rijk/ministeriele-regeling/convenantfinancieringsregeling/BWBR0003552/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

18 KiB
Raw Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Convenantfinancieringsregeling BWBR0003552 ministeriele-regeling geldend 1983-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0003552 Convenantfinancieringsregeling

Convenantfinancieringsregeling

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. Deze regeling is van toepassing op de werksoorten en voorzieningen, welke bij gebreke van deze regeling zouden zijn gefinancierd op de voet van één der in artikel 26 vermelde regelen.

Hoofdstuk II. Algemene voorwaarden voor het verlenen van een rijksbijdrage

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 3

1. Aan de gemeente wordt een rijksbijdrage verleend in de kosten ten behoeve van de uitvoering van het werk, waarop deze regeling van toepassing is.

2. De rijksbijdrage wordt slechts verleend voorzover de wetgever de nodige gelden toestaat en de gemeente voldoet aan de bij of krachtens deze regeling gestelde voorwaarden.

3. De rijksbijdrage wordt slechts verleend in de kosten van het werk, dat is opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 6.

Paragraaf 2. Het gemeentelijk plan

Artikel 4

1. De gemeenteraad stelt eenmaal in de vier jaar een plan vast, waarin voor een periode van vier jaar de grote lijnen van het beleid worden vastgelegd ten aanzien van het werk.

2. Op basis van een verkenning van de stand van zaken en de ontwikkeling met betrekking tot het werk in de gemeente en die terreinen, waarmee het werk nauwe relaties heeft, geeft het plan tevens aan de behoefte aan het werk, en omschrijft het welke aanvullingen of veranderingen in het aanwezige bestel moeten worden aangebracht om op doelmatige wijze in die behoefte te voorzien.

3. Bij de vaststelling van het plan wordt rekening gehouden met beleidsvoornemens van het rijk en de provincie op het terrein van het werk.

4. Zonodig wordt het plan jaarlijks gewijzigd. De bepalingen in paragraaf 4 alsmede in artikel 17 zijn daarbij voorzover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Voor zover nodig en mogelijk wordt aangegeven, welk beslag het plan legt op personele, materiële en financiële middelen.

Paragraaf 3. Het gemeentelijk programma

Artikel 6

De gemeenteraad stelt jaarlijks, op basis van het plan als bedoeld in paragraaf 2, een programma vast, waarin wordt aangegeven welk werk het daarop volgende jaar zal worden gerealiseerd.

Artikel 7

1.

In het programma worden aangegeven:

a. a. de voorzieningen op het terrein van het werk, waarvan in het jaar, waarop het programma betrekking heeft, de kosten in gevolge deze regeling door de gemeente zullen worden vergoed, dan wel die door de gemeente zelf zullen worden uitgevoerd; b. b. op welke groepen dan wel instellingen de verschillende onderdelen van het werk in het bijzonder zijn gericht en in welke wijken, buurten of kernen van de gemeente zij zullen worden uitgevoerd; c. c. welke bedragen voor de uitvoering van het werk maximaal ten laste van de gemeente zullen worden genomen; d. d. onder wiens verantwoordelijkheid het werk zal worden uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de pluriformiteit van de samenleving, waarbij de gemeenteraad met inachtneming van waarborgen voor deugdelijkheid, doelmatigheid en democratisch functioneren, eigen initiatief en verantwoordelijkheid van de burgers bevordert.

2. In het programma kan de mogelijkheid voor onvoorzien werk worden opengelaten.

3. In het programma wordt aangegeven welk werk in samenwerking met andere gemeenten of de provincie wordt gerealiseerd en welk werk op basis van een overeenkomst wordt uitgevoerd door een buiten de gemeente werkende instelling of groep.

4. In het programma wordt aangegeven op welke wijze afstemming heeft plaatsgevonden met andere relevant werk op het terrein van zorg, educatie of recreatie en wordt de samenhang daarmee aangegeven.

Paragraaf 4. De wijze waarop plan en programma tot stand komen

Artikel 8

1. Bij de voorbereiding van het plan en het programma wordt de bevolking betrokken en met de betrokken instellingen en groepen overleg gepleegd overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 9.

2. Indien het plan of programma personele gevolgen heeft, wordt dit niet vastgesteld dan nadat over deze gevolgen overleg is gevoerd met representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers, of bij ontbreken daarvan met een representatieve vertegenwoordiging van de betrokken werkgevers en werknemers.

