABN Amro Bank, Aegon, ING Bank, KNAB, Rabobank, Triodos en Volksbank, voor de uitvoering van hun verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en voor de voornoemde doeleinden van de publiek-private taskforces.
Artikel 2.3
1. Voor zover in het Financieel Expertisecentrum gezamenlijk gegevens worden verwerkt voor het programma ter bestrijding van terrorismefinanciering of in publiek-private taskforces ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van het gebruik van het financiële stelsel voor terrorismefinanciering, financieel-economische criminaliteit en andere ernstige vormen van criminaliteit, verwerken de deelnemers in het kader van dat programma of die taskforces, gegevens over een relatie of een contact als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, tot maximaal drie directe lijnen vanaf de betrokken rechtspersoon of natuurlijke persoon.
2. Tot een ruimere verwerking van gegevens over relaties of contacten kan worden overgegaan, voor zover sprake is van een keten van vermogensverschaffers, leidinggevenden, zeggenschaphebbenden of van personen die in een zakelijk samenwerkingsverband staan tot de betrokken rechtspersoon of natuurlijke persoon, en wordt gemotiveerd waarom de gegevens noodzakelijk zijn voor het doel, bedoeld in artikel 2.2 van de wet.
Artikel 2.4
1.
Een signaal of verzoek van een deelnemer kan in het Financieel Expertisecentrum uitsluitend aanleiding vormen tot het signalenoverleg, bedoeld in artikel 2.6 van de wet, onderscheidenlijk een gegevensanalyse, bedoeld in artikel 2.7 van de wet, indien:
a. a. sprake is van duidelijke en objectieve aanwijzingen van een of meerdere deelnemers dat bepaalde gedragingen of situaties verband kunnen houden met:
1°
een inbreuk op de integriteit van natuurlijke of rechtspersonen die binnen het financiële stelsel werkzaam zijn, of
2°
het gebruik van het financiële stelsel, of onderdelen daarvan, voor financieel-economische criminaliteit, terrorismefinanciering en andere ernstige vormen van criminaliteit;
1° 1° een inbreuk op de integriteit van natuurlijke of rechtspersonen die binnen het financiële stelsel werkzaam zijn, of 2° 2° het gebruik van het financiële stelsel, of onderdelen daarvan, voor financieel-economische criminaliteit, terrorismefinanciering en andere ernstige vormen van criminaliteit; b. b. gezamenlijke gegevensverwerking noodzakelijk is in relatie tot het doel van het Financieel Expertisecentrum, bedoeld in artikel 2.2 van de wet; c. c. de analyse van het signaal of verzoek naar verwachting de samenwerking met meerdere deelnemers van het Financieel Expertisecentrum vergt; en d. d. het signaal of verzoek een vermelding omvat van:
1°.
de feiten, omstandigheden en gedragingen die relevant zijn voor het signaal of verzoek;
2°.
de rechtspersoon, de natuurlijke persoon of het object waarop het signaal of verzoek ziet en zijn relatie met de gevraagde gegevens;
3°.
indien een verzoek wordt gedaan tot een gegevensanalyse: een afbakening welke informatie hiervoor nodig is, met een toelichting daarop.
1°. 1°. de feiten, omstandigheden en gedragingen die relevant zijn voor het signaal of verzoek; 2°. 2°. de rechtspersoon, de natuurlijke persoon of het object waarop het signaal of verzoek ziet en zijn relatie met de gevraagde gegevens; 3°. 3°. indien een verzoek wordt gedaan tot een gegevensanalyse: een afbakening welke informatie hiervoor nodig is, met een toelichting daarop.
2. Bij een signaal of verzoek dat betrekking heeft op het gezamenlijk verwerken van gegevens in een publiek-private taskforce, bedoeld in artikel 2.2, geldt in aanvulling op het eerste lid als vereiste dat het signaal of verzoek is ingediend door de politie of de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, onder vermelding van de identificerende gegevens van een persoon die in verband kan worden gebracht met een voornoemde vorm van criminaliteit of de financiering daarvan.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt onder «andere ernstige vormen van criminaliteit» dan financieel-economische criminaliteit en terrorismefinanciering verstaan: misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, voor zover die tevens de integriteit van het financiële stelsel raken.
