rijk/ministeriele-regeling/regeling-bestrijding-schadelijke-organismen/BWBR0013946/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

26 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling bestrijding schadelijke organismen BWBR0013946 ministeriele-regeling geldend 2015-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013946 Regeling bestrijding schadelijke organismen

Regeling bestrijding schadelijke organismen

Paragraaf 1. Definitiebepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* minister van Economische Zaken;

b. b.

    *besluit:*
    Besluit bestrijding schadelijke organismen;

c. c.

    *richtlijn 2007/33/EG:* richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EG (PbEU L 156);

d. d.

    *aardappelen:* planten van de soort Solanum tuberosum L.;

e. e.

    *zetmeelaardappelen:* aardappelen bestemd om te worden verwerkt tot zetmeel met GN-code 11081300;

f. f.

    *pootaardappelen:* aardappelen die kennelijk bestemd zijn of gebruikt worden voor wederuitplant;

g. g.

    *goedgekeurde pootaardappelen:* pootaardappelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van de Regeling verhandeling teeltmateriaal;

h. h.

    *wratziekte:* de aantasting van aardappelen door de schimmel Synchytrium endobioticum (Schilb.) Percival;

i. i.

    *aardappelopslag:* aardappelplanten gegroeid uit op een terrein of perceel achtergebleven aardappelknollen of zaad;

j. j.

    *productielocatie:* een gedeelte van een bedrijf waar pootgoedhandelingen plaats hebben;

k. k.

    *pootgoedhandelingen:* het telen, opslaan, bewaren, sorteren en het transport van pootaardappelen;

l. l.

    *snijden:* het verdelen van een knol van een pootaardappel in meerdere delen;

m. m.

    *uien:* Allium cepa en Allium ascalonicum;

n. n.

    *plantuien:* uien, kennelijk bestemd voor wederuitplant;

o. o.

    *boomkwekerijgewassen en vaste planten:* winterharde en half-winterharde houtgewassen, vaste planten en vaste planten en wortelstokken, uitgezonderd de gewassen die gerekend worden tot de bloembollensector, en als zodanig worden genoemd in bijlage II van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007;

p. p.

    *knolcyperus:* planten behorende tot de soort Cyperus esculentus L.;

q. q.

    *valse meeldauw:* de schimmelziekte veroorzaakt door Peronospora destructor;

r. r.

    *koprot:* de schimmelziekte veroorzaakt door Botrytis alii;

s. s.

    *onderzoeksverklaring AM:* de verklaring als bedoeld in artikel 12b, eerste lid, van het Besluit bestrijding schadelijke organismen;

t. t.

    *pootaardappelen voor eigen gebruik:* pootaardappelen, afkomstig van en bestemd voor de teelt binnen de eigen onderneming;

u. u.

    *eigen onderneming:*
  
  
    
      1°.
      het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van zetmeelaardappelen dat de ondernemer in het in bijlage 10 aangewezen gebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert,
    
    
      2°.
      het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van consumptieaardappelen dat de ondernemer op Nederlands grondgebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert;

1°. 1°. het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van zetmeelaardappelen dat de ondernemer in het in bijlage 10 aangewezen gebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert, 2°. 2°. het geheel van terreinen of percelen voor de teelt van consumptieaardappelen dat de ondernemer op Nederlands grondgebied beheert en voor eigen rekening en risico exploiteert; v. v.

    *werktuigen:* machines, installaties, transportmiddelen, gereedschappen materialen of apparatuur die met grond in aanraking komen.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

De minister kan in de gevallen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit:

a. a. teeltverboden of bewaarverboden opleggen voor een bepaald terrein of perceel of een bepaalde ruimte, voor bepaalde of onbepaalde tijd; b. b. aanwijzingen geven voor het telen of bewaren op een bepaald terrein of perceel of in een bepaalde ruimte, voor bepaalde of onbepaalde tijd.

Paragraaf 3. Bepalingen inzake aardappelmoeheid

Artikel 2a

De minister stelt de locatie en grootte van een perceel vast overeenkomstig bijlage 1.

Artikel 2b

Als planten als bedoeld in artikel 12b, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de planten, genoemd in de bijlage 2.

