40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
11 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023 | BWBR0042569 | ministeriele-regeling | geldend | 2020-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0042569 | Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023 |
Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023
Artikel 1
1.
In deze regeling en daarop gebaseerde besluiten wordt verstaan onder:
- kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire;
- project: activiteiten ter uitvoering van het milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5 van de Wet Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES op Bonaire dan wel een daarmee vergelijkbaar project.
2. In deze regeling wordt onder ‘subsidie’ mede verstaan ‘bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba’.
Artikel 2
De minister kan op aanvraag per kalenderjaar een subsidie verstrekken aan het openbaar lichaam voor projecten, opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’1http://bonairegov.com/sites/default/files/uploads/pdf/Rapport%20Afvalbeheer%20op%20maat.pdf, die strekken tot een effectief afvalbeheer op Bonaire.
Artikel 3
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de projecten, bedoeld in artikel 2.
2. Kosten voor de exploitatie van voorzieningen die zijn gerealiseerd met de projecten komen niet in aanmerking voor subsidie.
3. In afwijking van het tweede lid, kan de minister besluiten tot een eenmalige bijdrage in de kosten van exploitatie van voorzieningen.
Artikel 4
1. Het subsidieplafond voor de projecten, bedoeld in artikel 2, bedraagt, inclusief eventueel verschuldigde BTW, voor 2020 € 2.987.000,–.
2. De Minister stelt de subsidieplafonds voor de jaren 2021 tot en met 2023 jaarlijks vast en maakt die bekend in de Staatscourant voor aanvang van het tijdvak waarvoor ze worden vastgesteld.
Artikel 5
1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend vóór 1 september van het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
2.
Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het kaderbesluit bevat de aanvraag:
a. a. het rapport, genoemd in artikel 2, waarin de projecten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, zijn opgenomen; b. b. indien aanwezig, als bijlage offertes van middelen die nodig zijn om de projecten uit te voeren, voorzien van een paraaf van een daartoe bevoegde bestuurder van het openbaar lichaam, en c. c. het geraamde tijdstip waarop de projecten zullen zijn voltooid.
Artikel 6
1.
In de beschikking tot subsidieverlening worden in ieder geval vermeld:
a. a. de projecten, bedoeld in artikel 2, waarvoor een subsidie wordt aangevraagd; b. b. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald en het bedrag waarvoor de subsidie ten hoogste kan worden verleend.
2. In de beschikking kan worden toegestaan dat de subsidie voor projecten als bedoeld in het eerste lid, wordt besteed gedurende een periode van twee kalenderjaren.
3. Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 7
1. Onverminderd de artikelen 17, 18, 19, eerste lid, onderdelen a en e, tweede lid en artikel 20 van het kaderbesluit is het openbaar lichaam verplicht ieder jaar uiterlijk op 30 juni de voortgang van de uitvoering van de projecten op te nemen in een tussentijds voortgangsverslag en dat bij de minister in te dienen.
2. De minister kan verplichtingen opleggen over de aard en omvang van de projecten waarvoor de subsidie wordt verleend.
Artikel 8
1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, van het kaderbesluit wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen 22 weken nadat de projecten waarvoor de subsidie is verleend, zijn voltooid.
2. Het openbaar lichaam toont bij de aanvraag door middel van een financiële verantwoording aan dat de projecten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen.
3. Bij de aanvraag legt het openbaar lichaam een financieel verslag over waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd over de aan de projecten verbonden uitgaven en inkomsten. Dit verslag gaat vergezeld van een goedkeurende verklaring van een registeraccountant, accountant administratieconsulent of andere onafhankelijke accountant volgens het bij de beschikking tot subsidieverlening gevoegde controleprotocol van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarin wordt verklaard dat de subsidie rechtmatig is besteed aan de projecten en dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen zijn nageleefd.
Artikel 9
1. De minister stelt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de subsidie lager worden vastgesteld dan het bij beschikking verleende subsidiebedrag als:
a. a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. b. het openbaar lichaam niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidie; c. c. het openbaar lichaam onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of d. d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten.
3.
De minister is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen van de subsidie indien:
a. a. het openbaar lichaam niet tijdig de aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, of b. b. de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam wordt gewijzigd.
Artikel 10
1.
Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de minister de verlening intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen indien:
a. a. de projecten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. b. het openbaar lichaam niet heeft voldaan aan de verplichtingen die aan de verlening zijn verbonden; c. c. het openbaar lichaam onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening zou hebben geleid; d. d. de verlening anderszins onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten, of e. e. met toepassing van artikel 6, derde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
3.
De minister kan de vaststelling van de subsidie intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen:
a. a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het openbaar lichaam bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de verlening zou worden vastgesteld; b. b. indien de vaststelling onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten, of c. c. indien het openbaar lichaam na de vaststelling niet heeft voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen.
4. De intrekking of wijziging op grond van het derde lid werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
5. De vaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, sinds de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
6.
Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de minister de verlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen:
a. a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; b. b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of c. c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.
7. Bij intrekking of wijziging op grond van het zesde lid, onderdeel a of b, vergoedt de minister de schade die het openbaar lichaam lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.
Artikel 11
1. Gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening wordt een voorschot van maximaal 100 procent verstrekt van het in die beschikking opgenomen maximum bedrag van de subsidie.
2. Het voorschot wordt uitgekeerd op basis van een bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekte gespecificeerde begroting.
Artikel 12
1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling binnen 6 weken na bekendmaking van de beschikking tot vaststelling betaald.
2. De verplichting tot betaling van het subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de minister aan het openbaar lichaam schriftelijk kennisgeeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 10, eerste of derde lid, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken.
Artikel 13
1. De minister kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
2. De minister kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
3. De minister kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan het openbaar lichaam voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.
4. Terugvordering van een bedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 10, derde lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.
Artikel 14
De minister publiceert eenmaal in de vier jaar een verslag van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidie.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023.