Artikel 2.5
Bij het signalenoverleg, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de wet, en de gegevensanalyse op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de wet, gelden de volgende aanvullende waarborgen:
a. a. de deelnemer die het signaal voor het signalenoverleg of verzoek om een gegevensanalyse aanmeldt, draagt er zorg voor dat in de aanmelding is toegelicht in hoeverre is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 2.4; b. b. bij de afweging of een signaal of verzoek voldoende aanleiding geeft tot gezamenlijke verwerking van gegevens in het Financieel Expertisecentrum toetsen de deelnemers aan de vraag of is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 2.4; c. c. de deelnemers registreren een signaal of verzoek in het systeem waarin zij gezamenlijk gegevens verwerken, met de vermelding of naar hun oordeel is voldaan aan de criteria voor het in behandeling nemen van dat signaal onderscheidenlijk verzoek; d. d. de vergelijking van gegevens van de deelnemers houdt verband met de feiten, omstandigheden en gedragingen die via het signaal of het verzoek zijn aangemeld.
Paragraaf 2.2. Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV)
Artikel 2.6
In aanvulling op artikel 2.11, eerste lid, van de wet worden als deelnemers aan de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen aangewezen:
a. a. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor de uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Wet handhaving consumentenbescherming, Wet op het financieel toezicht, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wet toezicht accountantsorganisaties, Wet toezicht financiële verslaggeving, Pensioenwet, Wet verplichte beroepspensioenregeling, Sanctiewet 1977 en bindende rechtshandelingen van de Europese Unie; b. b. de Koninklijke marechaussee, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 4 van de Politiewet 2012.
Artikel 2.7
1. Ten behoeve van de rapportage over de financieel-zakelijke relaties rondom natuurlijke of rechtspersonen (iRR), bedoeld in artikel 2.13, aanhef en onderdeel b, van de wet, verwerken de deelnemers gegevens over relaties of contacten als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel e, van de wet, in een rapportage tot drie directe lijnen vanaf de natuurlijke persoon of rechtspersoon waarop het verzoek betrekking heeft.
2. Tot een ruimere verwerking van gegevens over relaties of contacten kan worden overgegaan, voor zover sprake is van een keten van vermogensverschaffers, leidinggevenden, zeggenschaphebbenden of van personen die in een zakelijk samenwerkingsverband staan tot de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, en wordt gemotiveerd waarom de gegevens noodzakelijk zijn voor het doel, bedoeld in artikel 2.10, van de wet.
Artikel 2.8
1.
Een verzoek van een deelnemer om een rapportage over vermogen en inkomsten of over financieel-zakelijke relaties, bedoeld in artikel 2.13, onder a en b, van de wet, wordt uitsluitend in behandeling genomen indien:
a. a. sprake is van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat op onrechtmatige wijze financieel gewin is of wordt behaald door middel van:
1°.
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
2°.
een overtreding van een wettelijk voorschrift waarvoor naar verwachting een bestuurlijke sanctie van ten minste € 5000 kan worden opgelegd of die kan leiden tot weigering, inperking, of intrekking van een vergunning of integriteitsverklaring;
3°.
een fiscale overtreding bij een vermoeden van benadeling van ten minste € 5000, of
4°.
een overheidsvordering die oninbaar dreigt te worden van ten minste € 5000 vanwege een onherroepelijke boete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel;
1°. 1°. een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering; 2°. 2°. een overtreding van een wettelijk voorschrift waarvoor naar verwachting een bestuurlijke sanctie van ten minste € 5000 kan worden opgelegd of die kan leiden tot weigering, inperking, of intrekking van een vergunning of integriteitsverklaring; 3°. 3°. een fiscale overtreding bij een vermoeden van benadeling van ten minste € 5000, of 4°. 4°. een overheidsvordering die oninbaar dreigt te worden van ten minste € 5000 vanwege een onherroepelijke boete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel; b. b. de gevraagde rapportage met het oog op het doel van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen, bedoeld in artikel 2.10 van de wet, noodzakelijk en evenredig is voor de uitoefening van publiekrechtelijke taken en bevoegdheden van de verzoekende deelnemer, bedoeld in artikel 2.11 van de wet of artikel 2.6 van dit besluit; c. c. het verkrijgen van de gevraagde rapportage naar verwachting de samenwerking met meerdere deelnemers van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen vergt; en d. d. het verzoek een vermelding omvat van:
1°.