Artikel 2c

Als gevallen als bedoeld in artikel 12b, tweede lid, van het besluit, worden aangewezen:

a. a. de situatie waarin een teler op een terrein planten, genoemd in bijlage 2, onderdeel 1, teelt, voor zover:

      1°.
      de geoogste pootaardappelen en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde pootaardappelen niet in de handel worden gebracht en uiteindelijk worden gepoot voor de teelt van consumptie- of zetmeelaardappelen, en
    
    
      2°.
      de geoogste pootaardappelen en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde pootaardappelen binnen het in bijlage 3 beschreven gebied worden gepoot binnen het bedrijf van de teler;

1°. 1°. de geoogste pootaardappelen en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde pootaardappelen niet in de handel worden gebracht en uiteindelijk worden gepoot voor de teelt van consumptie- of zetmeelaardappelen, en 2°. 2°. de geoogste pootaardappelen en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde pootaardappelen binnen het in bijlage 3 beschreven gebied worden gepoot binnen het bedrijf van de teler; b. b. de situatie waarin een teler op een terrein planten, genoemd in bijlage 2, onderdelen 2, 3 en 4, teelt, voor zover:

      1°.
      de geoogste planten en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde planten niet in de handel worden gebracht en uiteindelijk worden geplant voor de teelt van sierteeltproducten of consumptieve producten, en
    
    
      2°.
      de geoogste planten en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde planten binnen het in bijlage 3 beschreven gebied worden geplant binnen het bedrijf van de teler;

1°. 1°. de geoogste planten en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde planten niet in de handel worden gebracht en uiteindelijk worden geplant voor de teelt van sierteeltproducten of consumptieve producten, en 2°. 2°. de geoogste planten en de daaruit in volgende seizoenen vermeerderde planten binnen het in bijlage 3 beschreven gebied worden geplant binnen het bedrijf van de teler; c. c. de situatie waarin een teler op een terrein planten, genoemd in bijlage 2, onderdelen 3 en 4, teelt, voor zover de geoogste planten voordat ze in de handel worden gebracht, onverminderd het bepaalde in de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten, dusdanig worden gespoeld of geborsteld dat de aanhangende grond is verwijderd; d. d. de situatie waarin een teler op een perceel ten aanzien waarvan een beslissing op grond van artikel 2 is genomen, planten, genoemd in bijlage 2, onderdelen 3 en 4, teelt, voor zover:

      1°.
      de beslissing op grond van artikel 2 dit toestaat, en
    
    
      2°.
      de geoogste planten voordat ze in de handel worden gebracht, onverminderd het bepaalde in de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten, dusdanig worden gespoeld of geborsteld dat de aanhangende grond is verwijderd;

1°. 1°. de beslissing op grond van artikel 2 dit toestaat, en 2°. 2°. de geoogste planten voordat ze in de handel worden gebracht, onverminderd het bepaalde in de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten, dusdanig worden gespoeld of geborsteld dat de aanhangende grond is verwijderd; e. e. de situatie waarin een teler op een terrein planten, genoemd in bijlage 2, onderdeel 4, teelt, voor zover de geoogste planten, onverminderd het bepaalde in de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten, bestemd zijn voor de verkoop aan particuliere eindgebruikers die niet betrokken zijn bij de bedrijfsmatige planten- en snijbloementeelt en deze bestemming op de verpakking van de planten staat aangegeven.

Artikel 2d

1. Ten behoeve van het geven van aanwijzingen op grond van artikel 2, onderdeel b, inzake het telen of bewaren stelt Onze Minister ieder jaar op basis van overeenkomstig bijlage IV, deel II, bij richtlijn 2007/33/EG uitgevoerd onderzoek een lijst aardappelrassen met het bijbehorende resistentieniveau als bedoeld in bijlage IV, deel I, bij richtlijn 2007/33/EG, vast.

2. De lijst aardappelrassen met bijbehorend resistentieniveau wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

3. Verzoeken tot opname in de lijst worden ingediend bij de Plantenziektenkundige Dienst.

Artikel 3

Aardappelen worden niet geteeld in de volle grond op een terrein of perceel, gelegen in een in bijlage 4 aangewezen gebied.

Artikel 4

1. Aardappelen worden niet geteeld op een terrein of perceel, waarop in de twee voorafgaande kalenderjaren aardappelen zijn geteeld.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de teelt van aardappelen op een terrein of perceel dat is gelegen in een in bijlage 5 aangewezen gebied, mits voldaan wordt aan de in die bijlage gestelde regels.