Artikel 9

De gemeenteraad stelt na overleg met de betrokken instellingen en groepen en na inspraak van de bevolking een verordening vast, waarin wordt vastgelegd welke procedure bij de voorbereiding van het plan en het programma wordt gevolgd.

Paragraaf 5. Verslaglegging en evaluatie

Artikel 10

1. De gemeenteraad stelt jaarlijks een verslag vast van de uitvoering van het programma in het voorafgaande kalenderjaar, waarin in ieder geval wordt aangegeven in hoeverre het programma is gerealiseerd.

2. Het gemeentebestuur zendt gelijktijdig met de eerstvolgende aanvrage om een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aan de Minister het verslag bedoeld in het eerste lid, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

Paragraaf 6. De subsidieverordening

Artikel 11

De gemeenteraad stelt, de bevolking gehoord en na overleg met de betrokken instellingen en groepen, bij verordening vast, aan welke voorschriften het werk moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 12

De verordening bedoeld in artikel 11 bevat in ieder geval de volgende voorschriften:

a. a. indien het werk wordt uitgevoerd door beroepskrachten beschikken deze over een zodanige kennis en ervaring dat een verantwoorde uitoefening van hun functie is gewaarborgd, overeenkomstig de in artikel 25, tweede lid, vermelde regelen; b. b. de arbeidsvoorwaarden van beroepskrachten in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon komen overeen met de in artikel 25, eerste lid, vermelde regelen; c. c. deelnemers, gebruikers en vrijwilligers en beroepskrachten worden bij het beleid van de instelling of groep betrokken. Daarbij wordt aandacht geschonken aan:

      1.
      een evenwichtige vertegenwoordiging van genoemde categorieën en overigen in het bestuur;
    
    
      2.
      spreiding van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
    
    
      3.
      openheid bij de werving van bestuursleden;
    
    
      4.
      periodieke openbare verslaglegging en openbaarheid van vergaderingen en documenten;
    
    
      5.
      bescherming van de belangen van de gebruiker;
    1. een evenwichtige vertegenwoordiging van genoemde categorieën en overigen in het bestuur;
      
    1. spreiding van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
      
    1. openheid bij de werving van bestuursleden;
      
    1. periodieke openbare verslaglegging en openbaarheid van vergaderingen en documenten;
      
    1. bescherming van de belangen van de gebruiker;
      

d. d. de instelling of groep werkt mee aan door of namens de Minister na overleg met het gemeentebestuur in te stellen onderzoekingen, die zijn gericht op het verkrijgen van gegevens voor het beleid van het rijk ten aanzien van het werk.

Paragraaf 7. Voorwaarden ten aanzien van het door de gemeente uitgevoerde werk

Artikel 13

1. Het door of vanwege de gemeente uitgevoerde werk voldoet aan de eisen, die de gemeente in de verordening, bedoeld in artikel 11 stelt aan de door de gemeente gesubsidieerde instelingen of groepen.

2. Ten einde de arbeidsvoorwaarden van al diegenen, die het werk uitvoeren of begeleiden zo veel mogelijk gelijk te doen zijn, zijn op degenen die beroepsmatig het werk uitvoeren voorzover dat door of vanwege de gemeente wordt verricht, de regelen, bedoeld in artikel 12, aanhef en sub b, van overeenkomstige toepassing, behoudens voorzover het secundaire arbeidsvoorwaaarden betreft die voor ambtenaren gebruikelijk zijn.

Artikel 14

Het gemeentebestuur werkt mee aan door of namens de Minister bij de gemeente in te stellen onderzoekingen, gericht op het verkrijgen van gegevens voor het beleid van het rijk ten aanzien van het werk.

Paragraaf 8. Grondslag voor de berekening van de rijksbijdrage

Artikel 15

1. De rijksbijdrage bedraagt de door de gemeente gemaakte kosten ten behoeve van het werk tot ten hoogste het jaarlijks in de rijksbegroting hiervoor beschikbaar gestelde bedrag.

2. Het in lid I bedoelde bedrag zal worden samengesteld uit onderdelen van begrotingsartikelen ten behoeve van de regelen, bedoeld in artikel 26. Maatregelen, welke leiden tot verhoging of verlaging van die artikelen van de rijksbegroting, zijn naar evenredigheid van toepassing op het ten behoeve van deze regeling afgesplitste aandeel.

Paragraaf 9. Grondslag voor de berekening van de rijksbijdrage

Artikel 16

1.

Het gemeentebestuur dient jaarlijks vóór 1 januari van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd een aanvrage om een rijksbijdrage bij de Minister in, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

De aanvrage omvat:

a. a. het door de gemeenteraad vastgestelde programma; b. b. een raming van de door de gemeente te maken kosten van het werk.

2. Bij de eerste aanvrage en vervolgens om de vier jaren legt het gemeentebestuur het plan, bedoeld in artikel 4 over. Wijzigingen in het plan worden jaarlijks bij de aanvrage om een rijksbijdrage aan de Minister meegedeeld. Bij de eerste aanvrage worden bovendien afschriften overgelegd van de verordeningen, bedoeld in de artikelen 9 en 11. Wijzigingen in deze verordeningen worden eveneens aan de Minister medegedeeld.

3. Het gemeentebestuur zendt een afschrift van de aanvrage om een rijksbijdrage en een afschrift van het plan aan het provinciaal bestuur en aan het hoofd van het provinciaal Bureau Landelijk Contact.

Artikel 17

De Minister deelt zijn reactie op het plan, alsmede op wijzigingen daarvan, zo spoedig mogelijk aan het gemeentebestuur mee, voorzover deze reactie van belang is voor zijn beslissing op de aanvrage om een rijksbijdrage.

Afschrift hiervan wordt gezonden aan het provinciaal bestuur en het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

Artikel 18

1. De Minister doet jaarlijks vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage in het vooruitzicht wordt gesteld aan het gemeentebestuur een voorlopige opgave van de maximaal te verwachten rijksbijdrage.

2. De Minister beslist vóór 1 april van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd op de aanvrage bedoeld in artikel 16, eerste lid, en deelt de beslissing schriftelijke aan het gemeentebestuur mede, onder vermelding van de maximale rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar. Afschrift hiervan wordt gezonden aan het provinciaal bestuur en aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

3. Indien het gemeentebestuur bezwaar heeft tegen de beslissing bedoeld in het tweede lid, kan het daartegen binnen een maand na de datum waarop die beslissing is verzonden, bij de Kroon voorziening vragen.

Artikel 19

Op de rijksbijdrage worden voorschotten verstrekt.

Artikel 20

1. Het gemeentebestuur dient vóór 1 oktober volgens een door de Minister voor te schrijven model een declaratie in tweevoud in van de door de gemeente in het voorafgaande kalenderjaar gemaakte kosten van het werk voorzien van een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 265 bis van de gemeentewet, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

2. Het gemeentebestuur zendt zo spoedig mogelijk aan de Minister een afschrift van het raadsbesluit dat de voorlopige vaststelling van het bedrag der ontvangsten en uitgaven van de gemeente bevat, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact. Het gemeentebestuur maakt vervolgens zo spoedig mogelijk aan de Minister het besluit van gedeputeerde staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven bekend.

3. De rijksbijdrage wordt vastgesteld op basis van de declaratie. Op de rijksbijdrage kunnen achteraf correcties worden aangebracht, indien het besluit van gedeputeerde staten bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geeft of indien grond van later ter beschikking komende gegevens wijziging noodzakelijk is.

Hoofdstuk III. Bijzondere voorwaarden voor het verkrijgen van een rijksbijdrage

Artikel 21

1.

Ten behoeve van de activiteiten van jeugdhulpverlening die door de Minister en de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen bij beschikking worden aangewezen kan gedurende een planperiode een specifieke rijksbijdrage worden verleend, voorzover naast de voorwaarden, gesteld in Hoofdstuk II, wordt voldaan aan de volgende aanvullende voorwaarden:

a. a. in het programma worden in een aparte paragraaf de aard en omvang van de jeugdhulpverlening aangegeven; b. b. in de onder a, genoemde paragraaf wordt voorts aangegeven op welke wijze de samenhang wordt gerealiseerd tussen activiteiten van jeugdhulpverlening van ambulante, semi-residentiële en residentiële aard.

2. De in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt eerst verleend na overleg met de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen en gehoord de Interdepartementale Werkgroep Residentiële Voorzieningen voor jeugdigen en de Interdepartementale Werkgroep Ambulante en Preventieve Voorzieningen voor jeugdigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage wordt rekening gehouden met een vermindering dan wel vermeerdering van de omvang van de voor jeugdhulpverlening gemaakte kosten.

3. Na afloop van de eerste planperiode wordt verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde activiteiten geregeld op grond van het gestelde in hoofdstuk II.

Artikel 22

De gemeente draagt er zorg voor, dat de richtige uitvoering van het Besluit gezinsverzorging en huishoudelijke hulp Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is gewaarborgd.

Artikel 23

Gedurende de eerste planperiode zijn de landelijk geldende regelen inzake de eigen bijdrage van gebruikers van instellingen voor gezinsverzorging van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

Het gemeentebestuur draagt zorg voor het handhaven van zodanige eigen bijdragen van gebruikers, dat ook bij cumulatie van het gebruik van verschillende voorzieningen om zodanige reden op de Algemene Bijstandswet geen beroep behoeft te worden gedaan.

Artikel 25

1. Ten aanzien van de bekostiging van werknemers in privaatrechtelijke instellingen zijn de salaris- en rechtspositieregelingen, vervat in danwel gesteld krachtens één der in artikel 26 genoemde regelingen, van overeenkomstige toepassing.

2. Benoembaarheidseisen, deskundigheidseisen en beroepskwalificaties, hoe ook genaamd, vervat in danwel gesteld krachtens één der in artikel 26 genoemde regelingen, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Waar enige der in het eerste of tweede lid bedoelde regelingen het mogelijk maakt, dat van het daarin gestelde in individuele gevallen ontheffing of vrijstelling wordt verleend, in welke bewoordingen dan ook, wordt de bevoegdheid daartoe in handen gesteld van Burgemeester en Wethouders.

Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 26

1. Het bepaalde in de Rijksbijdrageregeling Sociaal Cultureel Werk (Stb. 1980, 301), de Rijksbijdrageregeling Maatschappelijke Dienstverlening (Stb. 1981, 679), de Tijdelijke Rijksbijdrageregeling ter stimulering van emancipatiewerk (Stcrt. 1979, 236), de Tijdelijke Rijksregeling Kunstuitleen (Stcrt. 1979, 251), de Tijdelijke Rijksbijdrageregeling Gecoördineerd Bejaardenwerk (Stcrt. 1980, 91), de Rijksbijdrageregeling Maatschappelijke Hulp- en Dienstverlening aan jongeren en jong-volwassenen (Stb. 1977, 143), de Rijksbijdrageregeling Kinderdagverblijven en dagcentra voor Schoolgaande Jeugd (Stb. 1981, 125) en de Subsidieregeling Gezinsverzorging en Gezinshulp 1958 (Stb. 1957, 250) blijft ten aanzien van de gemeente buiten toepassing.

2. Voorwaarden, gesteld bij het verlenen van een bijdrage dan wel een subsidie ten behoeve van een vrijwilligerscentrale, van sporttechnisch kader, dan wel van alfabetiseringsprojecten worden geacht ten aanzien van dit werk in de gemeente niet te zijn gesteld.

Artikel 27

1. In het eerste vierjarenplan zijn voor wat betreft het jaar 1983 in ieder geval opgenomen de instellingen die voorzieningen en activiteiten uitvoeren waarvoor zij in het jaar 1982 van rijkswege subsidie ontvingen op grond van een in artikel 26 genoemde regeling.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van instellingen waarvan het gemeentebestuur ten genoegen van de Minister heeft aangetoond, dat de werkzaamheden daarvan van een dermate gering belang zijn, dat voortzetting van de subsidiëring niet verantwoord is te achten.

3. Het subsidie aan de in het eerste lid bedoelde instellingen is voor het jaar 1983 zodanig, dat deze hun werk op verantwoorde wijze kunnen voortzetten.

Artikel 28

1. De Minister belast door hem aan te wijzen ambtenaren met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit.

2. De ambtenaren van het provinciaal bureau Landelijk Contact zijn belast met de rapportering aan de Minister omtrent de uitvoering door de gemeente van de voorwaarden bij of krachtens dit besluit gesteld. Zij vervullen ten opzichte van de gemeente tevens een voorlichtende taak.

3. Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaren worden door het gemeentebestuur alle inlichtingen verschaft die noodzakelijk zijn voor de juiste vervulling van hun taak.

4. De Minister kan nadere regelen stellen omtrent de taak en de werkwijze van de in dit artikel bedoelde ambtenaren.

Artikel 29

Dit besluit, dat kan worden aangehaald als Convenantfinancieringsregeling, treedt in werking op 1 januari 1983.