de taak of bevoegdheid van de deelnemer en het betrokken element van het doel, bedoeld in artikel 2.10 van de wet, met het oog waarop het verzoek wordt gedaan;
2°.
de natuurlijke of rechtspersonen waarop het verzoek ziet, of, in geval van een rapportage over vermogen en inkomsten, eventueel het object waarop het verzoek ziet, en
3°.
indien het een verzoek om een rapportage over financieel-zakelijke relaties betreft, de feiten en omstandigheden die relevant zijn om te kunnen bepalen welke relaties moeten worden opgenomen in de rapportage.
1°. 1°. de taak of bevoegdheid van de deelnemer en het betrokken element van het doel, bedoeld in artikel 2.10 van de wet, met het oog waarop het verzoek wordt gedaan; 2°. 2°. de natuurlijke of rechtspersonen waarop het verzoek ziet, of, in geval van een rapportage over vermogen en inkomsten, eventueel het object waarop het verzoek ziet, en 3°. 3°. indien het een verzoek om een rapportage over financieel-zakelijke relaties betreft, de feiten en omstandigheden die relevant zijn om te kunnen bepalen welke relaties moeten worden opgenomen in de rapportage.
2. De deelnemer die het verzoek aanmeldt, draagt er zorg voor dat daarin is toegelicht in hoeverre is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. De deelnemers registreren een verzoek om een rapportage in het systeem waarin zij gezamenlijk gegevens verwerken, met daarbij de vermelding of is voldaan aan de criteria voor het in behandeling nemen van dat verzoek.
Artikel 2.9
1.
Een themarapportage, bedoeld in artikel 2.13, onder c, van de wet wordt uitsluitend verstrekt over een thema dat door de deelnemers is vastgesteld, is gepubliceerd op de website van het samenwerkingsverband en betrekking heeft op het blootleggen van het op onrechtmatige wijze behalen van financieel gewin door middel van een misdrijf of overtreding als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onder a, onderdelen 1° tot en met 3°, bestaande uit:
a. a. ernstige strafrechtelijke of bestuursrechtelijke inbreuken door criminele netwerken; b. b. witwassen, ernstige fraude en daaraan gerelateerde vormen van financieel-economische criminaliteit, of c. c. marktmisbruik dat leidt tot verstoring of ontwrichting van het economisch verkeer of het toezicht daarop.
2.
Onder raadpleging van de rechtmatigheidsadviescommissie stellen de deelnemers bij de vaststelling van het betreffende thema een toelichtende beschrijving op van:
a. a. de wijze waarop het thema inzicht geeft in de problematiek met betrekking tot het doel, bedoeld in artikel 2.10, van de wet, waarom dit inzicht niet voldoende kan worden bereikt zonder een themarapportage, en van de evenredigheid van een themarapportage, gelet op de geschatte ernst, stelselmatigheid, verspreiding en duur van het te onderzoeken thema; b. b. de te hanteren indicatoren, verwerkingsmethode en gegevens; c. c. de invulling van de waarborgen, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12 van dit besluit en artikel 1.9 van de wet, en d. d. de voorwaarden waaronder de resultaten worden opgenomen in de rapportage en waarbij sprake is van een verhoogd risico als bedoeld in artikel 1.9, vijfde lid, van de wet.
Artikel 2.10
Bij het opstellen van een themarapportage, bedoeld in artikel 2.13, onder c, van de wet hanteren de deelnemers uitsluitend door hen vooraf vastgestelde indicatoren voor het betreffende thema, die:
a. a. wijzen op het op onrechtmatige wijze behalen van financieel gewin; b. b. zijn gebaseerd op wetenschappelijke literatuur, statistische validatie en kennis van experts, en c. c. objectief en nauwkeurig zijn en zijn gecontroleerd op geldigheid en juistheid, rekening houdend met vertekening, navolgbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit van de gegevens.