3. In afwijking van het tweede lid, worden in een in bijlage 5 genoemde gebied geen goedgekeurde pootaardappelen geteeld, indien op dat terrein of perceel in dat gebied in de twee voorafgaande kalenderjaren aardappelen zijn geteeld.

Artikel 4a

1. Aardappelen worden uitsluitend geteeld met gebruikmaking van goedgekeurde pootaardappelen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het pootaardappelen voor eigen gebruik betreft die:

a. a. worden gebruikt ten behoeve van de teelt van zetmeelaardappelen; b. b. behoren tot in bijlage 9 genoemde aardappelrassen en c. c. afkomstig zijn van en geteeld worden op een terrein of perceel dat is gelegen in een in bijlage 10 aangewezen gebied.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien binnen dezelfde onderneming in het voorgaande jaar geen goedgekeurde pootaardappelen zijn geteeld en het pootaardappelen voor eigen gebruik betreft die:

a. a. worden gebruikt ten behoeve van de teelt van consumptieaardappelen, b. b. voldoen aan de eisen voor klasse C als bedoeld in artikel 61 van de Regeling verhandeling teeltmateriaal met uitzondering van de eis van een onderzoeksverklaring AM voor het terrein of perceel waarop ze zijn geteeld en met uitzondering van het verbod tot vermeerderen met gebruikmaking van klasse C pootgoed en c. c. afkomstig zijn van een terrein of perceel, gelegen binnen een straal van 25 kilometer vanaf het vestigingsadres van de teler en die geteeld worden op een terrein of perceel, gelegen binnen een straal van 50 kilometer vanaf het vestigingsadres van de teler.

4. Het certificaat of de schriftelijke verklaring voor de pootaardappelen wordt bewaard tot de maand mei, volgend op het jaar waarin de pootaardappelen voor de teelt van aardappelen zijn gebruikt.

Artikel 4b

1. Het is degene die een terrein of perceel in gebruik heeft verboden hierop boomkwekerijgewassen en vaste planten te telen, tenzij het gebruikte teeltmateriaal afkomstig is van en geteeld wordt op een terrein of perceel waarvoor een onderzoeksverklaring AM is afgegeven of op een terrein of perceel waarop de laatste twaalf jaar geen aardappelen of andere, in bijlage I onder punt 1 van richtlijn 2007/33/EG vermelde waardplanten zijn geteeld.

2. Het is verboden boomkwekerijgewassen en vaste planten in het verkeer te brengen tenzij het gebruikte teeltmateriaal afkomstig is van en geteeld wordt op een terrein of perceel waarvoor een onderzoeksverklaring AM is afgegeven of op een terrein of perceel waarop de laatste twaalf jaar geen aardappelen of andere, in bijlage I onder punt 1 van richtlijn 2007/33/EG vermelde waardplanten zijn geteeld.

3. De verklaring wordt bewaard gedurende 12 maanden nadat de planten op het terrein of perceel zijn geoogst.

Artikel 4c

Artikel 4b, eerste lid, is niet van toepassing op een terrein of perceel gelegen in en teeltmateriaal afkomstig uit een in bijlage 4 aangewezen gebied.

Paragraaf 4. Bepalingen inzake wratziekte

Artikel 5

1. Op een terrein of perceel, in een in bijlage 6 onder A aangewezen gebieden, worden geen zetmeelaardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras zoals genoemd in bijlage 6 onder B.

2. Op een terrein of perceel, in een in bijlage 7 onder A aangewezen gebied, worden geen aardappelplanten geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, als genoemd in bijlage 7 onder C1. Voor de teelt van pootaardappelen is het telen van de in bijlage 7 onder C2 vermelde rassen toegestaan.

3. Op een terrein of perceel, in een in bijlage 7 onder B aangewezen gebied, worden geen zetmeelaardappelen geteeld, tenzij zij behoren tot een ras genoemd in bijlage 7 onder C1.

4. Op een terrein of perceel, in een in bijlage 8 onder A aangewezen gebied, worden geen aardappelplanten geteeld, tenzij zij behoren tot een ras, zoals genoemd in bijlage 8 onder B.

Paragraaf 5. Bepalingen inzake Phytophthora infestans

Artikel 6

Na 15 april van een jaar worden niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen, tenzij bestemd om te worden uitgeplant, zodanig afgedekt dat stengels met blad niet boven deze afdekking kunnen voorkomen.

Artikel 7

Van niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen wordt niet ontdaan, tenzij zodanige maatregelen zijn getroffen dat zich aan deze niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen geen stengels met blad kunnen ontwikkelen.

Artikel 8

1.

Het is degene die een terrein of perceel in gebruik heeft, verboden een aantasting van Phytophthora te hebben, die als volgt omschreven is:

a. a. een groep min of meer aaneengesloten, zichtbaar door Phytophthora infestans aangetaste aardappelplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 20m^2, minimaal 1.000 (enkelvoudige) blaadjes zijn aangetast door vitale Phytophthora infestans, of b. b. verspreid aangetaste aardappelplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 100m^2, minimaal 2.000 (enkelvoudige) blaadjes zijn aangetast door vitale Phytophthora infestans.

2. Ingeval van stengelphytophthora telt elke stengel met vitale Phytophthora infestans voor 5 blaadjes.

3. Degene die een terrein of perceel in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid bedoelde aantasting.

Artikel 9

1.

Het is na 1 juli van een kalenderjaar aan degene die een terrein of perceel in gebruik heeft verboden om aardappelopslag te hebben, indien:

a. a. op dat perceel of terrein of een deel daarvan zich gemiddeld meer dan 2 aardappelplanten per m^2 bevinden, en b. b. de opslag voorkomt op minimaal 0,3 hectare.

2. Degene die een terrein of perceel in gebruik heeft neemt maatregelen ter bestrijding van de in het eerste lid bedoelde opslag.

Paragraaf 6. Bepalingen inzake het snijden van en gebruik van gesneden pootaardappelen

Artikel 10

1. Op een productielocatie van goedgekeurde pootaardappelen worden geen aardappelen gesneden.

2. Werktuigen en voorzieningen gebruikt op of gevestigd op de productielocatie van goedgekeurde pootaardappelen worden niet ter beschikking gesteld voor het snijden van pootaardappelen of voor pootgoedhandelingen met betrekking tot gesneden pootaardappelen.

3. Werktuigen en voorzieningen die zijn gebruikt voor het snijden van pootaardappelen of voor pootgoedhandelingen met betrekking tot gesneden pootaardappelen, worden niet gebruikt op de productielocatie of als productielocatie van goedgekeurde pootaardappelen

Artikel 11

1. Aardappelen worden niet geteeld met gebruikmaking van pootaardappelen die gesneden zijn.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien pootaardappelen zijn bestemd voor de teelt van consumptieaardappelen of pootaardappelen zijn bestemd voor de teelt van zetmeelaardappelen.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien op een bedrijf goedgekeurde pootaardappelen worden geteeld.

Paragraaf 7. Bepalingen inzake vergelingsziekte bij bieten

Artikel 12

1. In de provincies Flevoland, Zeeland en Noord-Brabant worden geen suikerbieten of voederbieten voor zaadwinning geteeld.

2. In de provincie Groningen worden geen suikerbieten of voederbieten voor zaadwinning geteeld in kassen.

Artikel 13

Een eigenaar of houder van planten van suikerbieten of voederbieten geteeld voor zaadwinning in de provincie Noord-Holland of Friesland waarop zich bladluizen bevinden, bestrijdt deze op zodanige wijze dat dit geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de suikerbieten en voederbieten in de omgeving.

Artikel 14

1.

Suikerbieten, voederbieten en afval van suikerbieten of voederbieten, voor zover daaraan bladvorming voorkomt, zijn niet voorhanden of in voorraad:

a. a. na 15 april van elk jaar in de provincie Groningen en de provincie Friesland; b. b. na 1 april van elk jaar in:

        1°.
        het gedeelte van de provincie Noord-Holland, gevormd door de gemeenten Haarlemmermeer en Wieringermeer;
      
      
        2°.
        het gedeelte van de provincie Zuid-Holland, gevormd door de eilanden Rozenburg, Voorne, Putten, Ijsselmonde, Hoekschewaard, Eiland van Dordrecht, Tiengemeten en Goeree-Overflakkee;
      
      
        3°.
        de provincies Flevoland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

1°. 1°. het gedeelte van de provincie Noord-Holland, gevormd door de gemeenten Haarlemmermeer en Wieringermeer; 2°. 2°. het gedeelte van de provincie Zuid-Holland, gevormd door de eilanden Rozenburg, Voorne, Putten, Ijsselmonde, Hoekschewaard, Eiland van Dordrecht, Tiengemeten en Goeree-Overflakkee; 3°. 3°. de provincies Flevoland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op suikerbieten en voederbieten, welke kennelijk bestemd zijn voor zaadwinning.

Paragraaf 7a. Bepalingen inzake valse meeldauw

Artikel 14a

Het is verboden na 15 april van enig jaar niet-uitgeplante uien of afval van uien aanwezig te hebben, tenzij op deze uien een afdekking is aangebracht of zodanige maatregelen zijn getroffen zonder welke niet-uitgeplante uien of afval van uien een bron kunnen zijn voor het verspreiden van valse meeldauw en koprot.

Artikel 14b

Het is verboden zich te ontdoen van niet-uitgeplante uien of afval van uien, tenzij zodanige maatregelen zijn getroffen zonder welke zich aan deze niet-uitgeplante uien of afval van uien groene delen kunnen ontwikkelen en zonder welke deze niet-uitgeplante uien of afval van uien een bron kunnen zijn voor het verspreiden van koprot.

Artikel 14c

Het is degene die een terrein of perceel in gebruik heeft verboden een aantasting van valse meeldauw te hebben, die als volgt omschreven is:

a. a. een groep min of meer aaneengesloten, zichtbaar door valse meeldauw aangetaste uienplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 20 m^2, minimaal 1.000 blaadjes zijn aangetast door vitale valse meeldauw of b. b. verspreid aangetaste uienplanten waarvan, binnen een oppervlakte van 100 m^2, minimaal 2.000 blaadjes zijn aangetast door vitale valse meeldauw.

Artikel 14d

1. Het is degene die een terrein of perceel in gebruik heeft verboden uien vanuit plantuien te telen indien hij niet beschikt over een beoordelingsrapport over het te gebruiken dan wel gebruikte uitgangsmateriaal, afgegeven door een keuringsinstelling die op basis van artikel 19 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet is aangewezen, waaruit blijkt dat bij visuele keuring van het uitgangsmateriaal te velde, vlak voor de oogst, geen valse meeldauw is geconstateerd of waaruit bij nacontrole van het uitgangsmateriaal blijkt dat het uitgangsmateriaal vrij is van valse meeldauw.

2. Het beoordelingsrapport wordt bewaard gedurende twee jaar na afgifte.

Paragraaf 7b. Bepalingen inzake knolcyperus

Artikel 14e

1. Het is degene die een terrein of perceel in gebruik heeft verboden akker- en tuinbouwgewassen te telen op het terrein of perceel of gedeelte daarvan waar de aanwezigheid van knolcyperus door de minister is vastgesteld.

2. De minister maakt het teeltverbod, bedoeld in het eerste lid, met ingangsdatum, terrein of perceel of gedeelte van het terrein of perceel, en termijn bekend.

3. In aanvulling op het teeltverbod kunnen maatregelen worden opgelegd met betrekking tot teelt, oogst, transport, opslag, schonen en bewaring van het geoogste product, het vernietigen en het ongeschikt maken voor gebruik als voortkwekingsmateriaal, alsmede opslag, bewaring, transport en vernietiging van afvalstromen, zoals grond- en gewasresten.

4. In een spoedeisende situatie kan de bekendmaking van het teeltverbod en de maatregelen aan de ondernemer mondeling geschieden. Een mondelinge bekendmaking wordt binnen een redelijke termijn bevestigd door een schriftelijke bekendmaking.

5. In afwijking van het eerste lid is het teeltverbod niet van toepassing gedurende de teelt van planten die is aangevangen voor vaststelling van de aanwezigheid van knolcyperus totdat deze teelt is beëindigd.

Artikel 14f

1. Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd is verplicht de knolcyperus te verwijderen en te vernietigen voordat aan de knolcyperus vier of meer bladeren zichtbaar zijn of zich ondergrondse knollen hebben ontwikkeld.

2. Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd en degene die werktuigen heeft gebruikt op het terrein of perceel of gedeelte daarvan waar het teeltverbod betrekking op heeft, is verplicht direct na dit gebruik de werktuigen zodanig vrij te maken van aanhangende grond en van planten, dat geen verspreiding van knolcyperus kan plaatsvinden.

Artikel 14g

Degene aan wie een teeltverbod is opgelegd, is verplicht bij wijzigingen met betrekking tot de eigendom of het gebruik van het terrein of perceel of gedeelte daarvan waar het verbod betrekking op heeft:

a. a. het teeltverbod en de maatregelen onverwijld aan de nieuwe eigenaar of gebruiker te melden en b. b. de wijziging onverwijld aan de minister te melden.

Artikel 14h

Het teeltverbod wordt door de minister opgeheven nadat is vastgesteld dat gedurende drie opeenvolgende jaren het terrein of perceel of gedeelte daarvan waar het verbod betrekking op heeft, vrij is bevonden van knolcyperus dan wel is omgezet of afgegraven en fytosanitair verantwoord is afgevoerd.

Paragraaf 8. Overige bepalingen

Artikel 15

Deze regeling berust op de artikelen 12a, 12b en 16 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen.

Artikel 15a

1. Besluiten, genomen door het bestuur, de voorzitter of de secretaris van het Productschap Akkerbouw en het Productschap Tuinbouw op grond van bevoegdheden in verordeningen die na inwerkingtreding van deze regeling aan de minister zijn toegekend, worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling aangemerkt als besluiten van de minister.

2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling aanhangige aanvragen en verzoeken tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de minister.

3. Voor zover aan een besluit, genomen op grond van bevoegdheden die na inwerkingtreding van deze regeling aan de minister zijn toegekend, voorschriften zijn verbonden en in deze voorschriften het bevoegd gezag wordt vermeld, wordt de minister vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling aangemerkt als het bevoegd gezag.

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bestrijding schadelijke organismen.

Bijlage 1. (

Bijlage 2. (

Onderdeel 1:

Solanum tuberosum,

voor zover ze zijn bestemd voor de teelt van pootaardappelen.

Onderdeel 2:

*Capsicum *spp.,

*Lycopersicon lycopersicum *(L.) Karsten ex Farw.,

*Solanum melongena *L,

voor zover ze zijn bestemd voor opplant.

Onderdeel 3:

*Allium porrum *L.,

*Beta vulgaris *L.,

*Brassica *spp.,

*Fragaria *L.,

*Asparagus officinalis *L.

voor zover ze zijn bestemd voor opplant.

Onderdeel 4:

*Allium ascalonicum *L.,

*Allium cepa *L.,

*Dahlia *spp.,

*Gladiolus *Tourn.Ex L.,

*Hyacinthus *spp.,

*Iris *spp.,

*Lilium *spp.,

*Narcissus *L.,

*Tulipa *L.,

voor zover ze zijn bestemd voor opplant.

Bijlage 3. (

Aangewezen gebied als bedoeld in artikel 2c, onderdelen a en b: Nederland.

Bijlage 4. (

Als gebieden, bedoeld in artikel 3 worden aangewezen:

Bijlage 5. (

Als gebieden, bedoeld in artikel 4 worden aangewezen:

Bijlage 6. (

Bijlage 7. (

Bijlage 8. (

Bijlage 9. behorend bij

De volgende zetmeelaardappelrassen mogen onder het TBM-regime vermeerderd worden.

Let op: In de wratziektekerngebieden in de omgeving van Barger Compascuüm, Foxel, Mantinge, Ter Apel en Veendam (zie https://www.nvwa.nl/onderwerpen/teeltvoorschriften-akkerbouw-en-tuinbouw/inhoud/teeltvoorschrift-wratziekte) mogen alleen rassen worden geteeld die ook voldoende resistent zijn tegen fysio 18. Deze rassen zijn aangeduid met een *.

Bijlage 10. behorend bij

[afbeelding]

Omschrijving:

Het gebied, gelegen in de provincie Drenthe, de provincie Overijssel, de provincie Gelderland ten noorden van de Nederrijn en de volgende gemeenten of gedeelten daarvan:

In de provincie Groningen: Bellingwedde, Groningen voor zover gelegen ten zuiden van het Eemskanaal, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Menterwolde, Pekela, Reiderland voor zover gelegen ten westen van de Ulsderweg en C.G. Wiegersweg en ten zuiden van de Hoofdweg en Goldhoorn te Finsterwolde, Scheemda voor zover gelegen ten zuiden van de Goldhoorn te Oostwold en ten westen van de Noorderstraat, ten noorden van de Polderweg, ten westen van de Langeweg, ten zuiden van Hoofdweg-Oost, Hoofdstraat en Hoofdweg-West te Nieuwolda, ten zuiden van de Hoofdweg 't Waar, ten zuiden van de Rechte Walsterweg, Slochteren, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde en Winschoten.

In de provincie Friesland: Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland.