rijk/ministeriele-regeling/besluit-voorschrift-informatiebeveiliging-rijksdienst-bijzondere-informatie/BWBR0016435/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

44 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie BWBR0016435 ministeriele-regeling geldend 2004-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016435 Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie

Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie

Paragraaf A. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. bijzondere informatie: staatsgeheimen en overige bijzondere informatie waarvan kennisname door niet gerechtigden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries; b. b. staatsgeheim: bijzondere informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt geboden; c. c. rubriceren: vaststellen en aangeven dat een gegeven bijzondere informatie is en het bepalen en aangeven van de mate van beveiliging die aan deze informatie moet worden gegeven; d. d. merking: aanduiding die een bepaalde wijze van behandelen van bijzondere informatie aangeeft; e. e. beveiligen: beschermen van bijzondere informatie tegen kennisname door niet gerechtigden; f. f. minister: elke minister voor wat het onder zijn leiding staande ministerie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen betreft; g. g. compromittering: de kennisname dan wel de mogelijkheid tot kennisnemen door een niet gerechtigde van bijzondere informatie; h. h. Vir: Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994; i. i. Wvo: Wet veiligheidsonderzoeken; j. j. Wob: Wet openbaarheid van bestuur; k. k. BVA: de beveiligingsambtenaar als bedoeld in het Beveiligingsvoorschrift I, 1949; l. l. BIB-beraad: Bijzondere Informatie Beveiligingsberaad, zoals ingesteld door de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Buitenlandse Zaken en van Defensie op 1 juni 1998 (Stct. 110), laatstelijk gewijzigd op 17 maart 2000 (Stct. 96).

Het Vir bevat algemene regels voor de beveiliging van informatie binnen de rijksoverheid.

Binnen deze informatie bestaat informatie waarvan de kennisname door niet gerechtigden schade of nadeel op kan leveren voor de Staat, zijn bondgenoten of een of meer ministeries. Om deze reden moeten er bij deze informatie hogere eisen worden gesteld aan de waarborging van de exclusiviteit, dat wil zeggen de mate waarin de toegang tot de informatie is beperkt tot een gedefinieerde groep van gerechtigden. Deze informatie wordt bijzondere informatie genoemd.

Bijzondere informatie bestaat uit staatsgeheimen en uit overige kwetsbare informatie (niet-staatsgeheime bijzondere informatie), die weliswaar geen staatsgeheim is, maar toch meer beveiliging behoeft dan het algemene beveiligingsniveau biedt. Niet-staatsgeheime bijzondere informatie is dikwijls al op basis van een departementale regeling gemerkt, bijvoorbeeld BZ-vertrouwelijk voor informatie, waarvan kennisname door niet bevoegden kan leiden tot nadelige gevolgen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorbeelden van categorieën niet-staatsgeheime bijzondere informatie zijn opgenomen in bijlage 2 van dit voorschrift. Deze voorbeelden hebben geen limitatief karakter; ze dienen als hulpmiddel bij het vastleggen in het beleidsdocument van de soorten bijzondere informatie die zich op een ministerie bevinden (zie artikel 13, tweede lid, onder a).

Er moeten pas hogere eisen aan de waarborging van de exclusiviteit worden gesteld indien er risicos zijn die dat rechtvaardigen. Daarom stelt de definitie van bijzondere informatie in artikel 1 onder a als eis dat er sprake moet zijn van nadelige gevolgen voor de belangen van de Staat, zijn bondgenoten of van één of meer van zijn ministeries indien niet-gerechtigden hiervan kunnen kennisnemen. Het nadeel kan soms zo ernstig zijn, dat er sprake is van schade. In bijlage 2 van dit voorschrift zijn voorbeelden opgenomen van categorieën van informatie waarbij sprake kan zijn van de hier bedoelde nadelige gevolgen. Gerechtigd om kennis te nemen van staatsgeheimen zijn personen met een verklaring van geen bezwaar op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo); in alle gevallen van kennisname van bijzondere informatie is een need to know vereist, dat wil zeggen dat voor de betrokkene toegang tot de bijzondere informatie noodzakelijk is om een uit zijn functie voortvloeiende taak te kunnen vervullen.

De omschrijving van het begrip staatsgeheim is ontleend aan de omschrijving die het Wetboek van Strafrecht geeft in artikel 98.

Wat de verhouding van dit voorschrift tot de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) betreft, wordt op het volgende gewezen. Het aanwijzen van informatie als bijzonder betekent dat het beveiligingsregime van dit voorschrift op deze informatie moet worden toepast. Dit betekent uiteraard niet dat als dergelijke informatie op grond van de Wob wordt opgevraagd, dit verzoek zonder meer kan worden geweigerd. In dat geval wordt bezien of tot openbaarmaking kan worden overgegaan. Van openbaarmaking kan slechts worden afgeweken indien daarvoor een grond aanwezig is als bedoeld in artikel 10 of 11 van de Wob.

Artikel 2

1. Dit voorschrift geldt voor de rijksdienst, waartoe gerekend worden de ministeries met de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen.

2. Op de beveiliging van bijzondere informatie zijn de bepalingen van dit voorschrift in aanvulling op het Vir van toepassing.

Dit voorschrift is een aanvulling op het Vir, dat betrekking heeft op de beveiliging van informatie in het algemeen. Bijzondere informatie maakt immers deel uit van de totale bij de overheid aanwezige informatie. Dit betekent dat bij de beveiliging van bijzondere informatie zowel de regels van het VIR als de regels van dit voorschrift gevolgd moeten worden.

Evenals het Vir geldt het Vir-bi voor de rijksdienst. Tot de rijksdienst behoren de ministeries met hun directoraten-generaal, centrale en stafdirecties, buitendiensten en intern verzelfstandigde dienstonderdelen. Anders gezegd: alle organisaties op rijksniveau waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid onverkort geldt.

Op zelfstandige bestuursorganen is het voorschrift niet automatisch van toepassing. Het blijft de verantwoordelijkheid van de individuele ministers om er zorg voor te dragen dat dit voorschrift op individuele zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing wordt verklaard indien er bij een individueel zelfstandig bestuursorgaan sprake is van bijzondere informatie. Dit kan geschieden in de instellingswetgeving voor nieuw te creëren zelfstandige bestuursorganen of in een afzonderlijk informatiestatuut waarin afspraken worden vastgelegd tussen een zelfstandig bestuursorgaan en de minister.

Artikel 3

1. Indien het noodzakelijk is bijzondere informatie buiten de rijksdienst te brengen, anders dan op grond van een wettelijke openbaarmakingsverplichting, wordt dit niet gedaan dan nadat is vast gesteld dat voldoende waarborgen aanwezig zijn dat deze bijzondere informatie wordt beveiligd overeenkomstig de in dit voorschrift neergelegde regels door de persoon of instantie buiten de rijksdienst die de bijzondere informatie zal ontvangen.

2. Verstrekking van bijzondere informatie als bedoeld in het eerste lid, vindt niet eerder plaats dan nadat de secretaris-generaal dan wel een door hem daartoe aangewezen ambtenaar heeft vastgesteld dat de persoon of instantie aan wie onderscheidenlijk waaraan de bijzondere informatie wordt verstrekt deze informatie beveiligt overeenkomstig de exclusiviteitseisen die ingevolge dit besluit aan de beveiliging van de desbetreffende categorie bijzondere informatie worden gesteld.

3. Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of een internationale overeenkomst is verkregen wordt uitsluitend na voorafgaande toestemming van het land of de internationale organisatie van herkomst doorgegeven aan een derde land of een andere organisatie.

De werking van dit voorschrift strekt zich niet verder uit dan tot de rijksdienst. Het kan echter noodzakelijk zijn bijzondere informatie ook buiten de rijksdienst te brengen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als opdrachten bij het bedrijfsleven worden geplaatst waarbij gerubriceerde informatie ter beschikking moet worden gesteld. Het voorschrift staat dit alleen toe als er voldoende zekerheid bestaat dat de informatie in overeenstemming met dit voorschrift wordt beveiligd. In de praktijk betekent dit dat er met organisaties die niet tot de rijksdienst behoren afspraken moeten worden gemaakt, waarbij de naleving van de in dit voorschrift vastgelegde beveiligingsregels wordt overeengekomen.

Het derde lid van deze bepaling bevat het derde-landen principe. Dit principe houdt in dat bijzondere informatie van internationale herkomst niet wordt verstrekt zonder voorafgaande toestemming van het land of de internationale organisatie die de informatie hebben verstrekt. Het derde-landen principe vormt een essentiële voorwaarde bij internationale samenwerking. De in het derde lid bedoelde toestemming voor het doorgegeven van bijzondere informatie kan voor bepaalde gevallen vooraf generiek worden verleend.

Artikel 4

Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen wordt beveiligd volgens dit voorschrift. Voor zover het verdrag of de overeenkomst afwijkende of verdergaande beveiligingsbepalingen bevat worden die afwijkende of verdergaande bepalingen toegepast.

Paragraaf B. Rubriceringen

Artikel 5

1.

Staatsgeheimen worden als volgt gerubriceerd:

a. a. Stg. ZEER GEHEIM indien kennisnemen door niet gerechtigden zeer ernstige schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten; b. b. Stg. GEHEIM indien kennisnemen door niet gerechtigden ernstige schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten; c. c. Stg. CONFIDENTIEEL indien kennisnemen door niet gerechtigden schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten.

2.

Bijzondere informatie die geen staatsgeheim is, wordt als volgt gerubriceerd:

Dep. VERTROUWELIJK

indien kennisnemen door niet gerechtigden nadeel kan toebrengen aan het belang van één of meer ministeries.

3. De rubricering kan worden aangevuld met een merking, die een bepaalde wijze van behandelen aangeeft.

4. Indien praktisch uitvoerbaar, worden rubriceringen, merkingen en de duur van de rubricering altijd duidelijk aangebracht.

Onder rubriceren wordt verstaan: het vaststellen en aangeven dat een gegeven bijzondere informatie is en het bepalen en aangeven van de mate van beveiliging die aan deze informatie moet worden gegeven.

Het rubriceren kan worden opgesplitst in een aantal stappen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of informatie als staatsgeheim of als niet-staatsgeheime bijzondere informatie moet worden beschouwd. Er is sprake van een staatsgeheim als het belang van de Staat of zijn bondgenoten in het geding is en indien kennisname door niet gerechtigden kan leiden tot schade aan deze belangen.