Artikel 2.11
1.
Een verzoek van een deelnemer of meerdere deelnemers om een themarapportage, bedoeld in artikel 2.13, onder c, van de wet, wordt uitsluitend in behandeling genomen indien het verzoek de volgende informatie bevat:
a. a. de onderzoeksvraag, met een beschrijving van het vastgestelde thema, bedoeld in artikel 2.9, de beoogde onderzoeksgroep, de afbakening van de onderzoeksvraag en een toelichting waarom de informatie uit de themarapportage de onderzoeksvraag kan beantwoorden; b. b. de aanleiding en achtergrond van de onderzoeksvraag, met een vermelding van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat bij de beoogde onderzoeksgroep sprake is van het type onrechtmatig financieel gewin waar het vastgestelde thema zich op richt; c. c. een toelichting op de noodzaak van de rapportage voor de uitoefening van publiekrechtelijke taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.11 van de wet of artikel 2.6 van dit besluit, van de verzoekende deelnemer, en d. d. een toelichting op de proportionaliteit van het verzoek, gelet op de onderzoeksvraag en de grootte van de beoogde onderzoeksgroep.
2. Indien uit de themarapportage, bedoeld in artikel 2.13, onder c, van de wet, op basis van de vooraf vastgestelde voorwaarden, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onder d, van dit besluit ten aanzien van bepaalde natuurlijke personen of rechtspersonen of objecten duidelijke en objectieve aanwijzingen blijken dat sprake is van een verhoogd risico dat op onrechtmatige wijze financieel gewin is of wordt behaald, kan de ontvanger voor die personen of objecten verzoeken om een themarapportage compact, bedoeld in artikel 2.13, onder d, van de wet. Op de indiening van dit verzoek is artikel 2.8 van dit besluit van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet de natuurlijke of rechtspersonen waarop het verzoek ziet, worden vermeld, maar de betreffende subjectnummers uit de themarapportage.
3. De deelnemers registreren een verzoek om een rapportage in het systeem waarin zij gezamenlijk gegevens verwerken, met daarbij de vermelding of is voldaan aan de criteria voor het in behandeling nemen van dat verzoek.
Artikel 2.12
1. De themarapportage (iRT NN), bedoeld in artikel 2.13, onder c, van de wet, wordt opgesteld op basis van een geautomatiseerde gegevensanalyse waarbij door de deelnemers verstrekte gegevens worden geanalyseerd aan de hand van de vooraf vastgestelde gevalideerde indicatoren, bedoeld in artikel 2.10. Hiertoe kunnen de gegevens worden samengevoegd, opgeteld en gegroepeerd.
2. De deelnemers nemen bij de gegevensanalyse de toelichtende beschrijving, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, in acht.
3. De deelnemers beperken de gegevensanalyse tot het thema, de afbakening van de onderzoeksvraag en onderzoeksgroep, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid.
4.
De deelnemers treffen de volgende aanvullende waarborgen:
a. a. de deelnemers zorgen voor een representatieve onderzoeksgroep en hebben aandacht voor het risico van vooringenomenheid; b. b. de gehanteerde methodiek is uitlegbaar, navolgbaar en controleerbaar; c. c. met inachtneming van artikel 1.9, vijfde lid, van de wet worden gegevens uit de themarapportage enkel aan identificerende gegevens gekoppeld nadat een verzoek is gedaan om een themarapportage compact voor het betreffende subject, mits dat verzoek voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, en d. d. ten hoogste twee jaar na de verstrekking van een themarapportage kan een deelnemer naar aanleiding daarvan een verzoek doen om een themarapportage compact, bedoeld in artikel 2.13, onder d, van de wet.
5. Over de toepassing van dit artikel wordt de rechtmatigheidsadviescommissie periodiek geïnformeerd ten behoeve van de uitoefening van haar taak, bedoeld in artikel 1.8, zesde lid, van de wet.
Paragraaf 2.3. Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s)
Artikel 2.13
De Regionale Informatie- en Expertisecentra dragen er zorg voor dat hun territoriale werkgebieden worden bekendgemaakt door plaatsing op internet.
