40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
8.3 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanvullende middelen studentendaling MBO 2025 – 2027 | BWBR0050571 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-12-20 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0050571 | Regeling aanvullende middelen studentendaling MBO 2025 – 2027 |
Regeling aanvullende middelen studentendaling MBO 2025 – 2027
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- arbeidsmarktregio: arbeidsmarktregio als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling;
- beroepsonderwijs: beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag van een bijzondere instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- centrumgemeente: centrumgemeente genoemd in artikel 1.8 van de Regeling SUWI;
- commissie: commissie als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo;
- instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 2
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.
Artikel 3
1. De minister kan aan een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio aanvullende middelen verstrekken met als doel bij te dragen aan een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de betreffende arbeidsmarktregio.
2. Het bekostigingsplafond in de kalenderjaren 2025, 2026 en 2027 bedraagt € 30 miljoen per kalenderjaar.
Artikel 4
In aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, worden aanvragen die naar het oordeel van de minister in onvoldoende mate bijdragen aan een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio, afgewezen.
Artikel 5
1. Een aanvraag voor aanvullende middelen als bedoeld in artikel 3, wordt ingediend namens een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio.
2. De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting. De artikelen 3.4 en 3.5 van de Kaderregeling zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan:
a. a. een regiovisie voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 die bestaat uit een analyse van de studentendaling en de gevolgen daarvan voor het gehele beroepsonderwijs in de betreffende arbeidsmarktregio, waarbij wordt ingegaan op maatregelen die het bevoegd gezag al heeft genomen, gericht op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio; b. b. een beschrijving van de activiteiten die zijn gericht op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio, waarbij wordt ingegaan op:
1°.
activiteiten gericht op de transitie van het aanbod aan beroepsopleidingen en onderwijsvoorzieningen;
2°.
activiteiten gericht op het in stand houden van opleidingen en onderwijsvoorzieningen; en
3°.
activiteiten gericht op fusie als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
1°. 1°. activiteiten gericht op de transitie van het aanbod aan beroepsopleidingen en onderwijsvoorzieningen; 2°. 2°. activiteiten gericht op het in stand houden van opleidingen en onderwijsvoorzieningen; en 3°. 3°. activiteiten gericht op fusie als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. c. c. een reflectie op de input van de commissie ten aanzien van de kwaliteit van het activiteitenplan met het oog op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio, gelet op de zorgplichten arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid, als bedoeld in artikel 6.1.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
4. Het activiteitenplan en de begroting worden gezamenlijk opgesteld met alle bevoegde gezagen die in dezelfde arbeidsmarktregio gevestigd zijn en aanspraak wensen te maken op aanvullende middelen op grond van deze regeling, waarbij in de begroting duidelijk wordt gemaakt hoe de beschikbare middelen over de verschillende betrokken bevoegde gezagen wordt verdeeld.
5. Het bevoegd gezag voert gezamenlijk met alle bevoegde gezagen die in dezelfde arbeidsmarktregio gevestigd zijn en aanspraak wensen te maken op aanvullende middelen op grond van deze regeling, een startgesprek met de commissie waarin de commissie reflecteert op het activiteitenplan, bedoeld in het derde lid.
6.
Uit de aanvraag blijkt op welke wijze de belangrijkste partners van het bevoegd gezag in de arbeidsmarktregio zijn betrokken bij de totstandkoming van het activiteitenplan en bij de uitvoering van het activiteitenplan. Daaronder worden in elk geval begrepen:
a. a. de scholen voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; b. b. de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; c. c. de centrumgemeente van de betreffende arbeidsmarktregio; en d. d. het regionale bedrijfsleven.
7. De aanvraag kan worden ingediend van 1 februari 2025 tot en met 1 april 2025.
8. Aanvragen die worden ingediend buiten de aanvraagperiode, bedoeld in het zevende lid of artikel 6, derde lid, worden afgewezen.
9. Aan een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio kan op grond van deze regeling maximaal één aanvraag worden toegekend.
10. Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op de website www.duo.nl.
Artikel 6
1. De minister kan ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag informatie opvragen bij de commissie.
2. In afwijking van artikel 4.1 van de Kaderregeling, beslist de minister op een aanvraag als bedoeld in artikel 5 binnen acht weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 5, zevende lid.
3. Indien de aanvraag wordt geweigerd op grond van artikel 4, kan het bevoegd gezag van 15 juli 2025 tot en met 1 september 2025 een nieuwe aanvraag op grond van deze regeling indienen.
4. In afwijking van artikel 4.1 van de Kaderregeling, beslist de minister op een aanvraag als bedoeld in het derde lid binnen acht weken na afloop van de aanvraagperiode.
Artikel 7
1. Het maximaal beschikbare bedrag aan aanvullende middelen per arbeidsmarktregio is opgenomen in bijlage 1.
2. Het maximaal beschikbare bedrag aan aanvullende middelen bedraagt niet meer dan de middelen die volgens de begroting bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, nodig zijn voor de uitvoering van het activiteitenplan.
Artikel 8
1. De aanvraag tot aanvullende middelen wordt direct vastgesteld.
2. De aanvullende middelen kunnen worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
3. De aanvullende middelen worden in gelijke delen betaald in juli 2025, januari 2026 en januari 2027 op de bij de minister bekende bankrekening van het bevoegd gezag.
4. In afwijking van het derde lid, worden de aanvullende middelen op een aanvraag als bedoeld in artikel 6, derde lid, voor de eerste termijn uitbetaald in december 2025.
Artikel 9
1. De verantwoording van de besteding van de aanvullende middelen geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
2. Het bevoegd gezag beschrijft jaarlijks in het bestuursverslag de voortgang in de uitvoering van het activiteitenplan, bedoeld in artikel 5.
Artikel 10
De minister kan een of meer bepalingen van de regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 11
1. Deze regeling treedt inwerking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvullende middelen die voor die datum zijn verstrekt.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende middelen studentendaling MBO 2025 – 2027.