Er is sprake van niet-staatsgeheime bijzondere informatie indien kennisname door niet gerechtigden kan leiden tot nadeel aan het belang van één of meer ministeries. Indien bij de schending van de geheimhouding het nadeel aan het belang van één of meer ministeries zo ernstig is, dat sprake is van schade, zal er doorgaans sprake zijn van schade aan de belangen van de Staat of van zijn bondgenoten en dus van een staatsgeheim.

In de tweede plaats moet de rubricering worden vastgesteld. De rubricering zelf, dat wil zeggen de mate van beveiliging die aan informatie wordt gegeven, wordt bepaald door de mate van nadeel of schade die kan worden geleden indien een niet gerechtigde kennis neemt van de informatie.

Het schema, dat in bijlage 2 van dit voorschrift is opgenomen, verduidelijkt het voorgaande.

Gedeelten van of bijlagen bij informatie kunnen onderling verschillend worden gerubriceerd. Bij die gedeelten of op die bijlagen dient de desbetreffende rubricering afzonderlijk te worden vermeld. De informatie als geheel dient tenminste zo hoog te zijn gerubriceerd als het hoogst gerubriceerde gedeelte of de hoogst gerubriceerde bijlage.

Uitgangspunt bij het rubriceren zijn de in het beleidsdocument (zie artikel 13, tweede lid) opgenomen criteria voor het rubriceren.

De wijze waarop de rubricering op de informatie moet worden aangebracht staat vermeld in de Matrix exclusiviteitseisen, bijlage 3 van dit voorschrift. Indien het niet praktisch uitvoerbaar is om de rubricering op de informatie aan te brengen, wordt de gebruiker van de informatie op de hoogte gesteld van de rubricering.

Middels een merking kan een specifieke beperking van de kring van gerechtigden worden aangegeven. Zo wordt bijvoorbeeld op het Ministerie van Defensie de merking NL/GE eyes only gebruikt voor informatie die alleen met Duitsland mag worden uitgewisseld.

Artikel 6

1. Rubriceringen worden aan een tijdsverloop van maximaal tien jaar of aan een bepaalde gebeurtenis gebonden.

2.

Van het eerste lid van deze bepaling kan worden afgeweken in die gevallen waarin de rubricering betrekking heeft op:

a. a. bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen; b. b. staatsgeheimen die door de wet als zodanig zijn aangewezen; c. c. bijzondere informatie die een onderdeel vormt van een plan, systeem, project, enz. waarvoor een langdurige geheimhouding noodzakelijk is; d. d. bijzondere informatie waarbij bronbescherming, modus operandi of, in het geval van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, het actuele kennisniveau in het geding is.

3.

Rubriceringen die op grond van het in het tweede lid gestelde zijn uitgezonderd, worden uiterlijk twintig jaar na vaststelling door de ambtenaar als bedoeld in artikel 8 onderzocht op de mogelijkheid om de rubricering te herzien of te beëindigen.

Beveiligingsmaatregelen brengen als regel extra werkzaamheden en daardoor extra kosten met zich mee. Onnodig beveiligen moet daarom worden vermeden. Om deze reden gaat het voorschrift er vanuit dat rubriceringen in beginsel tijdelijk zijn. De rubricering is gebonden aan een termijn van maximaal tien jaar of aan een bepaalde gebeurtenis; bij dit laatste moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de afloop van onderhandelingen. Indien de rubricering is gebonden aan een bepaalde gebeurtenis moet dit op de informatiedrager zijn aangeven door degene die de inhoud van de informatie vaststelt.

Na een periode van maximaal tien jaar of nadat de bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden vervalt de rubricering automatisch.

Slechts in vier gevallen, genoemd in artikel 6, tweede lid, is het mogelijk van deze regel af te wijken:

    1. De rubricering heeft betrekking op informatie die krachtens een internationaal verdrag of een internationale overeenkomst is verkregen. In dit geval blijft de rubriceringsduur van kracht die wordt gehanteerd door het land of door de organisatie waarvan de informatie oorspronkelijk afkomstig is.
    1. Het betreft staatsgeheimen die door de wet als zodanig zijn aangewezen (bijvoorbeeld de Kernenergiewet en het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet, KB 17 juni 1971).
    1. De bijzondere informatie maakt onderdeel uit van een plan, systeem, project, enz. waarvoor de termijn van tien jaar in verband met de levensduur hiervan te kort is.
    1. Een langere rubriceringsduur is noodzakelijk vanuit het oogpunt van bronbescherming of bescherming van modus operandi. Bij inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan een langere rubriceringsduur noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zicht wordt gegeven op het actuele kennisniveau.

Om te voorkomen dat ook in deze gevallen langer wordt beveiligd dan noodzakelijk is, bepaalt het derde lid van dit artikel dat deze informatie moet worden geherrubriceerd of gederubriceerd wanneer de overwegingen waarop de rubricering werd aangebracht, niet meer in dezelfde mate of in het geheel niet meer gelden. Uiterlijk twintig jaar nadat de rubricering is vastgesteld, dient de informatie hierop onderzocht te worden.

De rubricering en de duur van de rubricering moeten altijd duidelijk zijn aangebracht, zie artikel 5, vierde lid van dit voorschrift.

Artikel 7

1. De opsteller van de informatie doet een voorstel tot rubricering en brengt deze aan op de informatie.

2. De rubricering wordt vastgesteld door degene die de inhoud van de informatie vaststelt.

De rubricering van informatie wordt in eerste instantie gegeven door de opsteller ervan. De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de rubricering berust bij degene die de inhoud van de informatie vaststelt. In geval van twijfel kan deze zich wenden tot de BVA. De BVA oefent toezicht uit op het rubriceren. Dit vloeit voort uit zijn toezichthoudende taak die omschreven is in artikel 14 van dit voorschrift.

Artikel 8

Uitsluitend degene die de rubricering heeft vastgesteld, degene die hem in zijn functie is opgevolgd, dan wel een daartoe door of namens de secretaris-generaal aangewezen ambtenaar is bevoegd de rubricering te herzien of te beëindigen.

Herrubricering of derubricering kan, behoudens de uitzondering van artikel 10, derde lid, alleen geschieden door de volgende personen:

degene die de inhoud van de informatie heeft vastgesteld; zijn ambtsopvolger; een door of namens de secretaris-generaal daartoe aangewezen ambtenaar.

Dit laatste geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de functie van degene die de inhoud van de informatie heeft vastgesteld is komen te vervallen.

Indien de rubricering wordt herzien of beëindigd moet de rubricering verwijderd worden. In het geval dat de rubricering wordt herzien, wordt de nieuwe rubricering in de onmiddellijke nabijheid of op de plaats van de oude rubricering aangebracht.

De daartoe bevoegde ambtenaar draagt er, voorzover mogelijk, tevens zorg voor dat aan de ontvangers van de informatie wordt meegedeeld dat de informatie geherrubriceerd c.q. gederubriceerd is indien wordt afgeweken van de standaardtermijn of de bepaalde gebeurtenis als bedoeld in artikel 6, eerste lid, dan wel de termijn die ingevolge artikel 6, tweede lid is vastgesteld.

Artikel 9

Rubriceringen die zijn vastgesteld vóór het inwerkingtreden van dit voorschrift worden uiterlijk twintig jaar na vaststelling door de ambtenaar als bedoeld in artikel 8 onderzocht op de mogelijkheid om de rubricering te herzien of te beëindigen.

Deze bepaling moet voorkomen dat informatie langer wordt beveiligd dan noodzakelijk is.

Artikel 10

1. Bij overbrenging van bijzondere informatie naar een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet 1995 vervallen de daarop aangebrachte rubriceringen.

2.

Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt door het overbrengende ministerie de rubricering opnieuw vastgesteld nadat advies is ingewonnen van de beheerder van de archiefbewaarplaats. Hierbij wordt op de informatie aangegeven:

Deze rubricering is aangebracht bij de overbrenging naar een archiefbewaarplaats.

Het bepalen van nieuwe rubriceringen vindt mede plaats aan de hand van inventarislijsten, die ingevolge artikel 9, derde lid, van het Archiefbesluit 1995 worden vastgesteld. De inventarislijsten bevatten daartoe informatie over de oorspronkelijk aangebrachte rubriceringen.

3. Indien de oorspronkelijke rubricering werd vastgesteld door een ander ministerie dan het overbrengende ministerie, dan wel door een internationale organisatie of een buitenlandse mogendheid, wordt daaraan advies gevraagd.

4. De bij de overbrenging aangebrachte rubriceringen worden aan een bepaald tijdsverloop gebonden.

Ingevolge de Archiefwet 1995 moeten archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en die ouder zijn dan twintig jaar naar een archiefbewaarplaats worden overgebracht. Bij de over te brengen bescheiden kan zich informatie bevinden die gerubriceerd is. Veel van die rubriceringen zijn na verloop van twintig jaar niet meer juist. Om praktische redenen is daarom bepaald dat bij de overbrenging naar een archiefbewaarplaats in beginsel alle eerder aangebrachte rubriceringen vervallen. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt door het overbrengende ministerie de rubricering opnieuw vastgesteld; uit artikel 15 Archiefwet 1995 volgt dat bij bijzondere informatie slechts beperkingen mogen worden gesteld aan de openbaarheid met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het belang van de Staat of zijn bondgenoten of het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Bovendien mag deze beperking slechts gelden voor een bepaalde termijn. Het bepalen van nieuwe rubriceringen vindt mede plaats aan de hand van inventarislijsten die ingevolge artikel 9, derde lid, van het Archiefbesluit 1995 worden vastgesteld.

Indien informatie door het overbrengende ministerie werd ontvangen van een ander ministerie, van een internationale organisatie of van een buitenlandse mogendheid, vindt daarmee overleg plaats over de vraag of er nog steeds sprake is van bijzondere informatie. Bij materiaal dat afkomstig is van een ander ministerie beslist hierover uiteindelijk het overbrengende ministerie indien hierover binnen een overeen te komen termijn geen advies is ontvangen. Bij materiaal van niet-Nederlandse herkomst is het advies van de internationale organisatie of de buitenlandse mogendheid beslissend. Indien niet expliciet toestemming wordt verkregen voor beëindiging of herziening blijft de oorspronkelijke rubricering van kracht. De bij de overbrenging vastgestelde rubriceringen zijn altijd tijdelijk. Dit geldt dus ook voor rubriceringen op informatie van niet-Nederlandse herkomst. Om verwarring met de vervallen rubriceringen te voorkomen, worden de bij de overbrenging vastgestelde rubriceringen duidelijk als zodanig herkenbaar aangebracht.

Artikel 11

Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen, behoudt de aan die informatie toegekende rubricering en wordt beveiligd volgens het overeenkomstige nationale beveiligingsniveau.

Bijzondere informatie van internationale herkomst houdt de oorspronkelijk toegekende rubricering. Indien er geen overeenkomstige Nederlandse rubricering is, moet gezocht worden naar een Nederlandse rubricering die qua beveiligingsniveau zo veel mogelijk overeenkomt met de rubricering van het land c.q. de organisatie van herkomst.

In bijlage 1 van dit voorschrift is een transponeringstabel opgenomen die het Nederlandse equivalent geeft van de internationale rubriceringen.

Paragraaf C. Exclusiviteitseisen

Artikel 12

1. Bijzondere informatie wordt zodanig beveiligd dat alleen personen die daartoe zijn gerechtigd bijzondere informatie kunnen behandelen of inzien voorzover dit noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taak en dat inbreuken op de beveiliging worden gedetecteerd en gedegen onderzoek naar (mogelijke) inbreuken mogelijk is.

2. De uitwerking van de in het eerste lid vermelde exclusiviteitseisen staat vermeld in bijlage 3 behorend bij dit voorschrift. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan na advies van het BIB-beraad of zijn rechtsopvolger, deze bijlage aanpassen.

3.

Van de in het tweede lid bedoelde uitwerking van de exclusiviteitseisen mag uitsluitend worden afgeweken indien:

a. a. dit in een bepaald geval noodzakelijk is; en b. b. de secretaris-generaal schriftelijk toestemming heeft verleend en de afwijking en de noodzaak daartoe schriftelijk worden vastgelegd.

Indien het de beveiliging van een staatsgeheim betreft is tevens voorafgaand overleg vereist met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, dan wel de Beveiligingsautoriteit indien het de beveiliging betreft van een bij het Ministerie van Defensie berustend staatsgeheim.

Alleen personen die daartoe zijn gerechtigd, mogen bijzondere informatie behandelen of inzien, voorzover dat noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taak. Gerechtigd om kennis te nemen zijn personen met een need to know, dat wil zeggen dat voor de betrokkene toegang tot de bijzondere informatie noodzakelijk is om een uit zijn functie voortvloeiende taak te kunnen vervullen. Bovendien is bij kennisname van staatsgeheimen een verklaring van geen bezwaar op grond van de Wvo vereist.

Het Vir stelt geen concrete eisen aan de beveiliging van informatie maar biedt een methodiek om langs de weg van de afhankelijkheidsanalyse tot betrouwbaarheidseisen te komen. In het Vir wordt onder betrouwbaarheid verstaan de mate waarin de organisatie zich kan verlaten op een informatiesysteem voor zijn informatievoorziening. De hieraan te stellen eisen betrouwbaarheidseisen kunnen worden onderverdeeld in eisen ten aanzien van de exclusiviteit, de integriteit en beschikbaarheid. Artikel 12 van het Vir-bi geeft eisen met betrekking tot de bescherming van de exclusiviteit van de informatie. Bijzondere informatie heeft immers als kenmerk dat de gevolgen voor de Staat, zijn bondgenoten of de diverse ministeries bij onbevoegde kennisname veel ernstiger kunnen zijn dan bij onbevoegde kennisname van informatie, waarop uitsluitend het VIR van toepassing is, het geval is. Voor zover dat noodzakelijk is om de exclusiviteit te waarborgen zijn eisen met betrekking tot integriteit meegenomen. Omdat overigens geen bijzondere eisen hoeven te gelden voor de integriteit en beschikbaarheid van bijzondere informatie, kan met de afhankelijkheids- en kwetsbaarheidsanalyse conform het Vir worden volstaan.

In verband met de steeds voortschrijdende techniek is er voor gekozen om in het nieuwe voorschrift geen techniek-afhankelijke beveiligingsmaatregelen voor te schrijven, maar beveiligingseisen. Techniek-afhankelijke beveiligingsmaatregelen zijn immers tijdgebonden.

De uitwerking van de in het eerste lid van artikel 12 genoemde eisen is opgenomen in bijlage 3 van dit voorschrift. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan op basis van een daartoe door het BIB-beraad of zijn rechtsopvolger verstrekt advies, deze bijlage wijzigen. Op deze wijze kan in de toekomst snel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen zonder dat het voorschrift zelf behoeft te worden gewijzigd.

Volgens de opzet van bijlage 3 hoort bij ieder rubriceringsniveau een aparte set exclusiviteitseisen. In beginsel is het niet toegestaan van de in de bijlage voorgeschreven exclusiviteitseisen af te wijken. Volgens het derde lid van artikel 12 is afwijking alleen mogelijk indien dat in een specifieke situatie noodzakelijk is. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat bepaalde exclusiviteitseisen in een bepaalde situatie c.q. omgeving niet adequaat blijken te zijn in verband met een specifieke dreiging. Ook kan er sprake zijn van een tijdelijk afwijkende situatie in het geval van een verbouwing. In deze gevallen moet de secretaris-generaal schriftelijk toestemming verlenen en moet schriftelijk worden vastgelegd aan welke voorgeschreven exclusiviteitseis niet wordt voldaan en waarom de afwijking in dit geval noodzakelijk is. Bij staatsgeheimen is bovendien voorafgaand overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vereist. Indien het de beveiliging betreft van staatsgeheimen die bij het Ministerie van Defensie berusten is voorafgaand overleg met de Beveiligingsautoriteit vereist. Uiteraard blijft ook in deze gevallen de eindverantwoordelijkheid voor de beveiliging van een ministerie bij de secretaris-generaal berusten (zie artikel 1 van het Beveiligingsvoorschrift I 1949).

Uiteraard zal in overmachtssituaties de schriftelijke toestemming achteraf door de secretaris-generaal kunnen worden verleend; bij staatsgeheimen kan in dergelijke gevallen het overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst c.q. de Beveiligingsautoriteit in een later stadium plaatsvinden.

Paragraaf D. Organisatie

Artikel 13

1. De secretaris-generaal is belast met de algemene zorg voor de beveiliging van bijzondere informatie en oefent toezicht uit op de implementatie van het beleid ter zake.

2.

Bij het vaststellen van het informatiebeveiligingsbeleid als bedoeld in artikel 3 Vir draagt de secretaris-generaal er zorg voor dat het beleidsdocument tevens omvat:

a. a. de uitwerking van de uitgangspunten voor het rubriceren binnen het ministerie; b. b. de wijze waarop de secretaris-generaal vooraf toestemming verleent voor het verwerken van staatsgeheimen in informatiesystemen; c. c. de wijze waarop het informatiebeveiligingsbeleid voor wat betreft bijzondere informatie iedere twee jaar wordt geëvalueerd door een onafhankelijke deskundige; d. d. de wijze waarop personeelsleden, die werkzaamheden verrichten waarbij kennis wordt genomen van bijzondere informatie, op de hoogte worden gebracht van de voor hen geldende beveiligingsrichtlijnen; e. e. de wijze waarop de lijnmanager rapporteert over de beveiliging van bijzondere informatie die valt onder zijn verantwoordelijkheid; f. f. de uitgangspunten voor de noodvernietiging van bijzondere informatie.

3. De onderdelen van het beveiligingsbeleid die betrekking hebben op de beveiliging van staatsgeheimen worden door de secretaris-generaal vastgesteld in overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Bij het Ministerie van Defensie vindt het overleg plaats met de Beveiligingsautoriteit.

De aanhef van artikel 3 van het Vir luidt: De secretaris-generaal van een departement stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast in een beleidsdocument en draagt dit beleid uit.

Artikel 13 van dit voorschrift sluit hierop aan door te bepalen dat de algemene zorg voor de beveiliging van bijzondere informatie binnen een ministerie bij de secretaris-generaal berust. De beveiliging van zowel algemene als bijzondere informatie moet worden gezien als een deel van de taak van de secretaris-generaal voor het goed doen functioneren van het ministerie en de daaronder ressorterende diensten.

Artikel 3 van het Vir omschrijft de minimale inhoud van het beleidsdocument. Artikel 13 stelt aanvullende eisen aan dit beleidsdocument waar het de beveiliging van bijzondere informatie betreft. Hiermee wordt bereikt dat de uitgangspunten voor de beveiliging van algemene en bijzondere informatie worden vastgelegd in één geïntegreerd beleidsdocument.

Voor de beveiliging van bijzondere informatie moet in het beleidsdocument worden vastgelegd welke soorten bijzondere informatie er zijn op een ministerie, wat de daarbij behorende rubricering is en wie de rubricering definitief vaststelt. Het schema dat is opgenomen in bijlage 2 van dit voorschrift, bevat voorbeelden van de soorten van informatie en het daarbij behorende rubriceringsniveau en kan als richtsnoer dienen bij het opstellen van de uitgangspunten voor het rubriceren.

Voorts moet ook de interne procedure worden vastgelegd volgens welke de secretaris-generaal toestemming verleent voor het verwerken van staatsgeheimen in een informatiesysteem.

De onafhankelijke deskundige, als bedoeld in artikel 13 tweede lid onder c, beoordeelt in hoeverre de beveiliging van bijzondere informatie in overeenstemming is met de eisen van dit voorschrift en beoordeelt de motivering in het geval de lijnmanager het noodzakelijk vindt om van een voorgeschreven maatregel af te wijken (zie artikel 12, derde lid van dit voorschrift). De functie van onafhankelijk deskundige kan bijvoorbeeld worden vervuld door een EDP-auditor of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Het vereiste van artikel 13, tweede lid onder d kan bijvoorbeeld ingevuld worden door te bepalen dat de BVA in het kader van het aanstellingsgesprek de betrokkene op de hoogte stelt van zijn verplichtingen met betrekking tot de omgang met bijzondere informatie. Tevens moet vastgelegd worden dat de beveiligingsinstructie na een bepaalde tijd wordt herhaald en dat daarbij aandacht wordt geschonken aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene die voor de beveiliging van bijzondere informatie van belang kunnen zijn.

Verder moet in het beleidsdocument worden opgenomen dat iedere lijnmanager aan de secretaris-generaal rapporteert over de beveiliging van de bijzondere informatie die in zijn bezit is. Deze rapportage kan plaatsvinden door tussenkomst van de BVA. Deze rapportage zal in ieder geval moeten plaatsvinden bij ingebruikname van een informatiesysteem dat bijzondere informatie bevat en bij wijziging van dat systeem.

Tenslotte moet het beleidsdocument de uitgangspunten voor de noodvernietiging van bijzondere informatie bevatten. Deze uitgangspunten worden bepaald door de plaatselijke omstandigheden. Zij vormen de basis voor voorzieningen die in de calamiteitenparagraaf van het informatiebeveiligingsplan als bedoeld in artikel 4 onder e van het Vir moeten worden opgenomen.

In artikel 13 derde lid wordt bepaald dat onderdelen van het beveiligingsbeleid, die betrekking hebben op de beveiliging van staatsgeheimen, door de secretaris-generaal worden vastgesteld in overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Overleg met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is in dit geval al vereist in het kader van de Wet veiligheidsonderzoeken, waar het betreft de aanwijzing en vervulling van vertrouwensfuncties.

Bij het Ministerie van Defensie worden onderdelen van het beveiligingsbeleid, die betrekking hebben op de beveiliging van staatsgeheimen, vastgesteld in overleg met de Beveiligingsautoriteit.

Artikel 14

1. De BVA ondersteunt de secretaris-generaal bij zijn taken als genoemd in artikel 13.

2. De BVA adviseert de lijnmanager bij zijn taak als genoemd in artikel 15.

3. De BVA oefent toezicht uit op de deugdelijkheid van de beveiliging van de bijzondere informatie. Hij voert regelmatig een inspectie uit en rapporteert zijn bevindingen aan de secretaris-generaal.

4. Voordat in een informatiesysteem bijzondere informatie wordt verwerkt stelt de BVA vast of het stelsel van beveiligingsmaatregelen toereikend is en rapporteert hierover aan de secretaris-generaal.

Het beveiligingsvoorschrift I, 1949, beschrijft de rol en de verantwoordelijkheden van de secretaris-generaal en de BVA ten aanzien van de beveiliging in het algemeen en beperkt zich niet tot de beveiliging van staatsgeheimen en overige bijzondere informatie. Hierdoor was herziening van het Beveiligingsvoorschrift I, 1949 in het kader van een voorschrift dat uitsluitend handelt over de beveiliging van bijzondere informatie niet mogelijk. Op veel ministeries is inmiddels een centrale beveiligingsfunctie ingesteld, die belast is met de ontwikkeling en het onderhoud van het departementale beveiligingsbeleid. Het is duidelijk dat hierdoor de BVA-functie beter tot zijn recht komt.

In de opzet van dit voorschrift ondersteunt de BVA de secretaris-generaal bij zijn taken op het gebied van de beveiliging van bijzondere informatie als genoemd in artikel 13. Dit betekent dat de BVA belast kan worden met aspecten van de beveiliging van bijzondere informatie die centraal binnen een ministerie moeten worden geregeld, zoals bijvoorbeeld personele beveiliging, fysieke beveiliging en incidentafhandeling.

De rol van de BVA is zowel adviserend als toezichthoudend.

De BVA adviseert de secretaris-generaal en de lijnmanager met betrekking tot de implementatie van het voorschrift. De lijnmanager is volgens artikel 15 belast met de dagelijkse zorg voor de beveiliging van informatiesystemen, die bijzondere informatie bevatten.

Daarnaast oefent de BVA namens de secretaris-generaal toezicht uit op een juiste implementatie van het voorschrift. Voor de ingebruikname van een informatiesysteem controleert hij of de beveiligingsmaatregelen in overeenstemming met dit voorschrift zijn geïmplementeerd. De BVA kan zich hierbij uiteraard laten adviseren door specifieke deskundigen, bijvoorbeeld op het gebied van ICT en fysieke beveiliging. Ook dan draagt de BVA de verantwoordelijkheid voor het toezicht.

Wanneer een lijnmanager in overeenstemming met artikel 12, derde lid, van oordeel is dat van een voorgeschreven maatregel moet worden afgeweken is het aan de BVA de hieraan ten grondslag liggende motivering te beoordelen; de BVA moet er op toezien dat in dat geval toch aan de exclusiviteitseisen van het voorschrift wordt voldaan.

Tenslotte moet de BVA op grond van artikel 17 het onderzoek naar aanleiding van meldingen van mogelijke compromittering van bijzondere informatie initiëren.

Artikel 15

De lijnmanager draagt er zorg voor dat de implementatie van de beveiligingsmaatregelen voor een onder zijn verantwoordelijkheid vallend informatiesysteem of verantwoordelijkheidsgebied minimaal in overeenstemming is met de exclusiviteitseisen van artikel 12 en de daaruit voortvloeiende maatregelen.

Volgens artikel 4 Vir is voor elk informatiesysteem de verantwoordelijkheid voor de informatiebeveiliging toegewezen aan een lijnmanager. Dit vloeit voort uit het principe van integraal management dat inhoudt dat de lijnmanager verantwoordelijk is voor personeel, financiën en informatie op zijn werkterrein. De lijnmanager beschikt over de situationele gegevens om de juiste afweging te kunnen maken over de toereikendheid van de door hem te treffen maatregelen.

Het voorschrift sluit hierbij aan door de lijnmanager verantwoordelijk te laten zijn voor de beveiliging van de bijzondere informatie binnen zijn taakveld.

Artikel 16

1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties rapporteert eens in de twee jaar aan de ministerraad over de beveiliging van bijzondere informatie binnen de rijksdienst.

2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan met instemming van de betrokken minister bij een ministerie onderzoek verrichten naar de beveiliging van staatsgeheimen. Bij het Ministerie van Defensie kan dit onderzoek worden verricht door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

3.

De minister verstrekt desgevraagd informatie en verleent medewerking aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van diens taken zoals genoemd in dit artikel.

Deze bepaling is opgenomen om rijksbreed een goed en consistent niveau te bevorderen van beveiliging van bijzondere informatie in het algemeen en van staatsgeheimen in het bijzonder. De taken van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vloeien wat staatsgeheimen betreft voort uit zijn verantwoordelijkheid voor de taak van de onder hem ressorterende Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst om de beveiliging van staatsgeheimen te bevorderen (artikel 6, derde lid onder c Wiv); voor de overige bijzondere informatie wordt hierbij om praktische redenen aangesloten. Voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vloeit deze taak voort uit artikel 7, tweede lid onder d Wiv.

De in het eerste lid bedoelde rapportage van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de ministerraad heeft ook betrekking op het Ministerie van Defensie en zal naar verwachting in ieder geval de aspecten omvatten:

incidenten die zich hebben voorgedaan bij de beveiliging van bijzondere informatie en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen; ervaringen met de implementatie van het voorschrift en suggesties voor de oplossing van eventuele meer algemene problemen. Bij dit laatste kan onder meer worden gedacht aan de hoeveelheid bijzondere informatie die binnen een ministerie omgaat en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen.

Voor deze rapportage kan onder meer gebruik worden gemaakt van de gegevens afkomstig uit de evaluatie als bedoeld in artikel 13, tweede lid onder c.

Paragraaf E. Compromittering

Artikel 17

1. Elke ambtenaar is verplicht de BVA onverwijld mededeling te doen van een inbreuk op de beveiliging die redelijkerwijs kan leiden, dan wel vermoedelijk of vaststaand heeft geleid, tot compromittering van bijzondere informatie.

2.

De BVA treft, nadat hij op de hoogte is gebracht van een inbreuk op de beveiliging, onverwijld maatregelen om de beveiliging te herstellen en herhaling te voorkomen.

De BVA stelt vast of compromittering van bijzondere informatie heeft plaatsgevonden; indien dit het geval is doet hij hiervan mededeling aan de secretaris-generaal.

3.

Gevallen waarbij uitsluitend Dep. Vertrouwelijk gerubriceerde informatie is betrokken, behoeven slechts door de BVA aan de secretaris-generaal te worden gemeld indien sprake is van verdachte omstandigheden.

Indien de compromittering betrekking heeft op krachtens internationaal verdrag of overeenkomst verkregen bijzondere informatie, doet de BVA bovendien mededeling aan de krachtens het verdrag of de overeenkomst voor de beveiliging van die bijzondere informatie verantwoordelijke instantie.

Artikel 18

1. De secretaris-generaal stelt nadat hij op de hoogte is gebracht van de compromittering van een staatsgeheim onverwijld een commissie van onderzoek in. Deze commissie bestaat uit ambtenaren die met het uitvoeren van onderzoeken ervaring hebben, die niet betrokken zijn bij de compromittering en die niet onmiddellijk ondergeschikt zijn aan bij de compromittering betrokken ambtenaren. De commissie is gerechtigd kennis te nemen van de informatie die op de compromittering betrekking heeft en de bij de compromittering betrokken ambtenaren, alsmede de ambtenaar die de rubricering heeft vastgesteld, te horen.

2.

De commissie stelt een onderzoek in naar:

de wijze waarop de compromittering heeft plaatsgevonden; de aard en de omvang van de schade aan de belangen van de Staat of zijn bondgenoten; de te nemen maatregelen om de schade te beperken en herhaling te voorkomen.

3. De commissie voert, indien het gecompromitteerde staatsgeheim afkomstig is van een ander ministerie of van een interdepartementale commissie, haar onderzoek uit in overleg met de BVA van dat ministerie of de voorzitter van die commissie. In het geval dat het gecompromitteerde staatsgeheim krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen voert de commissie haar onderzoek uit in samenwerking met de instantie die krachtens het verdrag of de overeenkomst verantwoordelijk is voor de beveiliging van het staatsgeheim. Indien geen redelijke verklaring voor de compromittering wordt gevonden of indien spionage wordt vermoed, kan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst de commissie bij haar onderzoek terzijde staan.

4. De secretaris-generaal of een door hem aangewezen ambtenaar treft, nadat de commissie van onderzoek haar werkzaamheden heeft voltooid, maatregelen om de schade die de compromittering heeft toegebracht aan de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat of zijn bondgenoten te beperken en herhaling van de compromittering te voorkomen.

5. Indien het de compromittering van een staatsgeheim betreft stelt de secretaris-generaal het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in kennis van de uitkomsten van het onderzoek. Bij het Ministerie van Defensie wordt de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het onderzoek.

Paragraaf F. Slotbepaling

Artikel 19

1. Ingetrokken worden: de Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de Rijksdienst van 20 januari 1989.

2. Dit besluit en de daarbij behorende bijlagen treden in werking met ingang van 1 maart 2004, met uitzondering van bijlage 3, onderdeel VII, Goedkeuring van systeemcomponenten, dat in werking treedt op 1 maart 2008.

3. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie.

Het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie treedt op 1 maart 2004 in werking. Om te voorkomen dat ICT-voorzieningen op grond van dit voorschrift voortijdig moeten worden vervangen, geldt de verplichting om uitsluitend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurde ICT-beveiligingsproducten te gebruiken pas vanaf 1 maart 2008.

Bijlage 1. Transponeringstabel internationale rubriceringen

Bijlage 2. Schema voorbeelden van rubriceringen

Bijlage 3. Matrix exclusiviteitseisen