Artikel 2.14
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit neemt in aanvulling op de wettelijke taken, genoemd in artikel 2.19, eerste lid, onder l, van de wet, tevens deel voor de uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden waar haar toezicht en bestuursrechtelijke handhaving zich bij of krachtens de wet over uitstrekt, alsmede voor de opsporing van strafbare feiten krachtens artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering voor zover buitengewoon opsporingsambtenaren van deze autoriteit hiermee belast zijn.
Artikel 2.15
De op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de wet te verstrekken categorieën gegevens, genoemd in de eerste kolom, hebben uitsluitend betrekking op de gegevens, genoemd in de tweede kolom, mits de gegevens met het oog op het doel van het Regionale Informatie- en Expertisecentrum toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.
Artikel 2.16
1.
Onverminderd de criteria, bedoeld in artikel 2.23, derde lid, van de wet, kan een signaal van een deelnemer uitsluitend aanleiding vormen tot gezamenlijke gegevensverwerking in het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum indien:
a. a. sprake is van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat het signaal verband houdt met verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit, blijkende uit feiten, omstandigheden en gedragingen die aan het signaal ten grondslag liggen, voor zover deze voortvloeien uit concrete waarnemingen van de deelnemer tijdens de uitoefening van diens wettelijke taken en bevoegdheden; b. b. het signaal gerelateerd is aan een van de volgende verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit:
1°.
mensenhandel en -smokkel;
2°.
georganiseerde drugscriminaliteit;
3°.
fraude of misbruik in de vastgoedsector;
4°.
witwassen en daaraan gerelateerde vormen van financieel-economische criminaliteit;
5°.
misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, voor zover die georganiseerde criminaliteit betreffen, of
6°.
verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit die na toetsing van de evenredigheid zijn aangewezen door de bestuurders van de deelnemers die het samenwerkingsverband aansturen of door de Minister van Justitie en Veiligheid, en zijn bekendgemaakt door plaatsing op internet;
1°. 1°. mensenhandel en -smokkel; 2°. 2°. georganiseerde drugscriminaliteit; 3°. 3°. fraude of misbruik in de vastgoedsector; 4°. 4°. witwassen en daaraan gerelateerde vormen van financieel-economische criminaliteit; 5°. 5°. misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, voor zover die georganiseerde criminaliteit betreffen, of 6°. 6°. verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit die na toetsing van de evenredigheid zijn aangewezen door de bestuurders van de deelnemers die het samenwerkingsverband aansturen of door de Minister van Justitie en Veiligheid, en zijn bekendgemaakt door plaatsing op internet; c. c. gezamenlijke gegevensverwerking noodzakelijk is in relatie tot de doelstelling van het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum; d. d. het signaal naar verwachting de gezamenlijke aanpak vergt met meerdere deelnemers van het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum, en e. e. het signaal naar verwachting betrekking heeft op de regio van het betreffende Regionaal Informatie- en Expertisecentrum.
2. De deelnemer die het signaal aanmeldt, draagt er zorg voor dat in de aanmelding wordt toegelicht in hoeverre is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. De deelnemers registreren in het systeem waarin zij gezamenlijk gegevens verwerken of naar hun oordeel is voldaan aan de criteria voor het in behandeling nemen van een signaal.
Paragraaf 2.4. Zorg- en Veiligheidshuizen (ZVH)
Artikel 2.17
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
plan van aanpak: plan dat invulling geeft aan de gezamenlijke strategie, bedoeld in artikel 2.26 van de wet, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden waarmee de deelnemers zijn belast alsmede daaraan gerelateerde noodzakelijke werkzaamheden die worden verricht door de deelnemers.
Artikel 2.18
De Zorg- en Veiligheidshuizen dragen er zorg voor dat hun territoriale werkgebieden worden bekendgemaakt door plaatsing op internet.
Artikel 2.19
Op grond van artikel 2.30, eerste lid, onder b, van de wet worden uitsluitend gegevens verstrekt over personen die een gezinslid of ander direct sociaal contact zijn van een betrokkene die is aangemeld op grond van artikel 2.31, eerste lid, van de wet.
Artikel 2.20
1.
Een casus die wordt aangemeld op grond van artikel 2.31, eerste lid, van de wet is in overeenstemming met het doel, bedoeld in artikel 2.25 van de wet, indien er sprake is van problemen:
a. a. bij betrokkene, of in de gezinssituatie waarin betrokkene verkeert indien die problemen voor betrokkene relevant zijn; b. b. op meerdere leefgebieden waarin sprake is van criminogene factoren; c. c. die leiden, hebben geleid, of, gelet op duidelijke en objectieve aanwijzingen daarvoor, zonder interventie zouden gaan leiden tot het veroorzaken door betrokkene van ernstige overlast, criminaliteit, of onveilige situaties voor personen of binnen een gebied, en d. d. waarvoor samenwerking tussen deelnemers van het Zorg- en Veiligheidshuis uit meerdere domeinen noodzakelijk is om te komen tot een effectief plan van aanpak om deze problemen te voorkomen, verminderen of bestrijden.
2.
De deelnemers aan het Zorg- en Veiligheidshuis kunnen plannen van aanpak van meerdere personen over wie in Zorg- en Veiligheidshuizen casusoverleggen worden gevoerd, op elkaar afstemmen voor zover:
a. a. de betrokkenen behoren tot elkaars directe kring als bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, onder b, van de wet; b. b. er afhankelijkheden bestaan tussen de problemen bij deze betrokkenen als bedoeld in het eerste lid, of tussen de problemen die zij veroorzaken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en c. c. de afstemming noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in artikel 2.25 van de wet.
3. De deelnemer die de casus aanmeldt, draagt er zorg voor dat uit de aanmelding blijkt in hoeverre is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. De deelnemers registreren in het systeem waarin zij gezamenlijk gegevens verwerken of naar hun oordeel is voldaan aan de criteria voor het in behandeling nemen van een casus.
Artikel 2.21
1. De deelnemers, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de wet, kunnen op grond van artikel 2.31, negende lid, van de wet, derden op incidentele basis laten deelnemen aan het casusoverleg van een Zorg- en Veiligheidshuis indien zij over deskundigheid beschikken die noodzakelijk is bij de aanpak van een specifieke casus en zij gelet op hun onderscheidenlijke wettelijke of publieke taken en bevoegdheden een rol kunnen vervullen bij het opstellen, uitvoeren of evalueren van het plan van aanpak.
2. Een derde mag op grond van het eerste lid uitsluitend deelnemen aan een casusoverleg na ondertekening van een verklaring waarmee hij verklaart de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 1.11 van de wet, na te leven.
3. Een derde wordt niet geautoriseerd voor de toegang tot de systemen waarin de deelnemers gezamenlijk persoonsgegevens verwerken. De deelnemers, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de wet kunnen aan de derde persoonsgegevens verstrekken voor zover dat naar hun oordeel noodzakelijk is om de derde in staat te stellen om zijn rol te vervullen.
Artikel 2.22
Plaatsing van een betrokkene op de lijst met geprioriteerde casussen, bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, van de wet, is slechts mogelijk indien:
a. a. de betrokkene voldoet aan de criteria voor behandeling in het Zorg- en Veiligheidshuis, bedoeld in artikel 2.20 van dit besluit, b. b. is voldaan aan de objectieve criteria die op grond van artikel 2.32, eerste lid, van de wet zijn geformuleerd, en c. c. deze objectieve criteria openbaar zijn gemaakt door plaatsing op het internet.
Hoofdstuk 3. Wijziging van andere besluiten
Artikel 3.1
Wijzigt het Besluit politiegegevens.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 4.1
Met ingang van 1 maart 2025 treden in werking:
a. a. De wet, met uitzondering van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.4, derde lid, eerste volzin, die in werking treden met ingang van 1 juli 2025; b. b. Dit besluit, met uitzondering van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.6, die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; c. c. De Wet van 26 juni 2024 tot wijziging van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden in verband met het waarborgen van de parlementaire betrokkenheid bij de aanwijzing van andere samenwerkingsverbanden (Stb. 2024, 254).
Artikel 4.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden.